De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

11 minuten leestijd

De prediking van de verzoening

In het orgaan van de kring van vrienden van Kohlbrugge, het 'Kerkblaadje van 7 januari troffen we een artikel aan van dr. W. Aalders, getiteld 'Zonde en vergeving'. De schrijver wijst op uitlatingen van dr. Dorothee Sölle, die een jaar geleden in de Amsterdamse Westerkerk onder meer zei: 'Ik kan me niet voorstellen, hoe God achter de rug van mensen om zou vergeven'. Omkeer is voor dr. Sölle een duidelijker woord dan vergeving.

Soortgelijke gedachten komen we ook tegen in het proefschrift van de gereformeerde studentenpredikant, dr. H. Wiersinga. Ook hij wijst een geïsoleerd spreken over de verzoening op Golgotha af. Geen verzoening is er z.i. als we de verzoening niet onderling in practijk brengen. Het gaat er om dat we andere mensen worden. 'Het bloed van de Gekruisigde' dat over de aarde stroomt, heeft een stem; het roept tot inkeer en omkeer', zo lezen wij in het boek van dr. Wiersinga.

Dr. Aalders wijst erop dat men zich in dergelijke uitlatingen keert tegen een prediking van de verzoening die zo zakelijk en objectief is, dat er geen aanraking is met het persoonlijk leven. Met andere woorden: In een dergelijke verzakelijkte prediking ontbreekt het werk van de Heilige Geest, Die overtuigt van zonde en gerechtigheid en oordeel en ons in deze weg deel geeft aan Christus. De weg van de Heilige Geest is de weg van zonde en vergeving. Wie niet weet wat zonde is, kan ook niet weten wat vergeving is.

Maar wat is zonde, wat is schuld? Dr. Sölle betrekt de zonde zeer sterk op het politieke gebeuren. Zonde is een gemeenschapsbegrip. Zonde is volgens haar de toestand van de wereld die ons aanklaagt.

Dr. Aalders stelt daar tegenover, dat — al hebben zonde en schuld een individueel en een sociaal aspect, — het wezenlijke daarmee nog niet gezegd is. Zonde is zonde tegenover God. Denk aan Ps. 51 of Ps. 130. De Geest brengt ons als zondaar tot de vergevende God. Nu is er ongetwijfeld in onze tijd sprake van een zeker schuldbesef. Dr. Aalders schrijft in dit verband:

Nu is het niet te ontkennen, dat wij leven in een tijd, waarin er zeker enig zonde en schuldbesef is. Het uit zich in het telkens en overal spreken over het onrecht in de wereld en over 'het onschuldig bloed van Abel'. De huidige generatie hoort in de wereld, in de geschiedenis die stem van dat bloed ons aanklagen: in Vietnam, in Angola, in Bengalen, in Zuid-Afrika, in Zuid-Amerika. Men spreekt over de schuld van Europa, van het blanke ras, van de bezittende klasse, van de christenheid. En men wijst dan op de rassendiscriminatie, het kolonialisme, het westerse imperialisme, de economische uitbuiting. Vanuit dat eigentijdse zonde- en schuldbesef wil men een radicale omkeer, nieuwe structuren, een andere wereld. Vooral bij de jonge mensen leeft dat alles sterk.

Zijn wij nu gerechtigd, om daarover zonder meer een afwijzend en negatief oordeel uit te spreken? Moeten wij dat alles als onchristelijk zondebewustzijn terzijde schuiven? Zou dat zijn overeenkomstig het werk en de bedoeling van de Heilige Geest?

Zeker, wij hebben in het voorafgaande nadrukkelijk vastgesteld, dat zonde-besef, dat door de Heilige Geest gewerkt is, iets wezenlijk anders is dan dit bewustzijn van cultuurschuld. Maar wij mogen niet vergeten, dat in het boek Jesaja van de Knecht des Heren, op wie de Geest rust, geschreven staat, dat Hij 'het gekrookte riet niet zal verbreken, en de rokende vlaswiek niet zal uitblussen' (Jes. 42 : 3). Is misschien de huidige jeugd met haar eigentijdse schuldbesef dat 'gekrookte riet' en die 'rokende vlaswiek'? Staat die jeugd mogelijk dichter bij het Evangelie dan de verblinden, de zorgelozen, de levensgenieters, de verharden, die in oppervlakkigheid Gods water maar over Gods akker laten stromen? Er is toch immers waarachtig wel reden om te luisnaar de stem van Abels bloed, dat roept om vergelding! En uit de wereld stijgt toch de menselijke schuld als een roep om gerechtigheid omhoog! Is dat alles dan soms géén zonde, géén schuld? ! En is het niet ook onze zonde, onze schuld? ! De hemel beware ons ervoor, te zeggen: 'Ben ik mijns broeders hoeder? '

Het is niet het werk van de Heilige Geest, om het gekrookte riet en de rokende vlaswiek te verachten. De Heilige Geest doet iets heel anders met het aanwezige zonde- en schuldbesef. Hij maakt het tot zonde voor God.

Want hoe verlicht het menselijk inzicht en oordeel ook mogen zijn, zij blijven altijd 'binnenwerelds'. Zij komen niet verder dan mens en mensheid te zien in het licht van een werelds ideaal. Aan de norm van dat ideaal meten zij de zwaarte van zonde en schuld. Met andere woorden: zij beoordelen zonde en schuld als een 'zedelijk' tekort, een 'zedelijk' falen. En daarom moeten dan ook zonde en schuld 'zedelijk' overwonnen worden. Dat wil zeggen: door onze gerechtigheid, onze werken, ons berouw, onze omkeer, onze verzoening. Zonde en schuld blijven 'binnenwereldse' gegevenheden, die 'binnenwerelds' opgelost moeten worden. .

De Heilige Geest, die geen binnenwereldse geest is, maar van Boven komt, maakt zonde en schuld echter tot werkelijkheid voor God. Hij voegt aan het aanwezige, binnenwereldse, zedelijke zondebesef een diepte toe, die haar tot iets wezenlijk anders maakt. 'Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, o God, en gedaan wat kwaad is in Uw ogen' (Ps. 51). Dan is zonde pas waarachtig zonde geworden.

Dat doet de Heilige Geest door ons los te maken van het wereldse ideaalbeeld, waarnaar wij de mensen en de dingen plegen te beoordelen, en door ons te stellen voor Gods heilige Wet. Want die Wet is iets van andere orde dan onze menselijke idealen. De Wet is het levende, persoonlijke Woord van God, dat ons doen en laten, ons hart en onze nieren, ons ganse bestaan stelt in het verschroeiende licht van Gods heiligheid. De Wet is het gericht van God over onze zonden, over ons leven, over ons ik. Door die Wet is de kennis der zonde!

En dan is zonde geen individuele, of sociale, of politieke zaak meer, geen binnenwereldse aangelegenheid, maar een goddelijke en eeuwige aanklacht. 'Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, en onze verborgen zonden in het licht Uws aanschijns' (Ps. 90).

Luther en Kohlbrugge, Gunning en zovele anderen hebben elk op hun wijze van dit werk van de Geest getuigd in hun prediking en in hun bijbeluitleg. Wij menen dat de schrijver van dit artikel een belangrijk aspect aanroert. Juist ook in de discussie rondom het Getuigenis is het belangrijk dat er klaarheid komt inzake de aard van het bijbels spreken over zonde en schuld. Juist tegen deze donkere achtergrond licht de rijkdom van het spreken van de verzoening op. En wie deze prediking laat staan in de Schriftuurlijke verbanden wordt bewaard voor verzakelijking. Over de relatie van het werk van de Heilige Geest tot de verzoening schrijft dr. Aalders in het slot van zijn artikel:

Maar vergeten wij niet: het is de Heilige Geest, die ons op die weg voert. En daarom zijn wij toch op een goede, veilige, heilbrengende weg. Het is immers de weg naar de vergeving! Want slechts door die schrik en duisternis heen is de vergeving der zonde geen willekeurige, ingebeelde zaak, maar heilige, goddelijke werkelijkheid.

Wij lezen in de Schrift, dat, toen Jesaja gesteld werd voor de onuitsprekelijke heerlijkheid Gods, uitriep: Wee mij, ik verga!' (Jes. 6:5). In het Hebreeuws staat er: Nidmejti. De letterlijke betekenis van dat woord is: ophouden te bestaan, ongedaan gemaakt worden, geen schepsel meer zijn. Dat moet dus voor Jesaja een ervaring geweest zijn, die met niets te vergelijken is in donkerte en verschrikking.

Maar daarop volgt dan het wonder der begenadiging, het Evangelie. De engel des Heren raakt Jesaja aan met een vurige kool van het hemelse altaar en zegt dan: Nu is uw misdaad geweken en uw zonde is verzoend' (Jes. 6:7). Jesaja is tot een nieuw schepsel geworden. En nieuw is hier: gered uit het gericht, opgestaan uit de dood. Die nieuwheid, als daad Gods, is nu de werkelijkheid van de vergeving. Zij is zowel het werk van Christus als het werk van de Heilige Geest. De Geest neemt het uit Christus en maakt het ons deelachtig. De Geest neemt de vurige kool van het altaar en raakt er ons mee aan.

Vergeving is dus een vernieuwing door de ervaring van het nidmejti heen. Zij is redding uit het gericht, opstanding uit de dood. Zij is met Christus meegekruisigd zijn, om te delen in Zijn heerlijk heid. Kortom: zij is het wonder van de genade! Hoe dat wonder ervaren wordt, daarvan vinden wij een beschrijving in één van de boeken van Dostojewski. 'Ik zie hem nog zitten, stil, bescheiden, en al was hij zeer ziek, toch met een glimlach en een blij gezicht. Innerlijk was hij helemaal veranderd door een wonderlijke ommekeer. Hij was één en al liefde. De ramen van zijn kamer zagen uit op een tuin met oude bomen. De vogels zongen en het geluid er van drong de kamer binnen. Terwijl hij naar ze keek, sprak hij langzaam: Het leven is een paradijs. De vreugde Gods is overal om mij heen. Ik sta schuldig, maar het is me vergeven. En daarin bestaat het paradijs!'

Christelijk geloof en politiek

In 'Woord en Dienst' van 8 januari gaat prof. Van Niftrik in een artikel Achtergronden van het Getuigenis ondermeer in op de relatie tussen het christelijk geloof en het politiek handelen. Dat christelijk geloof en politiek en maatschappelijk bezig-zijn met elkaar te maken hebben is geen uitvinding van de huidige generatie. Meer dan een eeuw geleden wist Groen van Prinsterer dit al. Maar deze wist ook, aldus Van Niftrik, dat de bron van de goede politiek in de godsvrucht te vinden is. Godsvrucht betekent besef van de afstand en eerbied jegens de heilige fen genadige God. Het houdt ook in de verwachting van het geloof, dat op grond van hetgeen volbracht is, uitziet naar de voleinding. De opstellers van het Getuigenis protesteren tegen de vereenzelviging van christelijk geloof en een bepaalde politieke beslissing, in onze tijd dan vooral een linksepolitieke beslissing. Prof. Van Niftrik schrijft dan in dit verband:

Ik meen het recht te hebben zulk een protest te uiten. Steeds heb ik in een reeks van jaren mijn rechtse vrienden voorgehouden, dat geloof wel in zich zelf een politieke beslissing is, maar dat die beslissing niet persé gestalte behoeft te krijgen in een rechts-conservatieve politiek. Zij hebben mij dat niet steeds in dank afgenomen. Thans zeg ik het­ zelfde naar de andere kant. Christelijk geloof is een politieke beslissing, maar de gestalte, de vormgeving van die beslissing behoeft niet per sé links-revolutionair uit te vallen. Bij de vormgeving komen allerlei andere faktoren te pas, zoals milieu, karakter, opvoeding enz. Daarom mogen wij onze zeer relatieve politieke beslissing nooit verabsoluteren en als een wet aan anderen voorschrijven. Ons 'Getuigenis' wil ook gelezen worden als een protest tegen wetticisme in de prediking. Daarom heb ik ter synode gezegd mij niet te buigen onder het juk der wet, dat mij door een aantal theologen van naam onder aanvoering van mijn vriend Strijd in een Open brief werd voorgehouden door middel van een brief van Karl Barth aan 'Geen ander Evangelie'. De wet kwam hierop neer: al uw orthodoxie is geen halve stuiver waard, als gij niet inzake Vietnam, Angola, Zuid-Amerika, Zuid-Afrika op de in de gemeente genoegzaam bekende wijze denkt. Er zijn gemeenten, waar men het schier elke zondag van de kansel hoort, hoe men in al deze problemen christelijk te oordelen en te handelen heeft. Er zijn in dat opzicht machtige jagers voor het aangezicht des Heren. Zelfs al zou ik in al deze problemen denken als collega Strijd (wat niet het geval is!), dan nog zou ik protesteren tegen deze wijze om een relatieve politieke beslissing te dekken met het absolute gezag van de Bijbel. Dat mochten vroeger de geestverwanten van Groen van Prinsterer niet doen (ik heb het ze vaak genoeg voorgehouden) en dat mogen nu de linkse jongens niet doen.

Hoezeer we ook instemmen met dit evenwichtige geluid, dat terecht waarschuwt tegen verpolitisering en verwettelijking van de evangelieprediking, de vraag wat dan in concreto het politieke spreken van de kerk betekent blijft moeilijk. Ze vindt ook in dit artikel geen antwoord. Wie terecht de verabsolutering van een relatieve politieke beslissing afwijst, blijft toch staan voor de problematiek: Van welke aard is de politieke beslissing die voortvloeit uit het christelijk geloof? Als wij de weg van de verabsolutering afwijzen, mogen we toch niet wegvluchten in een vrijblijvend spreken. Op deze punten blijft voortgaande bezinning nodig.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 januari 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 januari 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's