De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het geestelijk leven van gemeenten en kerk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het geestelijk leven van gemeenten en kerk

13 minuten leestijd

Deze week komt de Hervormde synode in een tweedaagse zitting bijeen om te spreken over een rapport van de visitatoren-generaal over het geestelijk leven van de Hervormde Kerk. Elke vrijf jaar moet een dergelijk rapport aan de synode worden voorgelegd. Door bepaalde omstandigheden is het in 1961 en 1966 niet gebeurd zodat het laatste rapport dateert uit 1956. Daarom is het van des te meer belang aandacht te besteden aan dit rapport, waarin een globaal overzicht geboden wordt van de stand van het kerkelijk en geestelijk leven in de 1418 gemeenten of 1944 wijkgemeenten.

Het zal duidelijk zijn dat ten diepste het echte geestelijke leven niet in rapporten is vast te leggen. Zelfs is het zo dat het kerkelijk leven in zijn totaliteit zich niet in een rapport laat vangen. Wie de notulen beziet van kerkeraadsvergaderingen wordt daarin meestal geconfronteerd met de 'kwesties', de geschillen, de zakelijke regelingen. Maar ten aanzien van de eigenlijke stand van het kerkelijk en geestelijk leven leest men weinig of niets. Datzelfde vinden we ook vaak in kerkelijke geschiedschrijvingen. Iets dergelijks zal ook te vinden zijn in een rapport, dat een overzicht van het kerkelijk leven wil geven. Evenwel moet gezegd dat in dit rapport wèl gespeurd wordt naar achtergronden, naar méér dan alleen maar zakelijke dingen die de buitenkant betreffen.

In mineur

Het rapport geeft geen rooskleurig beeld van de kerkelijke en geestelijke situatie. Er zijn 'goede' gemeenten — al moet gezegd 'wat noemt gij mij goed? ' —, zo zegt het rapport, maar het aantal 'goede' gemeenten neemt af. 'Er zijn zelfs gemeenten waar nauwelijks meer van 'gemeente' gesproken kan worden. De kerkgang is er minimaal, openbare belijdenis wordt niet meer afgelegd (één gemeente bericht: sinds 1962 niet meer), financieel teert men op het verleden, de Bijbel is een onbekend boek, de predikant is slechts nodig als ’dorpsfiguur’.

En over het geestelijk leven lezen we: 'In het algemeen kunnen we een geestelijke daling zien in de gemeenten. Het lezen van de Bijbel in de gezinnen neemt sterk af. Vaak leest men hoogstens op zondag.' En verder: 'Het is geen wonder, wanneer ook kerkeraadsleden en predikanten deel hebben aan deze verdorring. Het is vreemd dat gemeenten zich wel verbazen dat er zo weinig geestelijke kracht van ambtsdragers uitgaat en niet over het eigen tekort aan geestelijke kracht.' En over het beslag van de kerk op de jeugd wordt gezegd: 'De hoofdtoon is ...: de jongeren bereikt de kerk niet of althans te weinig. In Drenthe sprak men uit dat er ernstige reden was tot bezorgdheid. Zelfs viel de uitspraak dat er wat dat betreft voor de kerk in Drenthe geen toekomst meer is. Jeugdverenigingen blijken nauwelijks meer te bestaan, behalve in gemeenten met G.B.-signatuur. Van de vorming die jeugdverenigingen in het verleden hebben gegeven zijn vele kerkeraadsleden het bewijs.’

Modaliteiten

Het rapport besteedt geruime aandacht aan het punt van de modaliteiten. Het richt zich dan niet primair op de modaliteiten, zoals die in kerkelijke organisaties zijn gekanaliseerd, zoals de G.B., de Confessionele Vereniging of de Vereniging voor Vrijzinnig Hervormden, maar het onderscheidt stromingen; eerst de stroming met een piëtistisch-methodistisch accent, dan de stroming die voor het eerst gestalte kreeg in de Nadere Reformatie en tenslotte de stroming die sterke nadruk legt op de cultuur.

Daarna richt het rapport zich op de modaliteiten als zodanig, waarbij geconstateerd wordt dat in verschillende gebieden de botsing tussen de modaliteiten tot het verleden behoort omdat kerkelijke integraties hebben plaats gevonden (b.v. in Groningen en Drente). De meeste botsingen komen thans voor in gemeenten die het stempel dragen van de Gereformeerde Bond, terwijl men in enkele meer confessionele gemeenten moeite heeft met het geven van ruimte aan een G.B. groep.

Over de G.B. wordt verder opgemerkt dat deze (met ongeveer één zesde deel van het totale aantal predikantsplaatsen) in een sterker isolement is geraakt door punten als de Nieuwe Vertaling, de Nieuwe Berijming, de toelating van de vrouw tot de ambten. Overigens wordt geconstateerd dat de kerkgang in deze gemeenten in doorsnee het grootst is en dat daar met name ook de middagdiensten nog functioneren, terwijl die in vele gemeenten al niet meer bestaan, hetzij sinds jaar en dag niet hetzij recent vanwege de sterke daling van het kerkbezoek.

De botsing van de modaliteiten in G.B. gemeenten blijkt wel heel sterk in de paragraaf over de buitengewone wijkgemeenten in wording. Liefst 19 van de 23 zijn gecreëerd in G.B. gemeenten. Het rapport zegt: 'Soms heeft men over en weer moeite gedaan elkaar vast te houden, maar het lukte uiteindelijk toch niet. Het belijden en soms vooral ook de levenspatronen weken tezeer uiteen. Soms treedt na vorming van een buitengewone wijkgemeente in wording een zekere ontwikkeling in deze b.w.i.w. in. Men begint met zich 'confessioneel' te noemen en bedoelt daar in een bepaalde streek alleen mee: niet G.B.

Inmiddels spreekt het rapport ook duidelijk over richtingen, namelijk wanneer gesproken wordt over het apostolaat in de zin van kritiek oefenen vanuit het evangelie op de politieke en maatschappelijke structuren en het omzetten van deze kritiek in daden. 'Op dit punt is er binnen de kerk en de gemeenten een toenemende polarisatie. Het zijn geen modaliteiten meer, maar richtingen, die elkaar niet of moeilijk kunnen verdragen.’

De ambten

Veel wordt in het rapport opgemerkt over de ambten. Overal bestaat de klacht dat het moeilijk is kerkeraadsleden te krijgen. 'Men ziet er tegen op ambtsdrager te zijn, zeker om ouderling te worden of om de inhoud van het werk óf om de tijd die het kost. Sommigen tillen zwaar aan het ambt, maar aan de andere kant zijn er velen die er zeer licht aan tillen. Voor hen is het niet veel anders dan het bestuurslid zijn van een club, dat men even makkelijk aanvaardt als weer beëindigt.’

Van sommige predikanten wordt gezegd dat ze niet op bezoek willen gaan, maar slechts willen komen wanneer ze gevraagd worden. Anderzijds worden voorbeelden genoemd van situaties waarin het kerkbezoek duidelijk is gestegen doordat weer trouw het pastoraat ter hand werd genomen. Ten aanzien van de catechisatie wordt een afname van het bezoek geconstateerd en een inruilen van de catechisatie voor godsdienstlessen op de middelbare scholen.

Verder wordt vermeld dat het in grote steden voorkomt dat er in een wijkgemeente slechts twee of drie ouderlingen zijn, die niet iedere week dienst doen, waardoor in tal van diensten geen ouderling meer aanwezig is. 'De dienst is dan wel 'dienst' want ze berust op een besluit van de kerkeraad, maar de aanwezigheid van alle ambten is er niet meer en men moet spreken van 'gebrekkige diensten’.

Over het diakonaat wordt opgemerkt dat gezien 'het duidelijker beeld van de diaken' en de 'concreter taak' het gemakkelijker is om aan diakenen te komen dan aan ouderlingen. En tenslotte nog de ouderling-kerkvoogd: slechts in 1/3 van de gemeenten is de kerkvoogdij aangepast aan de kerkeraad en kent men dus de figuur van de ouderling-kerkvoogd. Tweederde deel van de gemeenten heeft dus een niet-aangepaste kerkvoogdij.

De sacramenten

Wat de sacramenten betreft is het zo dat, al wordt de doop voor de kinderen nog vrij algemeen begeerd, er ook hier een teruggang waar te nemen is. En ten aanzien van het Heilig Avondmaal bestaan er in de kerk nog grote verschillen. In Friesland komt het voor dat het avondmaal door vrijwel alle lidmaten wordt bezocht, terwijl de opkomst bij de sacramentsdiensten, aldus het rapport, gunstig afsteekt in verhouding tot de kerkgang in de wekelijkse kerkdiensten.

De deelname aan het Heilig Avondmaal wordt aan de 'rechterzijde van de kerk' het geringst genoemd, al neemt daar procentueel het aantal avondmaalgangers de laatste jaren ook toe. Van één gemeente in de classis Heusden wordt opgemerkt dat het Heilig Avondmaal is afgeschaft.

Het rapport signaleert verder nog het 'merkwaardige' verschijnsel dat het voorkomt dat men aarzelt kinderen ten doop te houden terwijl men ze wel nadrukkelijk aan het avondmaal wil toelaten, of dat men geen openbare belijdenis wil maar wel toelating tot het Heilig Avondmaal. Wat het doen van belijdenis betreft, het aantal mensen dat Openbare Belijdenis aflegt neemt duidelijk af. Het rapport zegt daarvan nog: 'Om mondige lidmaten te krijgen moet er een goede catechese gegeven worden, maar een goede catechese heeft alleen effect als er catechisanten zijn! En daar ligt een levensgroot probleem in tal van gemeenten’.

Verhouding tot andere kerken

In het rapport wordt nog apart aandacht besteed aan de verhouding van de Hervormde Kerk op het plaatselijk vlak tot de andere kerken. Vooral de verhouding tot de Rooms Katholieke kerk krijgt daarbij nogal de aandacht. In Drente, Friesland, Zeeland en op de Veluwe is er nauwelijks contact, maar in Noord-Brabant en Limburg des te meer met uitzondering van het land van Heusden en Altena. Het rapport zegt: 'In de gemeenten aan de rechterzijde van onze kerk heeft men het meeste moeite met deze ontwikkelingen. Men is bezorgd omdat men vreest, dat de toenadering tot de R.K.kerk niet alleen maar mogelijk is omdat de R.K. kerk in beweging is naar een bijbels-theologisch denken, maar dat er ook een beweging is naar een totaal verlies van bijbels-denken doordat men de kerk alleen nog ziet als een orgaan dat een sociale functie uitoefent, terwijl de prediking louter humanistisch van aard is. Men ontmoet elkaar niet via het evangelie, maar via uitholling van het evangelie’.

Opmerkingen

In het bovenstaande heb ik een zo volledig mogelijk overzicht gegeven van de inhoud van het rapport van de visitatorengeneraal. Tenslotte dan nu nog een aantal opmerkingen daarover. Hoewel een dergelijk rapport uiteraard slechts fragmentarisch kan zijn, zit er toch in dit stuk een generaliserende tendens die naar het mij voorkomt in bepaald opzicht een vertekend beeld geeft. Het rapport doet het toch voorkomen alsof de hele kerk op dezelfde wijze in de algemene malaise deelt en zich in feite overal dezelfde verschijnselen openbaren. Nu zal ik de laatste zijn die zeggen wil dat de geestelijke malaise aan bepaalde delen van de kerk voorbijgaat. Maar er zijn in onze kerk toch wel heel duidelijke verschillen als het over de genoemde symptomen gaat. Neem punten als het catechisatiebezoek, het afleggen van openbare belijdenis of het kerkbezoek in het algemeen. Moet dan niet gezegd worden dat er een relatie is tussen de prediking, die zondag aan zondag gebracht wordt, en de trouw van de gemeente in dit opzicht? Daarover zwijgt het rapport doordat het te algemeen blijft. Hier zou een analyse van de achtergronden niet overbodig zijn geweest.

Zo zou ik ook willen attenderen op het punt van de deelname aan het Heilig Avondmaal. Alleen wat de rechterflank betreft worden cijfers genoemd over deelname aan het Heilig Avondmaal. In de classis Gorcum, zo wordt gezegd, viert 7-14 pct. van de gemeente het Heilig Avondmaal mee. Ook hier moet ik zeggen dat ik niet voorbij wil gaan aan een stuk vergroeiing inzake de visie op het avondmaal. Maar het komt me voor dat het rapport een vertekend beeld geeft als uitgerekend hier met percentages gewerkt wordt en over deze percentages in de rest van de kerk gezwegen wordt. Zouden deze percentages in andere gemeenten gunstiger liggen, als werkelijk de hele kerkelijke kaartenbak wordt doorgelicht. In dit verband speelt immers ook een rol dat in menige gemeente aan de rechterflank de kerk nog veel meer volkskerk is dan in andere gemeenten? Er is dan sprake van 'avondmaalsmijding' door diegenen, die in andere gemeenten al lang niet meer ter kerk komen. In vele gemeenten uit de rechterflank is er nog veel meer beslag op het volk zonder dat dit wordt doorgetrokken naar het avondmaal. Daarmee wil niet gezegd zijn dat dit gemeentelijk gezien gezond is, maar het is wel de practijk. En bovendien wil ik toch ook wel opmerken dat al kan er enerzijds sprake zijn van een lichtvaardige mijding er anderzijds ook van een zodanig ernst maken met de heiligheid van dit sacrament sprake kan zijn die, ook al leidt dit tot niet-deelname aan het sacrament, geestelijker is dan het lichtvaardig aangaan, waarbij de zelfbeproeving ontbreekt. Daarmee wil uiteraard niet gezegd zijn dat wie niet aangaat geestelijker is dan wie aangaat, zoals het rapport als illustratie geeft. Maar de wijze waarop aan het avondmaal wordt deel genomen is wel belangrijk.

Tenslotte wil ik nog enkele incidentele opmerkingen maken. Opvallend is dat in het rapport ten aanzien van de modaliteiten als stromingen genoemd worden de piëtistische, de op dé Nadere Reformatie georiënteerde en de cultuur-betrokken stroming, terwijl de Reformatie zélf niet wordt genoemd. Of zit dat in elk van die stromingen opgesloten? In ieder geval zou het niet overbodig geweest zijn als in het rapport ook onder de loep genomen was in hoeverre het gereformeerde karakter van onze kerk in al haar delen een werkelijkheid is of een fictie.

Verder zou ik willen vragen: waarom wordt in het rapport wel overvloedig aandacht besteed aan de buitengewone wijkgemeenten in wording in G.B. gemeenten en gaat het rapport voorbij aan de diverse evangelisaties waarin zondag aan zondag vele gemeenteleden in niet-rechtzinnige gemeenten een kerkelijk onderdak moeten zoeken om de gereformeerde prediking te horen? Hier ligt toch eenzelfde stuk problematiek?

Dan rijst ook de vraag waarom het Getuigenis met geen woord wordt genoemd, terwijl wèl over de polarisatie gesproken wordt? Juist het feit dat het Getuigenis in de gemeenten het nodige heeft uitgewerkt mocht dunkt me wel aanleiding zijn dit ook te releveren, vooral omdat wèl gesproken wordt over de maatschappij-kritische instelling bij velen.

Ook komen er in het rapport nogal eens generaliserende opmerkingen voor die niet de werkelijkheid geheel dekken. Bijvoorbeeld als gezegd wordt dat 'overal' de klacht bestaat dat het moeilijk is om ambtsdragers te krijgen, en ook als gezegd wordt dat 'sommigen' zwaar aan het ambt tillen terwijl er 'zeer velen' zijn die er licht aan tillen. Ik geloof toch wel dat gezegd mag worden dat er nog heel wat gemeenten zijn waar men gelukkig nog minder moeilijk aan ambtsdragers komen kan dan hier wordt voorgesteld, terwijl het ook zo is dat naast de 'zeer velen' die er licht aan tillen er ook nog zeer velen zijn die er zwaar aan tillen.

Tenslotte

Intussen geeft het rapport geen opgewekt beeld van ons kerkelijk leven. Dat is een ernstige zaak. Het is echter goed dat de zaken eerlijk onder ogen worden gezien. Anderzijds zijn er gelukkig nog 'vele goede dingen in Israël'. Terecht zegt het rapport: 'Wij vergeten niet, dat dezelfde gemeenten, waarover we nu zeer bezorgd zijn, ook vijftig of honderd jaar geleden dezelfde zorgen gaven. Het is eerder te verwonderen dat ze npg bestaan ... God kan ook zonder de jeugd zijn kerk in stand houden.’

Ik zou daar nog aan willen toevoegen dat het ook te verwonderen is dat er gemeenten zijn die honderd jaar geleden kwijnend waren en nu 'goede' gemeenten mogen zijn, dat er een groei te constateren is van de doorwerking van het gereformeerd belijden en dat vele gemeenten die 'goed' waren ook 'goed' zijn gebleven, zodat een heel nieuw geslacht ook in onze tijd nog weer mag horen de boodschap van het Woord. De toekomst van de kerk ligt in Gods hand. Die gedachte geeft rust, hetgeen nog iets anders is dan gerustheid. Daarvoor geeft het rapport van de visitatoren ook geen aanleiding.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Het geestelijk leven van gemeenten en kerk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's