Boekbespreking
Dr. D. A. Du Toit, 'Neergedaal ter helle', Uit die geskiedenis van 'n interpretasieproblem, 244 blz., ƒ 16, 75, Kok, Kampen 1971.
In deze Z. Afrikaanse dissertatie, verdedigd aan de VU behandelt de auteur de moeilijke vraag naar de juiste interpretatie van het geloofsartikel: Nedergedaald ter helle. Ieder die b.v. de uitleg van de Heidelbergse Catechismus vergelijkt met de oud-kerkelijke gegevens ontdekt frappante verschillen in interpretatie.
Na in hoofdstuk 1 de problematief omschreven te hebben, behandelt dr. du Toit in hoofdstuk 2 de Reformatie. Het frappeerde me, hoe de schrijver liet zien dat de hoofdlijn bij Luther overeenstemt met die van Calvijn en de Catechismus. Daarnaast is er bij Luther een nevenlijn die de voorstellingen uit de Middeleeuwen aanhoudt.
Uitvoerig gaat de auteur ook in op die theologen die met behulp van de descensusgedachte gekomen zijn tot een algemene verzoening.
Hoofdstuk 3 gaat in op de godsdiensthistorische en oud-testamentische gegevens. In het OT wordt de gedachte van een nederdaling in het dodenrijk niet geleerd. Er is, zo meent de schrijver, sterke overeenkomst met de algemeen-oosterse gedachtenwereld in het denken over dood en dodenrijk, zij het dan ook dat dit in het OT staat in het kader van de openbaring van Jahwe aan zijn volk. Dat Israel met de antieke wereld de vrees voor de dood gemeen heeft, zal wel waar zijn. Maar ziet het OT de dood niet wezenlijk anders door de verbinding met de zonde (Genesis 3 : 17; Psalm 90)?
Hoofdstuk 4 en 5 gaan in op de gegevens uit de beide eerste eeuwen en de derde en vierde eeuw. Mijn grote bezwaar is dat de Schrift te weinig functioneert in deze dissertatie. Dat gold al voor het OT, het geldt nog sterker voor het NT, dat haast in de traditie van de eerste eeuwen getrokken wordt. De schrijver zegt treffende en juiste dingen over de overwinning van Christus op de dood. Maar het moeilijke probleem van de exegese van 1 Petrus 3 : 19 b.v. wordt stelselmatig omzeild.
De lezer is wat dat betreft aan het slot nog even wijs als aan het begin.
Wat de behandeling van de gegevens uit de vroege kerk betreft, mij trof dat er in de eerste twee eeuwen geen speculatie is over een prediking aan alle gestorvenen, dus ook aan de heidenen en ongelovigen, met als gevolg een mogelijkheid tgt behouden worden na het sterven. In de eerste twee eeuwen heeft het motief van de prediking in het dodenrijk gefunctioneerd als aankondiging van Christus' overwinning aan de gestorven gelovigen. Pas in de derde en vierde eeuw krijgen we met behulp van allerlei mythologische gegevens en volksvroomheid een uitbouw in de richting van een strijd in het dodenrijk, en bij sommige auteurs ook een ontwikkeling in de richting van een heilsuniversalisme.
Wie een overzicht wil hebben van de historische ontwikkeling inzake de gedachte van de nederdaling ter helle vindt hier het materiaal bij elkaar.
Maar de oplossing die de schrijver geeft bevredigt nauwelijks. De schrijver hecht veel waarde aan het belijdend, lofzeggend spreken, het zgn. doxologische motief en zet zich af tegen de ontwikkeling in de richting van een leerstuk. Natuurlijk kan er in deze ontwikkeling het gevaar van verschraling en scholastiek schuilen. Maar men kan loflied en leer niet zo tegenover elkaar stellen. En het gaat ook niet aan de oud-kerkelijke auteurs met behulp van het doxologisch motief ia bescherming te nemen.
Onduidelijk blijft ook het antwoord op de vraag: 'Waarom werd de uitdrukking opgenomen in de vierde formule van Sirmium (359)? ' Verder dan een waarschijnlijkheidsredenering komt de auteur niet. Ook is me ontgaan hoe de schrijver in de slotbladzijden er toe komt de nederdaling toch weer te betrekken op Gethsemané en de verlating aan het kruis. Wij gaan in de lijn van de Heidelberger graag met dr. du Toit mee in dit opzicht. Maar wij zien de relatie met het voorafgaande betoog niet.
Aangezien de schrijver veel materiaal op tafel legt, moet het des temeer betreurd worden dat tekstregisters ontbreken.
Daarbij komt nog, dat de indeling bijzonder onoverzichtelijk is. Daarom is het werk moeilijk als naslagwerk te gebruiken. Dat is jammer. Want de bezwaren tegen dit boek nemen niet weg dat met name predikanten bij de voorbereiding van de catechismuspreek oyer zondag 16 deze studie met vrucht zullen kunnen gebruiken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's