De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

12 minuten leestijd

De opdracht van de kerk

In Hervormd Weekblad, orgaan van de Confessionele vereniging, maakt ds. S. Kooistra naar aanleiding van een t.v.-debat tussen dr. Ter Schegget en de heer Schakel over de opdracht van de kerk een aantal behartigenswaardige opmerkingen. Is het de taak van de kerk partij te kiezen voor de armen en verdrukten in hun revolutionaire strijd? Ongetwijfeld heeft het Evangelie van Jezus Christus betekenis voor het maatschappelijke en politieke leven. Maar betekent dat dat de kerk de opdracht heeft in haar ambtelijke dienst bezig te zijn met het sociale handelen? Of is de opdracht van de kerk in het licht van Matth. 28 : 19 en 2 Cor. 5 : 18vv niet veeleer de verkondiging van het Evangelie? Ds. Kooistra maakt de volgende opmerkingen:

De Kerk mag als zodanig niet oproepen tot gewapende strijd. Met de heer Roolvink heb ik dan meer sympathie voor Martin Luther King, die een geweldloos verzet begon tegen de rassendiscriminatie in Amerika. Daarmee is niet gezegd, dat een christen nooit tot gewapend verzet zou mogen komen. Wat mij in het Kort Geding aangreep was wat de heer Schakel in zijn slotconclusie opmerkte, nadat hij eerst met stukken aangetoond had, dat hij zelf aan een gewapende verzetsgroep had meegedaan in de bezettingstijd: Hier besliste niet de Kerk voor mij maar hier volgde ik de beslissing van mijn eigen geweten. De opdracht van de Kerk is om te wijzen op de Heiland, de Heelmeester. De prediking van de Kerk mag en moet wel functioneren als een soort accu, waardoor de persoonlijke verantwoordelijkheid van de christen geladen wordt. Naar mijn indruk haalde dr. Ter Schegget de opdracht van de Kerken, de taak van de Overheid en de persoonlijke verantwoordelijkheid van de christen door elkaar. De Kerk draagt niet het zwaard, maar de Overheid wel. Terwille van de gerechtigheid heeft de Overheid de roeping de rechtsorde te handhaven. Als de Overheid ontaardt in tyrannie kan verzet geboden zijn. Men heeft gemeend, dat het Getuigenis elke revolutie verbiedt, ook die van de glorieuze opstand tegen Spanje, waaruit de Nederlandse natie is ontstaan. Ik acht deze mening onjuist. Onze vaderen waren goed Calvinistisch in deze. Calvijn erkent het recht van opstand in bepaalde gevallen. Wel acht hij dan nodig, dat overheidspersonen in verzet komen tegen de tyrannie van de Koning. Zo is het met Willem van Oranje geweest in zijn verzet tegen koning Philips II van Spanje, toen hij het, in de Raad van Staten als stadhouder van Holland opnam voor het verdrukte volk. Zo heeft nu nog ieder christen, ja ieder staatsburger zijn politieke en sociale verantwoordelijkheid. Deze verantwoordelijkheid kunnen wij nooit aan de Kerk delegeren. De eerste opdracht van de Kerk blijft de verkondiging van het Evangelie. Dit betekent meer dan een 'hemelgeloof', ofschoon ik er slecht tegen kan, dat er zo verachtelijk gesproken wordt over het 'in de hemel komen'.

Daarachter zit de oerreligieuze vraag: Hoe staat het er met mij voor in de handen van God, in het oordeel van God? Maar ik erken graag, dat het Evangelie mede de aardse vragen raakt, de oproep tot heiliging, zonder welke niemand volgens de brief aan de Hebreeën den Here zien zal. De sociale en politieke toepassing van het Evangelie blijft echter een zaak van het eigen geweten. Wat de heer Schakel, voor zichzelf besliste in de oorlogstijd kan de Kerk niet als wet prediken aan iedereen. Zo kan het ook nooit de roeping van de Kerk zijn om op te roepen tot een bepaalde revolutionaire strijd, zoals de Paus in de Middeleeuwen er naast was, toen hij het volk opriep tot de Kruistochten. Wij kunnen dan ook politieke partijen en sociale organisaties niet missen. Ik laat nu even in het midden, of wij kiezen moeten voor organisaties op confessionele of algemene (neutrale? ) grondslag. Dat hangt mede af van de situatie, waarin wij staan. Wat de politiek betreft heb ik voor mezelf gekozen maar ik ga mijn eigen keuze hier niet verdedigen. Over het algemeen is er een grote lauwheid. Vele gemeenteleden schieten tekort in hun kerkelijke verantwoordelijkheid en ook in hun politieke en - sociale verantwoordelijkheid. Maar wij moeten leren onderscheiden. De Kerk moet onderscheiden tussen wat haar opdracht is en wat buiten haar terrein valt. De doorsnee kerkganger zal in de zondagse kerkdienst niet allereerst verwachten te horen, hoe hij denken moet over allerlei politieke vraagstukken maar wat of beter gezegd Wie de weg des heils is. De eerste taak van een predikant blijft: Prediking, zielzorg en catechese. Daarover staat ook iets in de officiële beroepsbrief. Een predikant is niet een sociaal werker of politieke leider. Daarmee is niets kwaads gezegd van maatschappelijke werk(st)ers en politici. Ik wil slechts herinneren aan onze ambtelijke opdracht, waarmee wij staan in de lijn van de apostolische successie, om gehoorzaam te zijn aan het bevel van Christus. Zie nogmaals Matth. 28 : 19!

Het vraagstuk wat hier door ds. Kooistra wordt aangeroerd is vandaag nogal in discussie. In een artikel in het novembernummer van Wapenveld is door prof. dr. W. H. Velema aangetoond hoe de nadruk van het sociale handelen als het een en het al van de dienst der kerk geweldige consequenties voor de verhouding van de kerk tot de wereld. De kerk wordt een deel van de wereld en heeft alleen nog maar een maatschappelijke functie. Hier wreekt zich een onbijbelse visie op de kerk, en tegelijk een veranderde, optimistische visie op de wereld. Voorts probeert men de toekomst van de kerk nog te redden door alle accent te leggen op haar maatschappelijke functie. Wij zullen juist in onze tijd ons gedurig weer voor ogen te stellen hebben wat het betekent dat aan de kerk de bediening van het Woord van God is toevertrouwd. Dat zijn we met ds. Kooistra hartelijk eens.

De visie op de genade in de nieuwere protestantse en r.k. theologie

De strijd met Rome was een geding om het verstaan van het Evangelie der genade. De reformatoren hebben tegen de roomse verzakelijking van de genade als een ding, waarover de kerk beschikt, de vrije gunst van God beleden jegens verloren mensen. Vandaar ook de nadruk op de evangelieprediking en de bediening van het sacrament, op de noodzaak van wedergeboorte en vernieuwing door de Heilige Geest.

Genade is de gunst van de levende God, Die in Christus zondaren zoekt en zalig maakt en Die door de Heilige Geest het geloof werkt in ons hart. En Geest en Woord zijn onafscheidelijk verbonden (verg. Heid. Cat. Zondag 25).

Hoe wordt dit alles nu in de nieuwere theologie gezien? In Protestants Nederland lazen we in een artikel van prof. dr. W. H. Velema hierover het volgende:

Men stelt het tegenwoordig zo: Wie doet wat in de mens is en wie dus menselijk handelt, doet het goede. Dat is het natuurlijke handelen. Men verklaart in onze tijd dat natuurlijke handelen tot een zaak van genade. De oude onderscheiding tussen natuur en genade, waarbij men van onderbouw en bovenbouw sprak, verdwijnt doordat de natuur zelf genade genoemd kan worden. Wie immers natuurlijk handelt — dat betekent dus, wie het goede doet en menselijk optreedt in onze samenleving — die vertoont de tekenen van genade. Men kan atheïst zijn en toch doen wat God wil. In de rooms-katholieke theologie wordt hier van anonieme genade gesproken. Dat is een genade, welke ook daar gevonden wordt waar men persoonlijk God niet kent, ja zelfs niet kennen wil. De persoonlijke kennis van God is dus niet meer nodig om toch begenadigd te zijn. Wie doet wat in de mens is en dienovereenkomstig handelt, vertoont daarmee de tekenen van Gods genade.

Iets dergelijks is het geval in protestantse kringen. Iemand schreef: je kunt niet solidair zijn met de wereld en je voor de vernieuwing inzetten samen met ongelovigen, en dan tegelijk menen dat zij voor eeuwig verloren zijn. De auteur vond, dat het leerstuk over de eeuwige verlorenheid aan revisie toe is. Hij noemde zijn opstel dan ook: De wereld valt mee. Dat was niet maar een titel, dat was inhoudelijk bedoeld. Hoe kunnen we dat verklaren? De verandering loopt via de gedachten over menselijkheid. Het doen van wat de Here wil — zegt men tegenwoordig — blijkt in de wereld soms beter en meer aanwezig te zijn dan in de kerk. Daarom is het mogelijk, dat God ons enerzijds van de huidige kerkstrukturen afhelpt, maar anderzijds toch zijn werk voortzet, door hen die menselijk handelen, ook zonder dat zij geloven.

Als we nu denken aan het oude onderscheid tussen algemene en bijzondere genade, moeten we dit zeggen: dit doen van wat in de mens is, dit betrachten en betonen van natuurlijke goedheid, heette vroeger vrucht van gemene gratie te zijn. Nu heet het zonder meer genade. De algemene genade werd onderscheiden van de bijzondere of partikuliere genade. De algemene genade was niet zaligmakend en reikte niet tot in de eeuwigheid. Zij beteugelde het kwaad en deed veel goeds vinden in de wereld, maar zij was niet genoeg voor de zaligheid. Daarvoor was nodig de partikuliere of verkiezende genade van God.

Wat zien we nu? Deze partikuliere genade, waarbij het geloof in de Here Jezus Christus onmisbaar is, gaat zijn specifiek karakter verliezen. De partikuliere genade komt samen te vallen met de algemene genade; precies dezelfde gedachtengang als bij de rooms-katholieken, waar de natuur met de genade komt samen te vallen. Gevolg bij beiden is, dat het bijzondere en de noodzakelijkheid van het geloof in Jezus Christus gaat verdwijnen. In protestantse kringen meen ik Barth als de grote boosdoener te moeten aanwijzen. Hij sprak zo triomfantelijk over de genade van God, dat de noodzakelijkheid van persoonlijk geloof en wedergeboorte ver naar achteren gedrongen werd. Hij achtte de genade van God zo triomfantelijk aanwezig in deze wereld, dat je haar ook aantreft in kringen waar men in God en Jezus Christus niet gelooft. Dit noemen we: De onthologische onmogelijkheid van het ongeloof. Zij is te danken aan de objektieve betekenis van het heilswerk van Christus. De mens is krachtens zijn wezen begenadigd door Jezus Christus. Hij kan eigenlijk niet ongelovig zijn. De leer van de anonieme genade is een rooms-katholieke parallel daarvan: Genade treft men ook daar aan waar men persoonlijk God niet kent. Barth zegt, als parallel van de anonieme genade, dat het heilswerk van Jezus Christus zó geweldig van betekenis is, dat men het resultaat ook daar aantreft waar men persoonlijk niet of nog niet gelooft in Jezus Christus. De objektieve betekenis van het heilswerk van Christus en de gedachte van de anonieme genade, duiden op dezelfde zaak: genade is ook daar te vinden, waar men persoonlijk God niet kent.

Er is een opvallende overeenkomst tussen deze resultaten van de verschuiving en de rooms-katholieke genadeleer uit de tijd van de Reformatie. We zagen dat daar de genade werd losgemaakt van de genadige God. De genade was een ding waarover we beschikken konden. Men kon de genade kopen. Welnu, zó is het nu ook. Het punt van overeenkomst is gelegen in het losmaken van de genade van de genadige God. Men kan de genade in zijn leven kennen, ook zonder dat men de genadige God zelf kent. Het enige verschil ligt nog hierin, dat men de genade nu niet meer zo statisch verzakelijkt, maar humanistisch dynamiseert. Met andere woorden: het is geen vaststaande grootheid, het is een vorm van handelen waarbij men daden van menselijkheid en menslievendheid moet betrachten. Het komt er op neer, dat men ook nu met de genade kan manipuleren. Op dit punt is de protestantse geloofsleer opgeschoven in de richting van de roomskatholieke gedachte over de genade uit de tijd van net voor de Reformatie. De genade wordt nu gehumaniseerd. Daarmee wordt de erfenis van de Reformatie verspeeld.

Het is uitermate belangrijk dat we er erg in hebben wat er gaande is. Want de hierboven geschetste ontwikkeling heeft zijn consekuenties voor de practijk. Wij denken aan allerlei ontwikkelingen binnen de Raad van Kerken.

Wat stellen we hier tegenover? Mijns inziens alleen dit: De belijdenis der reformatie aangaande de genadige God. Deze boodschap is door en door actueel. Nodig is dat we deze belijdenis beleven in het geloof. Dat vraagt van elk onzer leven bij de Schrift. Prof. Velema zegt aan het slot van zijn artikel:

Laten we aan de enkeling niet voorbij leven, maar hem het Woord van Gods genade brengen. Onze tijd wordt gekenmerkt door het massale, het grote, de concentraties en de fusies. Zo gaat het in het Koninkrijk van God niet toe Je kunt niet massaal het Koninkrijk binnengaan. Persoonlijke wedergeboorte en geloof is nodig voor de toegang tot het Koninkrijk der hemelen. Als wij geloven dat de grootste nood van de mens gelegen is in zijn schuld, dan moeten we ook de redding van de schuld de ander boodschappen. Er zijn mensen die er op wachten, zonder dat ze zich dat bewust zijn en zonder dat ze het zichzelf willen erkennen. We moeten ons voor deze boodschap niet schamen.

De gemeente heet mondig. Laten we die mondigheid mogen beleven daarin, dat de gemeente om deze boodschap roept, dat ze haar voorgangers de behoefte naar dit woord van genade voorhoudt. De gemeente moet spreken over wat ze nodig heeft. Hendrik de Cock en Abraham Kuyper zijn middelijkerwijs tot bekering gekomen door het gesprek met gemeenteleden. Deze hebben in alle eenvoud voor deze beide mannen geweldig veel betekend. Zo zal de gemeente ook in onze tijd niet mogen zwijgen. Een zwijgende meerderheid is de kerk onwaardig. We komen in de democratie dat woord nogal eens tegen. De kerk is een belijdende gemeente, en daarom kent zij geen zwijgende meerderheid. Ze moet desnoods door haar vragen haar voorgangers beschamen. Ze moet bidden voor haar voorgangers. Ze moet ook haar honger naar het Woord kenbaar maken.

Jammeren en klagen, ons zelf beklagen, helpt niet. Daarmee komen we ook in deze tijd niet verder. Het gaat om het geloven in de God van alle genade. Laat ons spreken mogen van onze toekomstverwachting. Laat ons mogen belijden, dat ons werk niet ijdel is in de Here. Paulus spreekt daarover aan het slot van 1 Korinthe 15, het hoofdstuk over de opstanding. We kunnen geen vaster grond, geen groter kracht en geen sterker vertrouwen hebben, dan juist door de boodschap van Gods genade. Tegenover de humanisering van de genade in onze tijd mogen we het opnemen voor de belijdenis van Gods genade als zijn persoonlijke gunst, van het werk van de Heilige Geest en het geloof in het offer van de Here Jezus Christus. Dat geeft kracht. Dat geeft toekomstverwachting.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 januari 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 januari 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's