De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Paaslicht

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Paaslicht

Kanttekeningen bij het Getuigenis

12 minuten leestijd

Het Getuigenis heeft voor zichzelf gesproken. De zeven punten die aan de orde gesteld zijn, waren evenzo vele signalen ten aanzien van kernpunten in het belijden die momenteel zozeer in discrediet zijn. Het waren signalen, dat wil zeggen het werd alles kort aangeduid, terwijl achter al deze punten een wereld van achtergronden ligt. Iets van die achtergronden willen we in een aantal artikelen aan de orde stellen. Aan elk van de punten van het Getuigenis wordt nu een apart artikel gewijd. Mochten er bij de lezers nog vragen leven over één of ander dan willen we ook daarop uiteraard nog nader ingaan. De Redactie

’t Was rondom Pasen. En temidden van de drukke menigte op de Neude te Utrecht reed een geluidswagen met enkele jongelui. De opschriften op de auto vertelden, dat zij wat met Jezus te maken hadden. Maar de luidspreker boven op de wagen schreeuwde alleen maar het woord 'opstand' over de straten. Wat was de bedoeling? Wilden deze jonge mensen de menigte opruien? Betekende het naderende Paasfeest voor hen, dat de beleving van het Paasgebeuren zich diende te uiten in een revolutie? 't Werd niet duidelijk. Maar het woord bleef hangen: 'Opstand, opstand ...!’

Heeft de opstanding van Christus uit de doden inderdaad wat te maken met opstand van revolutionairen, die de gevestigde maatschappelijke en politieke orde omver wensen te werpen en een samenleving in wereldverband najagen, waarin vrede en gerechtigheid heersen? Of anders geformuleerd: moeten wij het geloof van de eerste christengemeente, uitgedrukt in de belijdenis van Christus' verrijzenis uit het graf, in onze tijd niet vertolken door elkaar op te roepen om Christus tot leven te brengen in onze politieke en sociale activiteit? Of dat laatste dan altijd gepaard moet gaan met revolutie, is een zaak, waarover verschillende opvattingen zouden kunnen bestaan. In elk geval heeft de mening postgevat, dat er met de lichamelijke opstanding van Christus uit de doden niets te beginnen is, als Christus niet in ons tot opstanding komt. Hij, Jezus, zou dan alleen maar leven, inzoverre Hij voortleeft in ons. En wat dat betreft zouden humanistische en marxistische bewegingen op aarde wel eens beter hebben kunnen verstaan, wat Paasfeest betekent dan de Kerk der eeuwen.

Tegen deze mentaliteit is fel protest aangetekend. En het werd hoog tijd, dat dat publiek gebeurde in het Getuigenis, dat enige tijd geleden verscheen. In punt 5 van dat Getuigenis vindt de lezer enkele opmerkingen over het goddelijk heilsfeit van Christus' opstanding. En het is naar aanleiding daarvan, dat ik graag een paar regels ter nadere verklaring schrijf. Ik zie daarbij af van een uitvoerige bespreking van de vraag, of Jezus wellicht veelmeer dan in de kerk is gedacht, de sociale Hervormer of de politieke Revolutionair is geweest, Die met Zijn prediking van het Koninkrijk het breekijzer zette in de toenmaals bestaande structuren. Ik geef graag toe, dat wij onze Jezus-beelden altijd weer moeten laten corrigeren door wat de Schrift ons van Jezus Christus zegt. Maar ik weiger pertinent om mijn geloof in de Christus der Schriften, zoals Hij in de eenvoud der Schrift als het onfeilbare Woord van God tot mij komt, in te ruilen voor een vertekend Jezus-beeld, dat ons uit de oude vrijzinnigheid genoegzaam bekend is en dat ons thans opnieuw in een modernistische theologie met een totaal ander schriftgeloof wordt opgedist. Voor mij is het zonneklaar, dat de Messias niet de politiek geengageerde Man van Nazareth is geweest, die beantwoordde aan enige aardse Messiasverwachting van Zijn dagen. Hij was niet de Revolutionair, Die gehoor gaf aan de verleiding van satan om een aards koninkrijk op te richten (Matth. 4 : 1—11; Joh. 18 : 36). Meer dan twaalf legioenen engelen stonden Christus ten dienste om te doen, wat ons vandaag wordt voorgespiegeld, dat wij moeten doen. Hij deed het niet.

Een andere vraag, waarop ik ook niet uitvoerig wil ingaan, is deze: Is het niet de taak van de christelijke kerk, zeker ook in onze tijd, om de kern van het Evangelie te vertolken in de taal en de leefsituatie van de mens en zijn wereld? Er is in reactie op het Getuigenis telkens weer op gewezen, dat deze zijde van de boodschap der kerk steeds schromelijk is veronachtzaamd. En de opstellers van het Getuigenis is daarom ook verweten, dat zij de 'vruchtbare' doordenking van deze vertolking van het Evangelie in politieke en sociale kaders niet hebben gehonoreerd, ja in feite als onzakelijk hebben genegeerd. Nu zal, dunkt mij, niemand van degenen, die het Getuigenis met hun handtekening bekrachtigd hebben, willen ontkennen, dat het Woord van God een dynamische uitwerking heeft op de totale bestaanswijze van de mens en zijn wereld. Waar de prediking van de Christus der Schriften wederbarend en levensvemieuwend werkt, daar is in beginsel het dynamiet gelegd, zowel persoonlijk alsook in maatschappelijk en politiek opzicht, onder de daemonische (satanisch bezeten) structuren van het leven. Het behoort tot de eigenheid van de Calvinistische theologie, dat heel de schepping onder de heerschappij van Christus gezien wordt. Er is geen terrein des levens, waarvan Christus niet zegt: 'Het is van Mij'. Hij heeft 'de machten' onttroond. Maar dat alles wil in geen enkel opzicht zeggen, dat het ons gegeven zou zijn om in deze bedeling de samenleving der volkeren of de verschillende levensgebieden van de mens zodanig te doorgisten met het zuurdeeg van het Evangelie, dat wij op een bepaald punt van de historie als vrucht van deze ontwikkeling het Koninkrijk van God in zijn volheid zouden hebben bereikt. De wereldgeschiedenis haast zich stormachtig naar haar voleinding. De wereld zal door vuur vergaan. En eerst dan, door een Godsdaad van bovenaf in de geschiedenis, zal zich het Koninkrijk van God openbaren, de volheid van wat hier en nu slechts ten dele in de tekenen van dat Koninkrijk voor de dag kwam. Daar komt nog bij, dat naar mijn stellige overtuiging de kern van het Evangelie nooit ten volle vertolkt kan worden in politieke. sociale begrippen en werkelijkheden. De 'sjaloom' (het vrederijk) van God is wezenlijk veel dieper dan wat kan worden uitgedrukt in een samenleving, waar ieder zijn deel in het leven krijgt. Waar de zaken tussen God en onze ziel niet op orde zijn, waar een mens niet als een goddeloze dekking zoekt in het bloed van Christus, daar wordt welvaart een vloek inplaats van een zegen. Een welgeordende maatschappij, waarin het inkomen dusdanig onder de mensen verdeeld is, dat allen genieten kunnen van het goede der aarde, kan op een gegeven moment het tegenovergestelde van het Koninkrijk van God zijn; zodat men van louter zatheid weer gaat schoppen tegen de verworvenheden van het leven. Wij moeten, in één woord bekeerd worden van onze afgoderij met het stof om als een goddeloze in de handen van een schuldvergevende God te vallen en vrede te hebben, zelfs als zouden we met Job op de puinhopen van ons leven zitten. Dat is altijd al geweest en dat blijft voor de Kerk des Heeren de enige troost in leven en sterven.

Deze enige troost nu is gefundeerd in de opstanding van Christus uit de doden. En dat is het vooral, wat in punt vijf van het Getuigenis aan de orde komt. Wij kunnen en behoeven niet door onze politieke en maatschappelijke geëngageerdheid Christus tot opstanding te brengen. Alsof Hij niet zonder ons door een Godsdaad op de Opstandingmorgen tot leven is gekomen. Het is Zijn eeuwige eer, dat Hij alleen de macht van het graf, de hel en de satan heeft overwonnen. Zijn graf is leeg. Hij is er eeuwig bovenuit. En daarin ligt voor Gods levende Kerk de garantie, dat God nooit meer op haar toornen zal. Daarin ligt voor Christus' gemeente ook de kracht in de dagelijkse strijd tegen de zonde in het eigen leven en in dat van de wereld. Christus is in Zijn opwekking uit de doden Gods machtige inzet in de wereld, de nieuwe schepping, waarin alles voorhanden is, wat God na Adams zondeval van Zijn gevallen schepping maken wil. En nu komt het er voor ons op aan, dat wij persoonlijk door wedergeboorte en geloof worden ingezet in deze machtige realiteit van Gods Koninkrijk. Op deze wijze krijgen wij deel aan het nieuwe leven, aan de doorbraak van Gods gerechtigheid in ons leven. Een gerechtigheid waarmee we voor God kunnen bestaan en die we hier in beginsel mogen doorleven in de liefde tot onze naaste. Inmiddels roept Christus' open graf het heimwee wakker naar de opening van alle graven, naar de doorbraak van de Levensvorst door alle doodsbarrières van dit leven heen, aan het eind der tijden. 'Indien wij alleenlijk in dit leven op Christus zijn hopende, zo zijn wij de ellendigste van alle mensen' (1 Cor. 15 : 19). De Geest en de bruid roepen: Kom' (Openb. 22 : 17). Dat is altijd al het geloof van Christus' gemeente geweest. De eerste christenen kenden niet slechts een Christus, Die in hen leefde. Dat was de zegen van Pinksteren. Zij kenden een Christus, Die Zijn graf verlaten had en voor hun ogen vis en honing at (Luk. 24 : 42) en in Wiens wonden zij hun handen leggen mochten (Joh. 20 : 27). Pinksteren is verankerd in Pasen. De Opgestane is door velen gezien. (1 Cor. 15 : 1 vv.) Over dit 'gezien' dat de betekenis heeft van 'verschenen aan velen' leze men de prachtige dissertatie van prof. J. P. Versteeg (Christus en de Geest). Daarom is het opstandingsgebeuren niet, zoals Bultmann wil, een projectie: nu een persoonlijke ervaring, die door evangelisten en apostelen tegen de wand van de geschiedenis der wereld geprojecteerd is, alsof het een gebeurtenis was, die in tijd en ruimte had plaats gehad. Christus' opstanding is maar niet een mythe, waarmee de eerste christenen tot uitdrukking hebben gebracht, dat Jezus voor hen een onvervangbare waarde had. Wie Bultmann hierin volgt, raakt de levende Christus en uiteraard ook de levende God kwijt. Hem rest niets beters dan Jezus als het goede Voorbeeld te volgen. En daarmee wordt hij op een angstaanjagende manier op zichzelf teruggeworpen. Wij, Gods medearbeiders moeten het dan allemaal zelf waar maken. Alles is daarmee gebracht op de noemer van onze menselijke activiteit. En daarmee zijn we dan ook het hart van het Evangelie kwijt. Eigenlijk gaat dan ook, dunkt mij, achter de vraag naar de betekenis van Christus' opstanding uit de doden een andere vraag schuil, nl. die naar de diepste grond van de werkelijkheid en waarheid van 's mensen bestaan. Met andere woorden: het gaat ook hier in feite om de realiteit van de levende God, Die zonder en buiten ons in onze geschiedenis ingrijpt. En dan komt daar de dodelijk ernstige vraag bij, of wij door genade bekeerd zijn van een bestaan, waarin de mens in zijn waarheidsdrang van de éne theorie op de andere geworpen wordt zonder ooit vastheid voor zijn bestaan te vinden. Anders gezegd: zijn wij bereid heel ons twijfelachtige bestaan, waarin wij de waarheid binnen onze horizon zoeken willen, in te ruilen voor het vaste geloof in de levende God, Die de Schepper, Onderhouder en Verlosser van ons leven wil zijn?

Misschien vinden sommige lezers, dat dit soort opvattingen, die in het Getuigenis zo fel bestreden worden, ver genoeg buiten onze deur verkondigd worden. Moeten we er ons eigenlijk wel druk om maken? Wat uit de levende God niet is, sterft zijn eigen dood. Sommigen vinden het Getuigenis zelfs paniekerig. Alsof hier tegen windmolens gevochten wordt. Misschien dat ons dan een enkel citaat uit het blad van de theologische faculteit te Utrecht (Areopagus, blad der Utrechtse Theologische studenten) uit de droom kan helpen. Daar wordt nl. in het oktobernummer (1971) een zevental fundamenten des geloofs, genoemd, die als tegenhangers moeten dienen van de zeven punten uit het Getuigenis. Eén daarvan, betrekking hebbend op punt vijf, luidt aldus: 'De Oost-Pakistani, die door het West-Pakistaanse leger, dat dankzij het rijke Noorden zo sterk kan zijn, zijn verdreven en nu in het arme India op een langzame dood wachten, omdat zij het twijfelachtige genoegen hebben niet vermoord te zijn, wat kan het hen schelen, dat de opstanding van Christus een goddelijk heilsfeit is, waarin en waardoor ons de nieuwe wereld van God, de oorspronkelijke schepping worden getoond en beloofd. 'Wat kan het hen schelen... Zij moeten door ons geholpen worden. Anders is het hele Getuigenis' immers niet meer dan een klucht.

Areopagus heet dit blad van de theologische studenten. Op de Areopagus besteedde men hun tijd tot niets anders dan om wat nieuws te zeggen en te horen (Hand. 17:21). Nu is datgene, wat een zekere Jaap Gruys in het betreffende artikel van het studentenblad schrijft, voor ons natuurlijk niet nieuw. Maar ik vind het wel ten hemelschreiend, dat een theologisch student zich dermate laat indoctrineren door de nieuwste soort theologie, dat hij zich de volgende uitspraak veroorlooft: wat kan het al die mensen (In Afrika, Vietnam, enz.) schelen (de vloek, die de schrijver gebruikt, neem ik hier maar niet over), dat het Christelijk geloof in de eerste plaats een persoonlijke zaak van wedergeboorte, geloof en bekering is en dat de gemeente van Jezus Christus uit de toekomst des Heeren leeft en daarom trouw dient te blijven aan de belofte, haar geschonken in het Woord Gods’.

Kan het deze theologische student zelf nog wel wat schelen, of de kerk dit belijdt of niet? En moet hij op deze wijze straks de kerk gaan dienen? Niemand mag de noden van zijn naaste, ook van zijn verre naaste vergeten. Niemand mag ontkennen, dat hier voor het Westen, ook de kerk van het Westen een geweldige taak ligt. Maar mogen kerk en christenmensen dusdanig verantwoordelijk worden gesteld voor de oplossing van de problemen van armoe, rassendiscriminatie, enz., dat zij hun mond maar moeten houden over de oplossing van de diepste nood van de wereld (de vrijspraak van zonden door het geloof in Christus' open graf), zolang als zij het nog niet voor elkaar hebben gekregen om de wereld sociaal en politiek te   vernieuwen? ! Waar lezen we dat in de Bijbel!?

Eén ding blijft voor ons vaststaan. Niet de wijsgeren der Griekse oudheid, die droomden van een vrederijk, noch de 'goddelijke' keizers van het Romeinse rijk, die als vredestichters in de wereld werden begroet, hebben de aarde kunnen redden. En hetzelfde zal gelden van een kerk, die haar eigen verdwijningsproces verhaast door zich te laten absorberen door prachtige politieke stelsels van humanistische en marxistische aard. Er zijn al zoveel Kainspogingen geweest om het verloren paradijs op aarde terug te krijgen, desnoods over lijken heen. Maar de koopacte, waarin de garanties liggen voor het grote Jubeljaar, de boekrol van Gods vrederijk op aarde, ligt in Gods open hand. Openbaring 5 : Ivv. En wie is waardig het te openen en zijn zegels te verbreken? De ouderling uit de hemel weet het. En Gods ellendigen op aarde mogen het van hem horen: 'Ween niet, zie, de Leeuw, Die uit de stam van Juda is, heeft overwonnen om het boek te openen en zijn zeven zegelen open te breken'. Hij, Die ons Gode kocht met Zijn bloed...! De Levende Christus, Die hel, dood en graf versloeg. En dat blijft, ondanks alle aanvechting, de diepste troost van Gods Kerk. En zolang als de wereld bestaat, de rijke boodschap van de ouderling, ook op aarde.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Paaslicht

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's