De oud-Christelijke kerk I
In de loop van vier eeuwen is het Christendom uitgegroeid van een kleine groep, voor de heidense tijdgenoot nauwelijks herkenbaar onder de vele godsdienstige bewegingen en groepen, tot de officiële staatsgodsdienst van het Romeinse Rijk. Nu staan ons, wat de derde en vierde eeuw aangaat, vele bronnen ter beschikking. Maar: hoe openbaarde zich het leven der eerste Christenheid in de eerste twee eeuwen van onze jaartelling, dus in de periode direct na de Apostelen? Tot het beantwoorden van deze vraag, moeten wij gedeelten nagaan van geschriften, die in deze periode in de kerk zijn ontstaan. Ten einde het leven der eerste Christenheid naar enigszins duidelijke maatstaven te verdelen, schrijven wij eerst over de zondagse eredienst, behandelen wij vervolgens de organisatie van het kerkelijk instituut, terwijl tenslotte de houding van de oude kerk tegenover de heidense omgeving, waarin zij gesteld was, wordt nagegaan.
1. Zondagse eredienst
Het hart van het godsdienstig leven in de Christelijke Kerk klopt in de eredienst. Daarom willen we in de eerste plaats hierop onze aandacht vestigen.
Wanneer we de gegevens van het N.T. nagaan, blijkt dat, in het kader van de eredienst, aan de 'eerste dag der week' een bijzondere betekenis werd toegekend. Deze aanduiding van 'eerste dag der week' is Joods, maar, volgens de overeenstemmende berichten in de Evangeliën, is het de dag, waarop Christus uit de doden opstond. Daarom dienen we na te gaan, of de dag van Christus' opstanding door de Christenen als kerkelijke hoogtijdag werd gevierd.
a. De zondag
Plinius, stadhouder van Bithynië, schrijft tussen 111 en 113 aan keizer Trajanus over de godsdienstige samenkomsten van de Christenen, 'dat zij regelmatig op een vastgestelde dag vóór zonsopgang samenkomen en in beurtzang een lied zingen ter ere van Christus. Daarop gingen zij dan uiteen om dan 's avonds weer bijeen te komen om een maaltijd te houden'. Men heeft gemeend in de uitdrukking 'een vastgestelde dag' een aanwijzing te mogen zien van de zondag.
Justinus Martyr schrijft tussen 150 en 155 in zijn eerste Apologie, dat de gelovigen plachten samen te komen op 'de naar de zon genoemde dag', omdat dat de eerste scheppingsdag is, waarop God de duisternis tot licht en de ongevormde stof tot wereld heeft gemaakt en omdat op diezelfde dag Jezus Christus, onze Zaligmaker, uit de doden is opgestaan. De 'naar de zon genoemde dag' is de aanduiding, waarmee de oude Grieken en de Romeinen de zondag benoemden. Andere geschriften uit deze tijd, zoals de 'Leer der twaalf Apostelen' noemen deze dag: de 'dag des Heren'. 'Wanneer gij u op de dag des Heren verzamelt, breekt dan het brood en dankt, nadat gij uw overtredingen beieden hebt, opdat uw offers rein zijn.' Omstreeks het midden van de tweede eeuw is dus de zondagsviering in volle gang.
Naast de zondag is ook de Sabbat tijdelijk als gewijde dag in ere gebleven. Tertullianus breekt althans voor de erkenning van die dag een lans en in de z.g. brief van Barnabas komt het Sabbatsgebod naar voren in verband met de verwachting van het duizendjarig vrederijk op aarde. Eigenaardig is nog, dat deze zelfde Barnabas de zondagsviering wel motiveert met het feit, dat Jezus Christus op de eerste dag der week verrezen is uit het graf, en, naar hij ten onrechte meent, ook ten hemel is gevaren op die dag.
De viering van de zondag is kenmerkend voor het godsdienstig karakter van het oudste Christendom. Hieruit blijkt de grote betekenis, die aan de opstanding van Christus werd toegekend, als feest van overwinning over zonde en dood, als grondslag voor het geloof, dat Christus leeft en als waarborg voor de zekerheid van Zijn wederkomst.
b. Eredienst
Na de kwestie van de zondag behandeld de eredienst van de oudste Christelijke te hebben, wijden we onze aandacht aan kerk in het algemeen.
Zeer omstreden is, of de dienst des Woords en de viering van het Avondmaal vanaf het begin een éénheid gevormd hebben. De in het bovenstaande besproken brief van stadhouder Plinius aan keizer Trajanus lijkt een scheiding tussen beide te veronderstellen. Maar het kan ook zijn, dat de samenkomst in de morgen, vóór het opgaan van de zon, een viering van het Avondmaal mede inhield, en met het 'maaltijd houden', dat dan later op de dag plaats vindt, een liefdemaal wordt bedoeld. Wij tasten eigenlijk enigszins in het duister.
Tertullianus (160—220) spreekt van 'praedicare' en 'praedicatores' in een verband, dat verder geen licht ontsteekt. Met nadruk vermeldt hij het lezen uit de Schrift, waartussen psalmen werden gezongen, een gewoonte uit de synagoge overgenomen. We zullen echter een volgende keer zien, hoe Justinus Martyr ons belangrijk materiaal verschaft over de gang van de eredienst.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 januari 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 januari 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's