De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Belijden en belijdenisgeschriften I

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Belijden en belijdenisgeschriften I

8 minuten leestijd

Nauw met het belijden van de Kerk — naar binnen en naar buiten — in de prediking, in de catechese en in het pastoraat hangen samen de belijdenisgeschriften. Achter deze stukken staat een stuk inventarisatie van het geestelijke eigendom van de Kerk, een diepe bezinning op haar door God gegeven geloofsbezit. Paulus, schrijvende over de Kerk als pilaar en vastigheid der waarheid, tekent met weinige woorden het geheim der godzaligheid in de hymnische belijdenis over Christus — en dit is een hoogtepunt in deze brief! —, die geopenbaard is in het vlees, is gerechtvaardigd in den Geest, is gezien van de engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid (1 Tim. 3 : 15, 16).

In deze traditie blijft de Kerk gaan en Beza mag terecht zeggen, dat een belijdenis een samenvatting is van de belangrijkste stukken der religie.

Over het ontstaan van de belijdenissen

Hoe zijn nu de belijdenissen ontstaan? Cullmann noemt vijf omstandigheden, die samenhangen met het ontstaan en het gebruik van de belijdenissen in de Oude Kerk: de doop en het catechumenaat, de prediking en de liturgie, exorcismen, de vervolgingen, en tenslotte de polemiek tegen de dwaalleraren. Hier staat terecht de doop voorop. De Apostolische geloofsbelijdenis is ontstaan uit belijdenissen bij de doop afgelegd, ook hier is aansluiting aan wat het Nieuwe Testament zegt b.v. ten aanzien van de kamerling in Hand. 8 : 37: indien gij van harte gelooft, is het geoorloofd. En hij, antwoordende, zeide: Ik geloof, dat Jezus Christus de Zoon van God is (deze woorden staan in de Nieuwe Vertaling tussen teksthaken, ten teken, dat zij in vele handschriften niet voorkomen; maar reeds bij Ireneus — in de tweede eeuw — vinden wij deze belijdenis). Augustinus sprak van een doopbelijdenis als van een verkort, samenvattend woord (verbum abbreviatum) en Tertullianus noemt ergens de apostolische geloofsbelijdenis de eed op het vaandel van Christus (vergelijk de uitdrukking van het formulier van de Doop: zijn merk-en veldteken dragende).

Verschil tussen oude symbolen en belijdenissen uit de tijd der reformatie

In de belijdenissen vinden wij de kern van het Evangelie. De essentie van de openbaring Gods aan de gemeente geschonken wordt in weinige woorden beschreven. Nu wordt in deze tijd meer dan eens op het verschil met de latere veel breder uitgebouwde belijdenissen gewezen. Moeten wij niet terug naar de Oude Kerk, die bondig en kort haar geloof wist te formuleren? Inderdaad is de apostolische belijdenis — om ons daartoe te beperken — erg kort. Men heeft eigenlijk de indruk, dat de artikelen niet anders zijn dan de titels van de hoofdstukken van een boek, dat volgt. De belijdenissen van de Oude Kerk roepen als het ware om een vervolg, om uitbouw. Dat kan ook niet anders, want de Kerk moet toenemen in kennis en genade van Christus; stilstand betekent achteruitgang. En die vervolgen zijn er gekomen, uitwerkingen, die dieper ingaan op de heilgeheimen Gods, aan Zijn Kerk geopenbaard. Het is dus geen armoede van de Kerk, als zij haar geloof niet simpel met enige volzinnen wil formuleren. Daar ligt een stuk rijkdom in en waarom zouden wij daarop niet eens meer accent leggen: Zo rijk is de Kerk aan schatten en genadegaven Gods! Ik ben er dan ook niet zo zeker van of de voortdurende roep om korte belijdenissen niet voorkomt uit indifferentie ten opzichte van de mysteriën Gods, waarbij men zich tevreden stelt met een minimum aan belijden. Hier ligt een ondankbaarheid, die schuldig stelt en een gebrek aan een heilzame begeerte om meer te weten van datgene wat de Here als een schat aan Zijn Kerk heeft geschonken. Al mag niet ontkend worden, dat velerlei gevaren verbonden zijn aan een maximum van belijden en de geschiedenis van de Kerk is daar om dat te bevestigen.

In de belijdenis ook verweer en kritiek

In de grote belijdenisgeschriften zullen wij meer moeten zien dan strijdgeschriften en vechtbrochures; hier treedt de Kerk ook naar buiten om in het openbaar het bezit van de Kerk tentoon te stellen. Nu ligt in elk positief belijden een kritisch element. In de wereld van het veelgodendom b.v. ten tijde van Achab betekende de belijdenis op de Karmel: De Here is God een breuk met de dienst van Baal. Daar was de belijdenis van het geloof in de levende God des Verbonds het voor dood verklaren van de afgoden. Zij hebben een mond, maar spreken niet, zij hebben oren, maar horen niet (Ps. 115 : 5 v; Deut. 5 : 26; 1 Sam. 17 : 26 e.a.). De Kerk stond en staat midden in een wereld, die in de diepste grond vijandig is aan het Evangelie. Zo ontstonden belijdenissen als verdedigingsgeschriften, als apologieën, menigmaal in de nood van de vervolgingen geboren. En dan is er in deze stukken soms een scherpe spits tegen dwaalleraren en een stuk polemiek waarin afgodische en bijgelovige leringen en praktijken worden afgewezen.

Belijden en lijden

Cullman wijst erop, dat belijden in het Nieuwe Testament dikwijls verbonden is met vervolgingen en lijden. De apostel spreekt in 1 Tim. 6 : 13 van Christus Jezus — de getrouwe getuige, Openb. 1 : 5 — die onder Pontius Pilatus de goede belijdenis betuigd heeft (homologein, zelfde woord als o.a. in Matth. 10 : 32 enz.): De belijdende Christus wordt de lijdende Christus. Maar dat geldt dan ook van en voor de Kerk, die achter Christus aankomt. Zijn kruis dragende vervullende de overblijfselen van de verdrukkingen van Christus (Col. 1:24). Getuige zijn van Christus betekent bloedgetuige zijn en getuigenis afleggen houdt in martelaarschap ondergaan (martyrein). Zo lezen wij van het bloed van de getuige des Heren Stephanus in Hand. 22 : 20, waar getuige bijna martelaar is (martys, martelaar).

In de dagen van de Reformatie is meer dan eens een belijdenis ontstaan onder de druk van de vervolgingen. Wat niet betekent, dat in een belijdenis, ook in die tijd, de Kerk zich alleen wendde tot degenen, die buiten stonden. Maar wel is het zo, dat vijanden van de Kerk haar hebben gedwongen om zich rekenschap te geven van haar geloof en leven. Zo heeft elke belijdenis iets van een zelfverdediging: de Kerk moest positie kiezen, zij stond immers in de wereld, al was zij niet van de wereld en de Kerk had geen geheimleer en zij had niets te verbergen en daarom hield zij in de belijdenis haar banier omhoog: Zo zijn wij. En in deze — en niet alleen hierin — moest het kwade van de vervolging medewerken ten goede.

Calvijns Institutie een ’confessio’

In zijn brief aan Frans I, een voorrede van de Institutie (onderwijzing in de Christelijke regligie) geeft Calvijn openlijk in het openbaar er rekenschap van, hoe hij tot het schrijven van dit werk is gekomen. Hij wilde met zijn werk de Franse natie dienen 'onder wie er velen zijn, die hongeren en dorsten naar Christus. Maar toen ik vernam, dat de woede yan sommige goddeloze lieden in uw koninkrijk zover de overhand had gekregen, dat de gezonde leer daarin geen enkele plaats vindt heeft het mij goedgedacht dit werk en deze institutie aan hen te geven en tegelijk daarbij een belijdenis (confessio) voor u uit te geven, waaruit gij moogt te weten komen, hoedanig deze leer is, waartegen deze onzinnigen mét zulk een woede losbranden, dat zij door ijzer en vuur uw koninkrijk in verwarring en onrust brengen.’

De reformatoren waren geen nieuwlichters

En daarbij hebben de reformatoren er telkens weer de nadruk op gelegd, dat zij niet iets nieuws brachten, maar dat zij het oude uit de vergetelheid ophaalden, dat zij wilden gaan en gingen in het spoor van deze Oude Kerk, dat zij zochten terug te gaan tot dat punt waarop de Kerk een verkeerd spoor was opgegaan en af was gebogen van de réchte weg. In dezelfde brief (aan de Franse koning) schreef Calvijn: Als men onze leer nieuw noemt dan doet men onrecht aan God, wiens Woord niet verdient van enige nieuwheid te worden beticht. — Dat deze leer lange tijd onbekend en begraven is geweest, daarvan moet de schuld aan menselijke goddeloosheid worden geweten, maar omdat zij nu door de goedertierenheid Gods ons weer gegeven wordt, zo behoorde zij wederom in haar oude waardigheid en haar vroegere aanzien te worden ontvangen. Maar houdt de Kerk zich dan niet aan woorden van mensen, als zij zulk een sterk accent legt op de belijdenis en het gezag daarvan? Geldt ook hier niet het woord van de apostel: Wordt geen dienaren van mensen? (1 Cor. 7 : 23).

De belijdenis kent dit argument erg goed en de belijdenis zelf gaat erop in: Men mag ook geen geschriften van mensen, hoe heilig zij geweest zijn gelijkstellen met de Goddelijke Schriften, noch de gewoonte met de Waarheid Gods (die boven alles gaat) noch het grote aantal, noch de ouderlingen, noch de opvolging van tijden of personen, noch de conciliën, decreten of besluiten (art. 7 Nederl. Gel. Bel.). Het gezag van de Belijdenis is afge­leid gezag; het is nooit absoluut, haar woord is nooit het laatste, beslissende woord, omdat de Kerk leeft, leven moet, bij het getuigenis der Schriften; daar ligt haar richtsnoer voor leer en leven. En dat laatste mag niet gezegd worden van welke belijdenis ook; dat geldt niet van de formulieren der kerk of noem maar van welke geschriften ook, die enige kerkelijke sanctie hebben ontvangen. Ik heb wel eens het gevoel, dat wij hier ons te weinig laten waarschuwen door wat in de r.k.k. is geleerd over de overlevering. Volgens het concilie van Trente moest de inspiratie der Schrift op dezelfde wijze betrokken worden op de traditie, zowel ten aanzien van geloof als leven. Met dezelfde eerbied, die men aan de canonieke Schriften verschuldigd was moest men vasthouden aan de overlevering. De traditie, zoals het concilie van Trente die formuleerde, 'fungeerde in de eerste plaats als een inhoudelijk normatief surplus van de Heilige Schrift' (Fiolet, Verdeelde Christenheid).

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Belijden en belijdenisgeschriften I

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's