De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De verhouding van de tweede tot de eerste tafel VI

Bekijk het origineel

De verhouding van de tweede tot de eerste tafel VI

Slot

10 minuten leestijd

De bedoeling van deze artikelen is niet geweest een uitgewerkte behandeling van de 6 geboden van de tweede tafel van Gods Wet te geven. Maar om de gevaren te signaleren, die telkens dreigen te ontstaan, wanneer men het gebod van de naastenliefde losmaakt van zijn levensverband met het eerste en grote gebod en van Hem, Die beide geboden gaf. Wanneer men telkens publicaties tegenkomt, waarin het de schijn heeft, dat al wat het Evangelie ons te boodschappen heeft, kan worden samgevat met: gij zult uw naaste liefhebben als uzelf, dan zal dat in de regel gebeuren in verband met bepaalde schrijnende sociale verhoudingen, met hun tegenstellingen tussen 'hebbers' en 'niet-hebbers'. Het is daarbij heel gewoon de trits van de franse revolutie 'vrijheid, gelijkheid en broederschap' als wettig ideaal te proclameren. Velen zien in deze revolutie veeleer een (zij het dan ook meestal onbewust) gedreven worden naar door God bedoelde verhoudingen, dan dat men haar op de manier van Groen van Prinsterer zou taxeren als tweelingzuster van het ongeloof, of liever als kind daarvan.

Nu is het ongetwijfeld waar, dat de Schrift zich ook bemoeit met menselijke verhoudingen in de samenleving. De Bijbel staat niet onverschillig tegenover de structuur van het leven in deze wereld. Al is zijn boodschap boven-tijdelijk, zij heeft betekenis ook voor dit tijdelijk leven.

Maar het is nergens de bedoeling van de Schrift ons op te wekken, de maatschappelijke verhoudingen zó te hervormen, dat er eenvoudig geen mogelijkheid zou zijn voor de één om wat jaloers de ogen te slaan op wat God aan de ander heeft toebedeeld.

Simpel (al te simpel) uitgedrukt zou je kunnen zeggen: sommigen hanteren de tweede tafel alsof deze betekende, dat we aan ieder een gelijke portie van de koek zouden moeten geven; en dat dan niemand meer afgunstig zou kunnen zijn op z'n buurman. Zoals in een huisgezin moeder een eind maakt aan de kibbelarijen van de kinderen en zegt: kijk maar, jullie hebben allemaal evenveel.

Daarmede is de geweldige differentiatie van het leven reeds in lijnrechte strijd. Ik heb er al eerder op gewezen, dat de gaven, die God schenkt in allerlei opzicht ongelijk zijn, kwantitatief en kwalitatief. Twee kinderen groeien op in één gezin, de één buitengewoon, de ander zwak begaafd. De éne mens sterft na een rijk ontplooid leven, de ander gaat heen en heeft nauwelijks het levenslicht gezien. De één is één brok gezondheid, de ander altijd ziek, of gehandicapt. Een volkomen gelijkgeschakelde en gelijkgeschaafde wereld bestaat eenvoudig niet, ook niet na allerlei sociale herstructurering.

In die wereld plaatst God Zijn mensenkinderen. En Hij zegt niet alleen, hoe zij daarin zullen handelen; maar ook hoe ' hun hart dat allemaal, naar Zijn wil, zal beleven.

En dan is Gods gebod niet (en dat is één zijde van de zaak) een leven, waarin alle begeren is uitgeblust. Het gebod is niet simpelweg: Gij zult niet begeren. Het is niet de alleen maar negatieve onthechting van het Boeddhisme, dat wel weet, dat wie van dit water drinkt, wederom zal dorsten (Joh. 4 : 13), maar daartegenover geen water te bieden heeft, dat in ons een fontein wordt, springende tot in het eeuwige leven (vs. 14).

De Schrift gaat ons niet voor op een weg van alleen maar systematische versterving, willoosheid (iets geheel anders dan eenswillendheid), onthouding, onttrekking uit het leven, waardoor het begeerteleven zou worden gedoofd.

Hoe zou God van zulk een verdord en verdoofd leven gediend kunnen zijn! Men kan het Boeddhisme ook nauwelijks een religie noemen.

Maar de Bijbel ziet dat allemaal heel anders. De mens is door God geschapen als een 'levende ziel' met de begeerte als de innerlijke motor, de pees op Gods boog, die hem naar Gods doel moet drijven.

Maar dat doel is dan ook Gods doel, met het leven met God, het dienen van God in geest en waarheid, en de verheerlijking van Zijn Naam. Tegelijk is die mens naar Gods ordinantie op een intense manier verbonden met heel Gods schepping. Hij mag haar spijze en drank genieten. Zij stelt hem in staat de goede gaven van vriendschap, van huwelijks-en gezinsgemeenschap te ontvangen. De begeerte van die mens mag uitgaan naar een plaats, die in overeenstemming is met de hem geschonken talenten, opdat het veelzijdig geïnstrumenteerde leven van de mens zich zal kunnen ontplooien. Daartegen richt zich het tiende gebod niet. Dat gaat alleen in tegen de ontsporing, die niet pas begint bij bepaalde daden van de mens. Integendeel, die verkeerde daden ontvangen hun richting en drijfkracht door de ontspoorde, verkeerd gerichte begeerte. De begeerte werd begeerlijkheid.

Niet dat de mens wil is verkeerd. Maar dat de zonde die wil in conflict brengt met Gods wil. Dat de pijl van die wil niet langer gericht is op het door God gestelde doel, maar geheel ontregeld, terecht komt in de wirwar van menselijke begeerten.

Sedert de zondeval zijn de levensbronnen van de mens vergiftigd. Uit het hart des mensen komen (en blijven komen ook bij verbeterde structuren) boze bedenkingen en kwade begeerlijkheden. De Bijbel zegt, dat God de 'nieren' proeft. In de eierhandel worden alle eieren stuk voor stuk 'geschouwd'. Het doordringende licht brengt het bedorvene aan het licht. Het troebele komt te voorschijn. Zó dringt Gods licht dieper door dan welke zielkundige analyse.

Nu wordt juist in het tiende gebod 'de naaste' met name genoemd. God heeft aan die naaste soms goederen gegeven, waar de mijne niet aan tippen kunnen. B.v. een pracht van een huis, een welstand, die hem vergunt er een huis-en bedrijfspersoneel op na te houden, waarmee mijn 'status' niet te vergelijken valt. Misschien ook een vrouw met opvallende lichamelijke of geestelijke talenten. Nu is in de voorgaande geboden al gezegd, dat ik daar niet aan mag komen. En eigenlijk zat het tiende gebod daar al achter. Maar nu wordt het nog eens apart en apert onderstreept, dat niet alleen de gekoesterde begeerte naar wat God aan mijn naaste schonk zonde is, maar ook de wortel er van. De wereld wordt verteerd van bitterheid, jaloersheid en ontevredenheid. Het moderne leven is één grote etalage van be­ gerenswaardige dingen. Meer dan vroeger etaleert ook de vrouw haar schoonheid. De status van mijn medemens steekt mij de ogen uit. De ader van de bitterheid heeft vaak ook allerlei sociale beweging, ondanks gerechtvaardigd verzet tegen grof onrecht, ontluisterd.

Het valt mij op, dat zo velen, die wel drie strepen zetten onder de tweede tafel tegen nauwelijks één onder de eerste, nooit ernst maken met hetgeen het tiende gebod ten aanzien van de naaste eist.

Nog altijd is er de illusie, dat men het hele tiende gebod onnodig zou kunnen maken de overtreding er van uit de wereld zou helpen door een reusachtige nivellering van vermogens en inkomens. Want men vindt het eigenlijk vanzelfsprekend, dat, wanneer die nivellering er niet is, de jaloersheid en de begeerte naar het huis van de naaste enz. leeft, al kun je om redenen van orde of chaos niet altijd de pijl van de begeerlijkheid loslaten. M.a.w. wat in het tiende gebod verboden wordt, is eigenlijk helemaal geen zonde, waaraan we door dit gebod ontdekt worden, maar zeer natuurlijk. Inderdaad maar dan al te natuurlijk.

Hier gaat het al weer niet de interpretatie van het gebod van de naastenliefde radicaal scheef. Want heel deze gedachtengang gaat uit van de 'rechten van de mens'. Daar staat God eigenlijk buiten. Vandaar de verwantschap met allerlei vormen van Marxisme. Maar de Bijbel kent de vergelijking met een heer, die aan de één meer talenten uitdeelt dan aan de ander. Hij kent een God, Die geeft en neemt (Job). Die de rijke jongeling leert, wat het is rentmeester te zijn. Die Paulus leert vergenoegd te zijn met hetgeen hij heeft, al bestaat dat slechts in voeding en kleding (Pil. 4 : 11—13, 1 Tim. 6 : 8). Waar de begeerlijkheid regeert, ontbreekt de heilige verwondering over wat God ons geschonken heeft, terwijl wij alles verbeurd hebben.

Mag een mens dan niet vooruit komen? Zeker. Maar niet vooruitlopen. De locomotief moet in de rails blijven. Anders stort zij van de spoordijk en boort zich vast in de modder. Wat God vraagt is niet de willoosheid, maar de eenswillendheid. Dat ons leven zich beweegt in Zijn spoor, zodat wij liefhebben wat Hij liefheeft en haten wat Hij haat. Dat is geen negatie van het leven, maar de hoogste expansie en explosie. Dat flonkert door de nacht der eeuwen in het levenslied van psalmisten, profeten en apostelen (mensen die bijna nooit tot de 'hebbers' hebben behoord). Daar wordt een mens vurig van geest. Daar tintelt het leven, waarvan de psalmdichter mag zeggen: 'mijn begeerte is voor U niet verborgen'. Dat is een begeerte van een ander niveau, dan die van de jaloersheid op dat hogere inkomen van mijn buurman.

Daar wordt het leven teruggebracht in de richting van die harmonie, vrede en rust, die de mens eenmaal kenmerkte, toen hij zich verlustigde in al wat God geschapen had en hij zijn vrouw zag in al haar schoonheid, haar ontving uit Gods hand en geen moment was er in zijn denken een gedachte, die niet heilig was.

De volkomen vervulling ook van het tweede gebod is alleen weer te vinden in Hem, Wiens spijze was te doen de wil Zijns Vaders, Die in de hemelen is. De begeerte om die wil te doen dreef Hem van Bethlehem naar Golgotha. Zij was in volkomen overeenstemming met Gods begeerte naar de verlossing van zondaren. Het was die zondaarsliefde, die Hem zeer deed begeren het Pascha met Zijn discipelen te eten, alvorens Zichzelf als het ware Pascha voor hen te laten slachten.

In het tiende gebod zitten diepten van ontdekkende werking. De begeerlijkheid blijkt de baarmoeder van de zonde en daarmee van alle wanverhoudingen (Jac. 1 : 13). En het is een groot gezin, dat zij voortbrengt. Davids begeerte brengt hem tot echtbreuk en moord. De rijke Achab wordt verteerd door de jaloerse begeerte naar Nabots wijngaard. Daar komen straks valse getuigen en een onrechtmatig doodvonnis aan te pas. Want deze begeerte doet niet alleen de arme het goed van de rijke begeren. Maar ook de rijke wordt niet verzadigd van rijkdom, maar strekt hart en hand uit naar het weinige dat God de armere heeft gegeven. Het is een illusie te denken, dat wij de begeerlijkheid zouden doden door haar te bevredigen. De rijke zowel als de arme heeft een nieuw hart nodig. Want een nieuwe we­reld komt er alleen door nieuwe mensen. En nieuwe mensen alleen door een nieuw hart. Hier opent alleen het Evangelie zijn wijde perspectieven. Daar worden nieuwe bronnen aangeboord, die niet in ons, maar in Gods hart liggen. De krachten daarvan in het leven der gemeente zijn niet ostentatief. Goede nieuwe en oude slechte begeerten worstelen in één hart (Rom. 7). Maar te Zijner tijd zet God de tropische plant, die hier het klimaat helemaal tegen heeft, over in het paradijs van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid wonen zal. De vervulling van het gebod is een zaak van de vervulling van Gods beloften.

Zo blijven tweede en eerste tafel, maar ook Wet en Evangelie één geheel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 januari 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De verhouding van de tweede tot de eerste tafel VI

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 januari 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's