Boekbespreking
Hans Hermann Groothoff en Martin Stahlmann: Neues Padagogisches Lexikon; Uitgave Kreuz Verlag, Stuttgart; 1346 pagina's; DM 84.
Dit lijvige werk, een herziene uitgave van een werk, dat 10 jaar geleden voor het eerst verscheen, maakt deel uit van een reeks naslagwerken die bij Kreuz Verlag verschenen of nog verschijnen zullen op verschillende terreinen, bijvoorbeeld op het terrein van het sociale leven en van de politiek.
In deze pedagogische vraagbaak krijgen allerlei onderwerpen een zeer uitvoerige behandeling door vele deskundigen, terwijl aan het eind van elke behandeling een reeks literatuuropgaven is vermeld, waardoor de lezer naar de bronnen wordt verwezen. Op uitgebreide en systematische wijze worden de onderwerpen, methoden en resultaten van de huidige pedagogiek (als wetenschap) ontvouwd, waarbij niet één bepaald standpunt wordt weergegeven maar een introductie wordt gegeven in de probleemstellingen en discussies die momenteel op dit terrein te vinden zijn.
Zo zal dit boek voor studenten in de pedagogiek en alle anderen die op één of andere wijze met de pedagogiek te maken hebben van onschatbare waarde zijn, omdat het het hele terrein van de pedagogiek bestrijkt en enorm veel practische informatie geeft.
Het is inmiddels wel zo dat uit dit boek blijkt hoe ook op het terrein van de pedagogiek de secularisatie doorwerkt en dit terrein ook steeds meer aan de norm van het evangelie onttrokken wordt. Dat blijkt in dit boek niet alleen aan de visies die gereleveerd worden. Het blijkt ook uit de visies, die verschillende scribenten zelf in dit boek laten blijken, uit de tendenties die uit allerlei beschrijvingen naar voren komen.
Ik ga dat hier allemaal niet uitgebreid behandelen, daarvoor is het geheel te omvangrijk. Maar het blijkt b.v. uit de waardering van de traditionele sexuele moraal naast de liberale en de socialistische psychoanalytische. Het blijkt ook uit de waardering van het wonder, zoals we dat in de bijbel aantreffen. De christelijke pedagogiek heeft haar eigen normen, die als het goed is aan de Schrift ontleend zijn. Dit boek geeft geen specifieke christelijke pedagogiek wel een overzicht van de huidige stand van zaken van de pedagogiek in het algemeen. Een nuttige vraagbaak, goed en overzichtelijk uitgevoerd, die voor ieder, die op het terrein van de pedagogiek bezig is, onmisbaar is.
J. van der Graaf
G. C. Berkouwer en H. A. Oberman, De dertiende apostel en het elfde gebod, 197 blz., ƒ 17, 50 Kok, Kampen 1971.
Van October 1970 tot half februari 1971 werden in de theologische etherleergang van de NCRV een aantal colleges gegeven over de invloed van Paulus en de interpretatie van deze apostel in de gang van de kerkgeschiedenis. Zeventien geleerden uit binnenen buitenland leverden voor dit onderwerp een boeiende bijdrage.
Want boeiend en veelzijdig is het thema ongetwijfeld! Prof. v. Rhijn leerde ons destijds op college al dat je een dwarsdoorsnede door de kerkgeschiedenis kon maken, ja een kerkhistorie kon schrijven aan de hand van de vraag: Hoe zijn de brieven van Paulus, met name de Romeinenbrief, in de loop der eeuwen gelezen en uitgelegd? Daarnaast is het een interessante vraag, in hoeverre in de historie de gehele Paulus heeft meegesproken en alle aspecten aan het woord kwamen, dus niet alleen de thema's van de Romeinenbrief, maar b.v. ook de machtige uitspraken uit Colossenzen 1.
Paulus is, aldus prof. Oberman, de spiegel, waarin we iedere omslag in het christelijk denken kunnen zien. Paulus is z.i. ook de lont, die steeds tot nieuwe explosies in het christelijk denken voert. Hoe heeft de kerk in de loop der eeuwen het paulinisch getuigenis verstaan?
Daarover gaat het in dit boek. Na een opstel over de historische Paulus van prof. Van Unnik (met voortreffelijke exegetische opmerkingen bij Rom. 1: 1, het visitekaartje van Paulus), volgen opstellen over: Paulus tussen Marcion en de Catholica (J. T. Bakker); Paulus in de oosterse kerk (G. H. M. Posthumus Meyes); Paulus en de westersekerk (Mönnich); Paulus en Thomas (O. H. Pesch); Paulus en Luther (Oberman) Paulus en Trente (J. Vercruysse); Paulus en Calvijn (W. Nijenhuis); Paulus zen van den Brink ???); Paulus en de Aufklaring (K. Scholder); Paulus en het Piëtisme (Veenhof); Paulus en Kohlbrugge (G. W. Locher); Paulus en Barth (Berkouwer); Paulus en Bultmann (Sevenster); Paulus en Kasemann (Schippers).
De bundel wordt besloten met een 'Terugblik en uitzicht' van de Kamper hoogleraar, H. N. Ridderbos, waarin deze erop wijst, dat de gang van de kerkgeschiedenis zonder de geweldige invloed van Paulus niet te verklaren is (Augustinus, Luther, Pascal, Barth), maar ook dat de Paulus-interpretatie zonder de gang van de kerkgeschiedenis niet te verklaren is. Men denke aan de interpretatie door Marcion, aan Trente. Men denke ook aan de wijze waarop Romeinen 7 in de loop der eeuwen is uitgelegd.
In een aankondiging kunnen we onmogelijk op de vele facetten van dit boek ingaan. Het is de moeite waard zich er mee bezig te houden. Ongetwijfeld zal het een meer aanspreken dan het ander. De wijze waarop Mönnich schrijft over het verstaan van Paulus in de westerse kerk, die geen oog gehad zou hebben voor de dimensies van de geschiedenis met zijn tegenover van 'jood' en 'niet-jood' is knap, maar m.i. ook aanvechtbaar. Uiteraard spreekt in de wijze waarop over Thomas van Aquino en Trente geschreven wordt de r.k. visie van de auteurs mee.
Bijzonder geboeid heeft me het opstel van prof. Scholder over Paulus en de Verlichting, waarbij de auteur ook schrijft over de 'theologie' van het Nazidom. Een onthullend stuk, dat ons laat zien hoezeer een rationalistisch verstaan van de Schrift de weg tot het christelijk geloof verspert. Scholder laat tevens zien hoezeer voor het verstaan van de paulinische brieven een juiste visie op de verhouding tussen Jezus en Paulus van belang is.
Boeiend is ook het opstel over Kohlbrugge van de hand van prof. Locher. Het stuk van Schippers over Kasemann heeft me wat teleurgesteld. Ik meen dat een canon in decanon minder onschuldig is, dan de auteur het voorstelt.
Al met al: waardevolle lectuur dat vooral de predikanten onder onze lezers zal mogen interesseren en stimuleren tot verdere studie.
J. Francke, Veelkoppige monsters, 192 blz., ƒ 7, 90, Oosterbaan & Le Cointre, Goes, 1970.
Dit werk over mythologische figuren in Bijbelteksten bevat artikelen, door de schrijver in het weekblad De Reformatie enige tijd geleden gepubliceerd. Deze stukken waren een reactie op een studie van dr. D. Holwerda (broer van wijlen prof. B. Holwerda), die de uittocht uit Egypte zou zien als een grondlegging der wereld, als een schepping. Te vlot zou Holwerda uit vergelijking van schepping en uittocht tot een bepaalde identificatie concluderen. Door deze opzet — te begrijpen in artikelen — heeft dit werk iets vermoeiends door de voortdurende discussie met dr. Holwerda. Jammer, dat de schrijver de artikelen niet heeft omgewerkt tot een boek, waarin de controverse een minder grote plaats inneemt.
Wat niet wil zeggen, dat ik het met de schrijver niet eens zou zijn, althans wat het geheel van zijn betoog betreft.
De schrijver verdedigt de stelling, dat het Babylonische epos over Marduk in feite geen scheppingsmythe is. Zo gesteld heeft de schrijver ongetwijfeld gelijk. Voor ons is dit werk geen scheppingsverhaal, maar was het voor de Babyloniërs niet anders? — De monsters Leviathan en Rahab zijn in de Babylonische bronnen (nog) niet te vinden. De teksten, waarin van deze wezens sprake is worden door de schrijvers onderzocht. Daarbij wijst hij — terecht — op het vrije en variërende gebruik, dat de Schrift van deze heidens-mythologische namen maakt. Een generaliserende beschrijving van Rahab als verpersoonlijking van de oervloed bij de schepping kan misschien wel gelden voor Job 26:12, maar niet van de overige teksten. Als Egypte Rahab genoemd wordt, dan bedoelt dit niet, dat Egypte verpersoonlijking is van de oervloed bij de schepping. In Ps. 104 : 6 w. is sprake van de wateren als een obstakel voor de mens. De schrijver gaat in op de moeilijk te beantwoorden vraag, of Ps. 89: 10, 11 spreekt van de uittocht of van de schepping. Job 26 : 7v spreekt niet van de scheppingswerkzaamheid Gods.
Met de schrijver voel ik weinig voor de uitdrukking mythisering van de historie. Ons bezwaar tegen kritische theologen is, dat van onze zijde hen mythisering van de historie moet worden verweten. Om de zwaar belaste term antithese te ontgaan wijs ik liever op een feit, dat dikwijls bij de uitleg van de Schrift op zijn minst zeer op de achtergrond treedt nl., dat wij menigmaal in de Schrift te doen hebben met polemiek tegen heidense opvattingen. En dat is ook stellig in de scheppingsgeschiedenis het geval.
In een slothoofdstuk gaat de schrijver in tegen wat J. H. Kroeze schreef over Strijd bij de schepping?
In het boek is veel materiaal verwerkt, zoals ook uit de vele uitgewerkte aantekeningen blijkt. Gaarne beveel ik bestudering van dit werk aan.
C. den Boer
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's