Rekenschap en verantwoording II
Hoe de nieuwtestamentische gemeente beleed
De nieuwtestamentische gemeente is een belijdende gemeente. Dit volk was hieraan te herkennen, dat ze de naam van onze Here Jezus Christus aanriepen. Van Petrus spreekt in naam van allen de zalige belijdenis: Gij zijt de Christus de Zoon des levenden Gods (Matth. 16 : 16). Elders lezen we: wij hebben geloofd en bekend, dat gij zijt de Christus de Zoon des levenden Gods (nieuwe vert., naar andere handschriften, dat Gij zijt de Heilige Gods). De kamerling belijdt: k geloof dat Jezus Christus de Zoon van God is (Hand. 8 : 37). Het Nieuwe Testament is vol van wat de apostelen beleden hebben van Christus en Zijn heilswerk. Hij is overgegeven om onze zonden d.w.z. vanwege onze zonden. Hier is een schuldbelijdenis van de gemeente. Christus stierf niet maar alleen om de zonden van de vaderen. Hier vinden we dus een verweer tegen een onjuiste historisering; het is veelmeer een pijnlijke actualisering van de betekenis van het lijden van Christus. Om onze overtredingen is Hij verwond. Eveneens vinden wij een belijdenisuitspraak met een uitgesproken samenvattend karakter in 1 Cor. 15 : 3—5: gestorven voor onze zonden.
Apostolische traditie — een genadebezit De Kerk als rentmeester
De Oude Kerk wist in wien zij geloofde. Zij beleed, dat Jezus Christus gisteren en heden dezelfde is en in alle eeuwigheid; zij deelde in Zijn zegen (2 Cor. 13 : 13); zij geloofde en beleed tegen alle waarschijnlijkheid en schijn in, dat eens alle tong zal belijden, dat Jezus Christus Kurios is tot heerlijkheid Gods, dat eens alle knie zich voor hem buigen zal en alle tong God zal belijden' (nieuwe vert. loven): God zal erkend worden in Zijn glorie en in Zijn majesteit. Het Nieuwe Testament tekent de eerste gemeente als één, die volhardende was in de leer der apostelen. Daar ligt het accent op de inhoud van de prediking; het Woord Gods wordt doorgegeven. In haar beste tijden was dit het leven der kerk.
Gaan in de weg der waarheid, volharden bij het Woord, dat betekent een zich intensief bezighouden en blijven bij de verkondiging van de leer. Als de apostelen uit de gevangenis waren bevrijd, leerden zij in de tempel, ondanks het hun opgelegde spreekverbod 'Gij hebt met uw leer Jeruzalem vervuld' (Hand. 4 : 21). En zij hielden niet op alle dag in de tempel en bij de huizen te leren en Jezus Christus te verkondigen (Hand. 5:42). Hier vinden wij een model van het waarachtig gemeente zijn en zo wordt de gemeente uitgebreid. Mengimaal probeert men in deze tijd van inzinking in het kerkelijke leven zich te troosten door te verwijzen naar innerlijke wasdom; och, zegt men, de kerk wordt gezuiverd, de meelopers vallen uit, maar het kerkelijke leven zinkt in, omdat het geestelijke leven kwijnt en men vraagt zich af, waar het gebedsleven is voor de toename en wasdom, zoals wij daarvan in het boek der Handelingen lezen (H. 4 : 4; 5 : 14; 11 : 24). Dit betekent niet, dat de belijdende gemeente van de oude tijd het gemakkelijk heeft gehad en dat het met de kerk is gegaan van overwinning tot overwinning. De hele geschiedenis van de kerk is een geschiedenis van bloed en van tranen en meer dan eens leek het, zoals de geloofsbelijdenis zegt, dat zij soms een tijdlang zeer klein was en als tot niets scheen geworden te zijn in de ogen der mensen (N.G.B. art. 27). De kerk is altijd strijdende en lijdende kerk. Hoevele malen is gewaarschuwd tegen dwaalleer en dwaalleraren. Hoe menigmaal lezen wij van afval. Gij hebt verdragen en geduld; Gij hebt om mijn naams wil gearbeid en gij zijt niet moede geworden (Op. 2:3 vv). Wij zijn geneigd om te zeggen, wat een gemeente, die gemeente van Efeze! Een kerk waarvan Billy Graham in een bijeenkomst met predikanten zei, daar zouden u en ik als predikant gaarne gewerkt hebben; wat een uithoudingsvermogen bij dat volk; de kerk was intact gebleven tegen alle aanvechting in en toch er was een benauwende deformatie, de eerste liefde was weg. Men bestreed allerlei ketterijen, maar de gemeente van Efeze verdedigde iets tegen de dwaalleraren, dat zij zelf niet meer levend bezat. Tegen de mensen van geen ander evangelie zei een duits theoloog (A. Pohl) gij toetst anderen en vraagt: geen ander evangelie, toets uzelf; dat is zeker het eerste, maar daarbij behoort: toets de geesten, of ze uit God zijn. In deze tijd moet men begrip opbrengen voor alles wat onder christelijke vlag zich aan ons zoekt op te dringen, men is enorm bang dat men niet meegaat met wat de geest van de tijd met zich brengt; voor ouderwets versleten te worden behoort in alle kringen tot een heel erg ding. Maar de apostelen hebben vermaand tot het bewa ren van wat de kerk als een schat van Gods genade is toevertrouwd. Ik heb het van de Here ontvangen, zegt Paulus en dat geef ik door. Ik geef het aan u over, dat is de echte apostolische traditie; van geslacht tot geslacht wordt Gods waarheid doorgegeven en overgeleverd. Aan de kerk is in de Openbaring een kostbaar pand toevertrouwd; daarvoor is de kerk verantwoordelijk, het is als een deposito van Gods wege, dat de kerk niet in een zweetdoek verbergen mag alsof het dood kapitaal is; Paulus zegt daarvan twee dingen: ik weet in wie ik geloofd heb en ik ben verzekerd, dat Hij machtig is mijn pand bij hem weggelegd te bewaren tot dien dag. Dat betekent Gods waarheid is onaantastbaar, want het is in Gods hoede. Daar staat de Here voor in en de kerk kan er niet vrij over beschikken, maar anderzijds moet het pand door de kerk bewaard worden, het is aan haar toevertrouwd, een deposito van Godswege en dat moet verdedigd worden, want er zal een tijd komen, dat men zich van de waarheid zal afwenden en zich zal keren tot fabels (Gr. mythen, nieuwe vert. verdichtsels, 2 Tim. 4:4). Men kan, zegt Calvijn, zich van dit depositum beroven door eigen schuld. Het is menigmaal onze ondankbaarheid of het misbruik van Gods genadegaven, die oorzaak zijn dat deze ons worden ontnomen. Wat ons overgeleverd is, dat moet worden bezien, overwogen, van alle kanten. Het is de Geest, die het getuigenis van Christus onder ons levend moet houden en die bekwaam maakt het eenmaal overgeleverde geloof ongerept te bewaren. 1 Tim. 6 : 20; 2 Tim. 1 : 12, 14; Jud. 20 : 21; Joh. 15 : 26.
Waarschuwingen tegen dwaalleraren
Menigmaal waarschuwt de apostel Paulus in de pastorale brieven, maar ook elders, voor afwijking van de waarheid. Wat een pastorale bewogenheid in zijn afscheidsrede aan de ouderlingen van gemeente van Efeze, als hij waarschuwt voor de wolven, die de kudde niet zullen sparen. Hand. 20 : 29. Of voor scheuringen en ketterijen, die daarmede samenhangen 1 Cor. 11 : 19, als werken des vleses. Gal. 5 : 20. De dwaalleraren hebben wel aanhang en geen wonder dus, dat wij telkens waarschuwingen tegen hen gericht bij de apostelen vinden; om hunnentwille wordt de weg der waarheid gelasterd, dit is de leer der waarheid, de waarheid van het geloof der kerk (1 Tim. 6 : 5; 2 Tim. 2 : 18; Titus 2 : 14; Fil. 3:3). Ook in de brieven van Petrus lezen wij van ketterijen, die de fundamenten van de kerk aantasten. De valse profeten, pseudo-apostelen en pseudo-leraren verdraaien de schriften, misbruiken de boodschap van het evangelie; zij zijn slaven van het verderf. (2 Petr. 2 : 19) en zedelijke libertinisten. Tegen dit kwaad wordt menigmaal gewaarschuwd als een zware bedreiging van de kerk (Rom. 6 : 1, 15; 1 Cor. 6 : 12; Fil. 3 : 17; Op. 2 : 2, 6). De valse profeten lasteren de weg der waarheid. Het zijn dwaallichten ondanks hun hoogdravende woorden (2 Pt. 2 : 2). Zij verloochenen de enige Heerser, God en onze Here Jezus Christus (Jud. : 4). In losbandigheid veranderen zij de genade Gods en volgen spitsvondig verzonnen mythen of sagen na. Ze beroepen er zich op, dat zij leraren der kerk zijn, maar het is alles vals. Zij voeren zichzelf en wie hen horen naar het eeuwige verderf en dat gericht is vlakbij.
Een niet-belijdende kerk is een tegenspraak in zichzelf
Tegen dit alles wordt van de gemeente volharding gevraagd en gehoorzaamheid des geloofs (Rom. 1:5; Hand. 6:5). Judas vermaant de kerk om tot het uiterste te strijden voor het geloof, dat eens de heiligen is overgeleverd. De kerk moet dat bewaren, naar binnen en naar buiten. Het moet doorgegeven worden, verdedigd en beleden. In de volharding en de oproep daartoe ligt de continuïteit; in deze weg moet de kerk verder. Het is niet de kwestie van een geloof, maar om hèt geloof, het gemeenschappelijke geloof, om het geheim van het geloof. (Tit. 1 : 4; 1 Tim. 1 : 19). De kerk moet gaan in de weg van de apostelen en de profeten. Doet zij dat niet, dan valt zij van het geloof af; lijdt aan haar geloof schipbreuk.
Belijden in de kerk betekent niet, dat na rijp beraad een aantal mensen het eens wordt over een aantal geloofsstukken en dat men daarop een kerk grondt. Een geloofsbelijdenis is geen statuut van een vereniging met enige artikelen, die niet veranderd kunnen worden en weer anderen die vroeg of laat verbeterd of omgezet of helemaal geschrapt kunnen worden. Belijden betekent, dat een gemeenschap van gelovigen verbinding aan het getuigenis van de apostelen en de profeten representeert. Belijden betekent vasthouden aan de apostolische traditie; die bewaken en verdedigen. Een niet-belijdende kerk is aan haar eigen wezen ontzonken, zoals een niet belijdend christen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 januari 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 januari 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's