De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De bediening van het Woord*

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De bediening van het Woord*

11 minuten leestijd

Wij zijn hier bijeen als dienaren des Woords en ook om die bediening zijn wij samen. Onze contio is niet slechts een ontspanning na drukke feestdagen, een winters uitgaan naar een mooi plekje Nederland in de bossen om weer even op adem te komen. Daarvoor is ons samenzijn een te ingespannen bezigheid. Zij is ook niet een prettige ontmoeting van collega's, van gelijkgezinde collega's, die dan als attractie een paar lezingen geboden wordt, die belangstelling zullen of kunnen hebben. Ons samen zijn bedoelt ook niet het nuttige met het aangename te verenigen, maar het bedoelt bepaaldelijk een werksamenzijn te zijn. Voor de lezingen en voor de besprekingen wordt gezocht naar het beste, wat wij in eigen kring of daarbuiten kunnen bereiken. En het wordt altijd gezocht in de richting van onze heilige dienst en die is toch altijd en overal een dienst van het Woord en een dienst aan het Woord. Als in onze samenkomsten kerkelijke aangelegenheden, kerkelijke zaken, worden aan de orde gesteld, dan is voor ons de kerk toch altijd de ontvangster van het Woord, de draagster van het Woord. Alles, wat de kerk is, alles wat zij zegt, alles wat zij doet, heeft iets met het Woord te maken. De kerk is er door het Woord en zij is er om het Woord. Als wij ons bezig houden met de prediking, dan is dat alleen een prediking van het Woord. Handelen wij over de sacramenten, dan zijn zij er als de steunsels van het Woord en van de verkondiging daarvan. Zelfs de kerkelijke politiek, zelfs de financiën der kerk zijn ten diepste en moeten zijn zaken, die het Woord betreffen. Buiten het Woord om is haar politiek en is het behandelen van haar financiën maar een kwalijke zaak. In het Woord kan het zijn en zal het zijn een nodige en een heilige zaak. De plaats, die de kerk inneemt in de wereld, de functie, die zij in de wereld vervult als zendingskerk, is alleen wèl bepaald door het dragen en het uitdragen van het Woord des Heeren. Alle handelingen van de kerk en heel haar zijn, worden bepaald door het Woord Gods.

Wij zijn ook zelf dienaars van Gods Woord met vele eden aan deze dienst gebonden. Geheel vrijwillig was het, dat wij belijdenis des geloofs deden, waarbij wij ons bonden aan de kerk en aan haar belijdenis en deze belijdenis was een korte samenvatting van de Schriften. Wij deden belijdenis en dat was, of wij ons dat bewust waren of niet, een belijdenis van Christus, namelijk van de Christus der Schriften. In Hem bonden wij onszelf aan het Woord Gods. Dat is een onverbrekelijke eed geweest, waaraan de Heere. Die de God des eeds en des verbonds is, ons houdt. Nooit konden wij beter gelofte doen. Ze is in feite een verbintenis, die aan alle bindingen, zelfs die tot het bekleden van een kerkelijk ambt, ook die tot het bekleden van het wonderbare ambt, te boven gaat. Ze is de fundamentele verbintenis, die een mens met zijn God sluit, nadat God in het verbond en in de doop Zijnerzijds en als eerste een verbintenis met den mens gesloten heeft.

Toch wij tot de keuze kwamen om predikant te worden is er een reeks van eden gevolgd, die wij aflegden. Bij het ondertekenen van de proponentsformule legden wij een gelofte af aan de kerk en aan haar geloof en bij de aanvaarding van elk beroep tekenden wij met onze hand, dat wij dienaren Gods, dienaren der kerk en dienaren van het Woord zouden zijn en in de gemeente bevestigden wij dat met ons vrijwillig uitgesproken: 'Ja, ik van ganser harte'.

En wat meer zegt: wij zijn in ons geweten gebonden aan de roeping, waarmede de Heere ons geroepen heeft. Als het waar is, dat iemand in zijn hart gevoelt, dat hij wettig van Gods gemeente geroepen is en daarom van God zelven geroepen is, dan ligt daar een roeping in tot dit ambt, met al de gevolgen daarvan ten aanzien van Gods Woord. Daar kan niemand, die in de kerk dient, onder uit, dat de Heere van hem eist een goed en getrouw predikant te zijn. Dat staat tenslotte boven alle persoonlijke gevoelens, boven alle persoonlijke inzichten en zelfs boven elke overtuiging. Gods wil moet onze wet zijn. En wij liggen te zamen onder het bindende woord: 'Tot de Wet en tot de getuigenis, want het zal zijn, zo zij niet spreken naar dit Woord, dat zij geen dageraad zullen hebben'. Met de binding aan Gods Woord, met de gehoorzaamheid aan Gods Woord staat of valt heel onze bediening.

Wij zijn dienaren van Gods Woord. Een dienaar heerst niet, maar die dient. Al te veel hebben wij ons mee laten slepen door de lust naar wetenschappelijkheid. Dan eerst tellen wij mee in de kerk, dan eerst tellen wij mee ook in onze kringen, als wij wetenschappelijk zijn, of althans ons achten dat te zijn. Niemand zal er bezwaar tegen hebben als iemand een goed en gezond verstand heeft, ook zal niemand er bezwaar tegen hebben als iemand dat goed gebruikt. Maar de meest verstandelijke aanleg en de best benutte verstandsgaven ontslaan ons niet van de plicht om 'dienaars' van het Woord te zijn. Wij hebben tenslotte een redelijke godsdienst, dus mogen wij daarbij al de gaven, die wij verstandelijk hebben, hetzij veel of weinig, waarlijk wel inspannen en dan wordt dat een inspannen tot de dienst. Hoe meer wij er van weten gaan, hoe dienstbaarder wij zullen worden en hoe dienstbaarder wij ons stellen onder het Woord, hoe meer wij ervan weten zullen. Hier is dan het onderwerpen van ons verstand aan de gehoorzaamheid van Christus. Wij menen oprecht, dat de kerk geholpen zou zijn, gered zou zijn, als de predikanten begonnen met zich te onderwerpen aan het Woord. Dat zou de predikantenstand recht nederig maken en met alle respect voor deze onze stand is toch nederigheid bepaald niet onze grootste gave. Als het Woord over ons heersen gaat, dan gaat de God van het Woord over ons heersen. Dan komen wij op onze plaats en worden recht christenmensen. Maar dan gaat in de heerschappij van de God der heerlijkheid het Woord van de heerlijkheid eerst recht voor ons open. Dan valt het Woord, om met prof. Berkelbach te spreken, open tot op God. Wij ontdekken God, Christus, de Heilige Geest in den bijbel, en deze laat ons schat na schat los. Dienaren des Woords zijn wij eerst recht, als wij dienaren Gods zijn, als wij dienaren van Christus zijn. Dan heeft God het te zeggen in Zijn Woord en Hij leidt ons in het Woord bij de eerbiedigheid voor het Woord en bij de volgzaamheid in het Woord. De Geest van Christus leidt dan in alle waarheid en wij gaan de gangen van de Geest in het Woord volgen in het getal van de bijbelboeken, die voor ons alle gaan meetellen, zodat er geen uitgeschoten, geen vergeten boek meer voor ons is. Als de Geest ons als predikers gaat leiden bij onze studie in het totaal van de bijbel, dan zal die ons ook leiden in het totaal van het geloof, in de leerstukken der zaligheid. En wij gaan de bijbel doorlezen, doorpreken en de leer des Heeren doorpreken. Men krijgt zoveel te doen met die openbaring Gods, dat alle kritiek op de Schrift bij ons wegslinkt, als die er al was. Ik acht die prediker niet ongelukkig, die daar van jongsaf voor bewaard bleef. Het geeft al maar dubbel werk, als iemand eerst leerde ontkennen. Dan moet hij eerst zijn ontkenning leren ontkenen, om daarna nog de ontkende waarheid te leren bekennen. Zo is hij altijd een slag achter bij een ander. Al die geijkte teksten, waarin men van gemeente tot gemeente rond preekt, elk naar de bloemlezing van elke richting, mogen, omdat het teksten uit de bijbel zijn uiteraard gepreekt worden, maar het is zo goed om eens buiten het veel gebruikte terrein te kijken. Het cursorisch preken, zoals Calvijn dit deed, is dacht ik nogal aan te bevelen. En dan ook de dogmatische exegese, waarin speciaal gelet wordt op de leerstellingen der kerk en waarin de leer des Heeren en het geloof, het algemene geloof der kerk, in het oog gevat wordt, kan ons bij het Schriftprediken onschatbare diensten bewijzen. Wij komen daarmee op de algemene lijnen der Schrift. En het dogma der kerk is wel zo'n wijd veld, dat men er vanzelf bij het zich daarin verdiepen ­wel bewaard wordt om in elke tekst de hele dogmatiek te willen steken.

Door recht dienaar van het Woord te zijn, wordt men ook beter dienaar der gemeente, dat is dienaar van het geloof der gemeente. Veelszins wordt de klacht in de gemeenten gehoord, dat er te weinig bevindelijk gepreekt wordt. Ik geloof, dat dat waar is, bij mijzelf en bij anderen. Men kan echter ook te bevindelijk preken. Dan wordt de preek toepassing, toepassing, toepassing, zonder dat er iets toe te passen was. Een schromelijk gebrek aan voorwerpelijke Schriftuitleg (en is niet Hij het voorwerp van ons geloof? ) ligt vaak aan dat overbevindelijk preken ten grondslag. Ook zal men niet alle geklaag in de gemeenten zonder meer accepteren.

Wij moeten ook weer niet op alle vogelgeschrei acht geven! Preekt men nu echter het geloof der Schriften, het geloof der kerk in zijn breedte en diepte, dan zal de gemeente, de gelovige gemeente in dat geloof gebouwd worden. En daar gaat het in de prediking toch voor een niet gering deel om. Het is kostelijk als onder de preek mensen toegebracht worden tot Christus, maar dan begint eerst recht het werk. De aanvankelijk tot de gemeente Gods geleiden moeten verder geleid worden in het geloof. Daar moet wasdom zijn in de genade. Vandaar deze dienst des Woords. Wij blijven niet dienaars van het Evangelie tot aan de enge poort, maar worden het eerst recht achter de enge poort, daar waar de smalle weg begint, daar waar die doorgaat tot waar die eindigt. Christus is die weg. En in Christus zijn schatten van geloof en van rijkdommen des geloofs.

U gevoelt, als wij zo in de leer des Heeren bezig zijn, als wij geloofsmatig prediken, dan worden wij ook beveiligd tegen het dwaze allegoriseren, het vergeestelijken van de bijbel. Dan krijgt de levensleer in de gewone natuurlijke dingen haar eerlijke plaats. Dan gaat de prediking vanuit het geloof ook het gewone leven bestrijken. Boeken als de Spreuken, als de Prediker, als de Jacobusbrief, als de practische wenken in al de brieven van Paulus, worden dan ook nuchter aan de orde gesteld.

Wij zijn hier samen als dienaren des Woords en ook om elkander op allerlei wijze toe te rusten tot onze dienst en op te scherpen in onze bediening. Vandaar onze lezingen. Vandaar onze besprekingen. Vandaar ons benaderen van de kerkelijke vraagstukken. Die stoelen in feite allen op de 'dienst' des Woords. Van ons wordt gevraagd gelovige mensen te zijn. Van ons in de eerste plaats, omdat wij zoveel eisen aan anderen stellen, omdat wij zoveel critiek op anderen hebben. Laat ons ons oefenen in deze dingen: in geloof, in Godzaligheid (dat is in het toenemen tot de volheid van de kennis van Christus), in vroomheid des levens, in nederigheid.

Ik moge u ten slotte nog waarschuwen tegen deze gevaren op deze weg van de dienaren van het Woord: ten eerste tegen het gevaar van de gewenning. Ik merk dit bij het ouder worden. Het gaat alles zo gewoon worden, als het wonder eruit weg gaat! Het tweede gevaar is verstarring. Men kan onder de kostelijkste geloofswaarheden zo hard worden. Dit geschiedt vooral, als men bij het ouder worden niet blijft onderzoeken, niet blijft studeren. Vooral als men het a.b.c. van het geloof uit het oog verliest, nl. dat men een nietig zondaar is: zelf de minste van Gods weldaden niet waard.

En het laatste gevaar, waartegen te waarschuwen is, is het gevaar van de overmoed. Men kan met veel zegeningen, ook met geestelijke zegeningen zo overmoedig worden. Dat past een 'dienaar' des Woord wel het minst. Daarmee bereikt hij de kleinen, de beginnelingen niet meer. Een uitnemend middel daartegen is de doorn in het vlees, opdat men zich op de uitnemendheid van openbaringen, ook op de uitnemendheid in zijn ambt niet zou verheffen.

Zodat ik maar zeggen wil: 'Wij zijn als dienaren des Woords bijeen'. En een dienaar is niet meerder dan zijn heer. En onze Heere, Die met ootmoedigheid bekleed was, Die nederig was van hart, heeft ons geleerd elkanders voeten te wassen. Ook in het preken.


* Openingswoord op de concio van G.B.-predikanten gehouden op 5 en 6 januari te Zeist.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De bediening van het Woord*

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's