Rekenschap en verantwoording * I
'Zijt altijd bereid tot verantwoording aan een iegelijk, die u rekenschap afeist van de hoop die in u is, met zachtmoedigheid en vreze.' Het is dit woord uit de 1ste brief van Petrus (h. 3 : 15), dat op het titelblad van de eerste uitgave van de Ned. Geloofsbelijdenis van 1561 is afgedrukt, zoals ook op de uitgaven van de franse belijdenis van 1559, nu in het algemeen de belijdenis van La Roebelle (1571) genoemd.
Heeft de vermaning van Petrus met ons belijden te maken?
Doet men daarmee recht aan de vermaning van Petrus aan de vreemdelingen in de verstrooiing (h. 1:1)? De apostel schrijft over het lijden van de gelovigen in de wereld. Zij moeten zich niet verwonderen over de hitte der verdrukking, die over hen komt; het is een louteringsvuur. Indien gij gesmaad wordt om de naam van Christus, dan zijt gij zalig, want de geest der heerlijkheid en de geest Gods rust op u (h. 4 : 12 vv.). Gemeenschap aan het lijden van Christus betekent gemeenschap aan zijn heerlijkheid. Bij Paulus vinden wij dezelfde gedachte o.a. Phil. 3 : 10, Rom. 8 : 17. Vreest niet, zegt Petrus, en wordt niet ontroerd, want wie zal u kwaad doen, indien gij navolgers van het goede zijt? Daarbij gaat het niet alleen om uiterlijke schade, die in de verdrukking wordt geleden, maar ook om innerlijke en als God vóór ons is, wie zal dan tegen ons zijn? Heiligt God den Here in uw harten, daartoe vermaant in dit vérband de apostel de kerk. Dat woord grijpt terug op het O.T. De Here der heerscharen, die zult gij heiligen en Hij zij uwe vreze (Jes. 8 : 13; 29 : 23). De Here heiligen, dat betekent Hem als de Heilige te erkennen. Hem lovend en prijzend aanroepen als de Heilige in het midden van Zijn volk.
In de geschiedenis van Mozes wordt getekend, hoe Mozes en Aarón den Here niet hebben geheiligd (Num. 20 : 12; Deut. 32:51). Calvijn wijzende op het ongeloof als een zwaar en afschuwelijk kwaad tekent bij dit vers aan: Het is door hun (Mozes en Aaron) gebrek aan geloof (defectio) geschied, dat het gehele volk meende, dat er van de Here geen enkele hulp te verwachten was. En dit heiligen van God de Here in de harten moet uitkomen in de belijdenis van de hoop. Weest altijd bereid tot verantwoording, tot apologie, zoals Paulus zich verdedigt in Jeruzalem in de tempel voor het volk (Hand. 24 : 10; 26 : 1; 25 : 8), zoals hij zich in 1 Cor. 9 verdedigt tegen zijn vijanden over de authenticiteit van zijn apostelschap en daarmede van zijn apostolisch gezag. Paulus weet zich gesteld tot verdediging en verantwoording (apologie) van het Evangelie. Filippensen 1:7. 'De apostel droeg het evangelie uit, handhaafde en verdedigde het, ook tijdens zijn gevangenschap en voor de rechtbank op zodanige wijze, dat het als een onbetwistbare en onomstotelijke waarheid bekend gemaakt en voorgesteld en de hoorders op het gemoed gedrukt werd en zich aan hen als opdrong' (Greydanus). De verdediging wil het evangelie niet bewijsbaar maken voor het natuurlijke verstand, maar legt rekenschap af van de hoop, die in de harten leeft. Het betekent dus een getuigend woord, wars van alle halfheden en compromissen, zonder zich van de wijs te laten brengen en onbevreesd voor alle dreiging. De christen heeft te staan voor de zaak van Christus. Hij staat er voor en hij staat er voor in.
Petrus, de apostel der hoop
Wat is nu de inhoud en de zin van het woord hoop bij Petrus. Wat is dit voor een verwachting? Over een verwachting voor het 'hiernamaals' wordt in deze tijd ook in de kerk weleens laatdunkend gesproken. 'Naar de alleen op het hiernamaals gerichte egoïstische verwachting van de vromen vraagt de wereld niet'. In de eerste plaats predikt de apostel geen egoïsme. En in de tweede plaats is het geen wonder, dat de verwachting van Gods gemeente de wereld niet raakt. Daar is de wereld wereld voor. De wereld vraagt naar de wereld, daarom is de wereld arm omdat het eeuwige en het hemelse in de grond der zaak voor haar van geen betekenis is en in de derde plaats men verwart een individuele verwachting en een persoonlijk uitzicht met een individualisme, dat al-leen oog heeft voor zichzelf, terwijl de verwachting van de kerk zaligheid en heil betekent voor het lichaam van Christus en de gemeente des levenden Gods. In dit verband verwijs ik alleen naar de theologie van Bonhoeffer met een sterke klemtoon op de 'diesseitigkeit'. In de volle 'diesseitigkeit' van het leven moeten wij leren geloven; dat betekent: wij moeten het incognito van de navolging van Christus op ons nemen en zo aan de onzichtbaarheid van de macht Gods in de wereld deel hebben. Deze gedachte van een werelds evangelie moet ten sterkste worden afgewezen, al mag niet vergeten worden dat er — gelukkig — in Bonhoeffers theologie en geloofsgetuigenis ook een geheel andere lijn is waar te nemen.
Petrus spreekt vele malen over de hoop. B.v. in de vermaning tot standvastigheid in de brief aan de Hebreeën (10:23); laat ons onwankelbaar de belijdenis der hoop vasthouden (verg. ook h, 3:6; 6 : 11, 18, 7 : 19; 11 : 1). De hoop ontstaat uit het geloof; zij voedt en onderhoudt het geloof en het geloof rust op het fundament, dat Hij die geloofd heeft getrouw is. Het rust op de beloften. Er is dus een zeer nauw verband tussen het geloof en hoop. B.v. in Rom. 15 : 13. Niet in die zin, dat de hoop het wezenlijke zou zijn van het geloof of ook dat men zou mogen zeggen er wordt rekenschap gevraagd over de hoop en niet over het geloof (zo Schelkle), maar zegt Calvijn synekdochisch, .d.w.z. het gedeelte wordt voor het geheel genomen, hoop staat voor geloof. B.v. 1 Petr. 1 : 21 opdat uw geloof en hoop op God zou zijn. De hoop die in u is; in u, dat is een levende verwachting in het geheel van Gods kerk, maar dat sluit in het geloof en de hoop in ieder van u persoonlijk. Wij moeten bereid zijn om in ootmoed en zachtmoedigheid en in vreze, niet voor mensen, maar voor Gods aangezicht te getuigen van wat wij hopen en geloven; niet zelfvoldaan, niet hoogmoedig, niet om onszelf op een voetstuk te plaatsen, maar tot de verheerlijking Gods 'zo wordt de Here verheerlijkt als noch vreze voor mens, noch schaamte ons afhoudt van de rechte belijdenis van ons geloof; overigens betekent dit niet, dat Petrus onvoorwaardelijk (praecise) beveelt, dat wij overal en altijd en bij allen zonder overscheid (promiscue) verklaren en bekend maken al wat ons van de Here is gegeven. Want de Here onderricht de zijnen door de Geest der onderscheiding (der geesten) om te bepalen en te beoordelen wanneer, in hoeverre en bij wien het dienstig is te spreken' Calvijn.
De hoop en het belijden van de kerk
Wat Calvijn bij deze tekst aantekent, heeft ook voor deze tijd stellig betekenis. Men zegt wel: omdat u voor de verbreiding en verdediging van de waarheid bent, moet u getuigen b.v. op de A.K.V. en u weet, dat hebben wij afgewezen, maar op een andere wijze hebben wij getuigd en over het geloof en de hoop van de kerk, de eeuwen door beleden, getuigend gesproken. Bovendien, zegt Calvijn, het gaat er niet om dat op een subtiele wijze over stukken van het geloof gediscussieerd wordt. Wat Petrus afwijst, dat is een leeg activisme, en wat hij van de kerk verwacht, dat is opkomen voor de erfenis van profeten en apostelen. Terecht heeft men eeuwen geleden dit woord van Petrus voorop gesteld bij het bekend maken van de belijdenis. Calvijn tekent bij Hebr. 3 : 1 over Christus als de apostel en Hogepriester onzer belijdenis aan, dat belijden ledig en zonder nut is tenzij het zich op Christus richt en op Hem betrekking heeft. De Schrift zelf doet niet anders dan belijden en waar het woord in de kerk regeert, daar zal het vrucht dragen en deze vrucht is belijdenis (confessio) der lippen. Met het hart geloven en de mond belijden hoort bij elkaar (Rom. 10 : 9 en 10). Hart en mond stemmen samen in deze summa van een christelijke geloofsbelijdenis. 'Er is geen vast geloof, dat zich niet toont in de belijdenis' (apologie CA.).
Hoe Israël beleed
Van God zegt Israël: Hij heeft zich aan ons geopenbaard (Ps. 147 : 19). En het antwoord van Israël op Gods openbaring is de belijdenis van de levende God. Ik noem slechts enige belijdenissen: de Here is de levende God en de eeuwige Koning (Deut. 4 : 35; 6 : 5 ) ; de Here onze God is een enig Heer (Deut. 6 : 4 ) ; de Here is God (1 Kon. 18 : 39). Zie de hemel, ja de hemel der hemelen kan U niet bevatten (1 Kon. 8 : 27). Men heeft wel gezegd, dat de belijdenis, dat God de Here is, (gebieder, adon) de ruggegraat is van de hele oudtestamentische theologie. Een machtige belijdenis van de enige God van Israël voor wie alle volken als niet zijn, vinden wij b.v. in Jes. 40. Hebt gij het niet gehoord, dat de eeuwige God, de Schepper van de einden der aarde nog moede, noch mat wordt? Of het getuigenis van Job. Hij beschrijft de scheppingswerken Gods. De pilaren van de hemel sidderen en ontzetten zich (Job 26 : 11) voor zijn schelden en zie, dit zijn maar uiterste einden zijner wegen. Het is maar een klein stukje van de zaak, die wij van Hem gehoord hebben, het zijn maar randverschijnselen, de machtige daden Gods zijn maar een fluistering; wie zou dan de donder zijner mogendheden verstaan? Het handelen Gods in het leven van volken en mensen is oneindig veel groter en onbegrijpelijker dan Zijn scheppingswerk; dat is de lofprijzende belijdenis, de grandioze conclusie. Alles zinkt weg voor Gods heerlijkheid! Het antwoord van de kerk, van de oudtestamentische bedeling op Gods daden is de lof en de aanbidding. Zoals die uitlopen in de doxologieën b.v. Amos 4 : 13 en de vele hymnen in de Psalmen. Als de Psalmisten de lof van de Here zingen, dan is dat loven en danken een belijden van de majesteitelijke glorie Gods tot heil en zaligheid van de kerk. Loven en danken en belijden horen bijeen. Vergelijk Rom. 15 : 9. Ik zal u belijden onder de heidenen en uw naam psalmzingen (Ps. 18 : 50), daarom zal ik Uw naam loven onder de heidenen. Zie ook Luc. 2 : 38: zij heeft den Here beleden of geloofd en geprezen. Bij het belijden is ingesloten belijdenis van schuld en zonde. Luther: 'omdat nooit beter God geprezen wordt dan door de belijdenis van onze zonden en gebreken'. Belijden betekent het erkennen van God. Vele malen komt de uitdrukking Uw naam belijden voor, 1 Kon. 8 : 33; 35; Jes. 48; Hos. 14 : 3; Hebr. 13 : 15.
* Samenvatting van de inleiding gehouden op de jaarvergadering van de Geref. Bond op 11 mei 1971.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's