Belijden en belijdenisgeschriften II
Betekenis van de protestantse traditie
In de belijdenisgeschriften van de Reformatie hebben wij de beste traditiën van het reformatorisch protestantisme. Maar anders dan in de zin waarin het concilie van Trente over de traditie sprak. Het is geen aanhangsel van of een toevoeging aan de H. Schrift. Dat zou immers betekenen dat wij dan de Schrift achter ons hebben gelaten — wij zouden al verder zijn. En in de geschiedenis van de Kerk zijn er de waarschuwingen. In de Middeleeuwen waren het de Sententien van Lombardus, die bestudeerd werden ten koste van de studie van de Bijbel en met uitschakeling der Schriften. — Voor ons geldt de waarschuwing: Bewaart deze geschriften, maar in nauw en levend contact met het eeuwige Woord van God. Wee, als de belijdenis een eigen leven gaat leiden los van de Schrift. Dan komt het beroep op de Schrift nog wel voor, maar eigenlijk betekent dit beroep niets meer, het is een f raze geworden. Zonder het contact met het Woord verstart de leer tot een systeem.
Dat is de ene kant van de zaak van het gezag van de belijdenis. In de tijd van de Remonstranten wilde een geavanceerde remonstrant wel de Schrift ondertekenen, maar niet de belijdenis. Dan weten wij wel wat er uit komt. Wij moeten altijd erg voorzichtig zijn met mensen, die luide verkondigen, dat zij zich alleen maar aan de Schrift houden. K. Barth waarschuwde, dat achter een dergelijke stelling vele malen 'een rijkelijk vrijzinnige theologie' schuil gaat.
Geestelijk gezag van de belijdenis
Vandaag de dag wordt van de belijdenis gesproken als monumenten uit het verleden. Het doet ons denken aan sommige gemeenten, die de beschikking hebben over oude kerken, machtige monumenten — alleen ongeschikt voor het gebruik in deze tijd. Alleen door geldverslindende restauraties en vele veranderingen zijn zij geschikt te maken voor het eigenlijke doel. Zo staat men soms vol bewondering naar de belijdenisgeschriften te kijken. Zij zijn als alle antiek van hoge waarde, maar voor dagelijks gebruik ongeschikt, dood kapitaal. Zo zonder meer kunnen zij in het leven van de Kerk niet functioneren en men gaat eraan dokteren, om geen onvriendelijker woord te gebruiken. En daartegen gaat onze strijd. Wij willen niet, dat onze belijdenissen in een museum van oudheden worden opgeborgen. Een belijdenis moet leven in de Kerk. Wij hebben niet te doen met een station, dat wij voorbij zijn, maar wij moeten weer terug, ergens een kerkelijke 'renaissance' doorleven en daarmee terug naar de hoogtepunten van geestelijk en kerkelijk leven, waarvan de belijdenissen getuigenis afleggen. De belijdenis is meer dan een historisch stuk, waarvan men zich meent te kunnen ontdoen door te wijzen op tijdgebondenheid. Een hoogmoedig individualisme meent zich te kunnen en te mogen onttrekken aan het kerkelijk gezag van de belijdenisgeschriften, naar het woord van Van Ruler spreekregels der Kerk. Men wil ten aanzien van de belijdenissen niet honoreren, dat niet alleen Guydo de Brés (ook wel geschreven de Bray) maar vele andere martelaren dit getuigenis met hun bloed hebben bezegeld; dat wij hier te doen hebben met een geestelijk testament. De belijdenis is 'gemaakt met een gemeen accoord door de gelovigen, die in de Nederlanden overal verstrooid zijn, die naar de zuiverheid van het heilige Evangelie van onze Here Jezus Christus begeren te leven'. (Zo lezen we op het titelblad van de Belijdenis 1562; boven de brief aan de Koning van Frankrijk staat: de gelovigen, die in de Nederlanden zijn, die naar de waarachtige reformatie van het Evangelie onzes Heren Jezus Christus begeren te leven). Niet alleen De Brés. In de brief aan de Koning spreekt De Brés van honderd duizend mannen, houdende en volgende de religie, waarvan wij u nu de belijdenis overleveren. En het apostolisch vermaan geldt ook hier: Gedenkt uwe voorgangers, die u het Woord Gods gesproken hebben en volgt hun geloof na, ziende de uitkomst van hun wandel (Hebr. 13 : 7).
Het behoeft ons niet te verwonderen, dat vroeger en vandaag men zich van de belijdenis ten aanzien van velerlei stukken losmaakt. Het gezag van de Belijdenis is afgeleid gezag; van de belijdenis zegt men: het is een genormeerde norm (norma normata); de Schrift is de norm (norma normans). Hoevele malen wordt aan het gezag van de H. Schrift getornd! Sommige boeken staan maar laag genoteerd bij verscheidene kritische theologen. B.v. het boek Prediker of Esther. Uit het Nieuwe Testament o.a. de pastorale brieven (aan Timotheus en Titus); hoogstens enkele stukken hiervan zouden van Paulus' hand zijn en in elk geval zijn zij uit een latere periode van Paulus. Zo kan men doorgaan. Het beroep op het Er staat geschreven wordt door allerlei redenering krachteloos gemaakt. Dit geschiedt met de canonieke boeken, waarvan onze Belijdenis zegt, dat daartegen niets te zeggen valt (art. 4; naar de Franse uitgave geen repliek, répliauer). Van deze boeken staat elders (art. 5) wij geloven zonder enige twijfel al hetgeen daarin vervat is. Als men zo met het Woord Gods omgaat wat zal er dan overblijven van de Belijdenis? Terwijl een vrijblijvende discussie ten aanzien van de Schrift tekort doet aan het zelfgetuigenis der Schriften! Bucer schreef ergens: Wie zich niet laat gelegen liggen aan het Woord Gods, zal zich nog minder storen aan woorden van mensen.
De betekenis van het verleden voor het heden.
Maar de Kerk kan toch niet blijven staan bii 1561 en 1618 enz.? En hier valt dan vele malen het woord progressief, zovele malen dat het veelszins een kreet is geworden, waarmede niet meer te werken valt. Maar in elk geval de progressieve wil vooruitgang. In het woord (progredior) zit vooruittrekken, voortschrijden, verder oprukken. En in de Kerk moet dan de vraag gesteld aan alle progressieven: Waar wilt u ons brengen? In welke richting koerst u toch? Het is niet te ontkennen, dat er tempo zit in de dingen; op maatschappelijk, sociaal, technisch gebied zijn veranderingen in de lucht, die weinige decenniën geleden nauwelijks denkbaar waren. Kan de Kerk dit bijhouden? In het voor de oorlog verschenen werk van W. J. Aalders (De roep der Kerk, 1936), een boek, dat ik nog maar zelden aangehaald zie en dat niet verdient reeds nu te zijn vergeten, vergelijkt de auteur de Kerk met een stroom. En onmiddellijk daarop vraagt hij: Is dit beeld wel juist? Is het niet één van de bezwaren, die tegen de Kerk worden aangevoerd, dat zij zo moeilijk in beweging te krijgen is, dat zij achterlijk is en altijd achteraan komt? Dan past hij het Engelse spreekwoord op de Kerk toe: Hij gaat ver, die langzaam gaat. Proeftuinen zijn goed, schrijft hij, maar het zou er met de landbouw slecht uitzien, als men van het gehele land één proeftuin maakte of van het bedrijf één proefneming. De Kerk heeft geen vliegende haast. Zij mag in geen geval gejaagd zijn. Dit langzame gaan van. de Kerk is alleen haar recht en haar plicht op voorwaarde, dat zij dan ook vér gaat. — Nog één opmerking haal ik aan uit dit verband: Naarmate de Kerk zich minder waagt op het gebied, waar zij gezag heeft, kan zij op haar eigen gebied met te groter gezag spreken. Ik geloof, dat deze dingen in deze tijd zeer acuut zijn. Het gevaar van dilettantisme, van een kerk, die van alles verstand, over alles haar oordeel klaar heeft.
De Kerk probeert het tempo bij te houden. En daarom is de rust weg en de stille bezinning. Wij zien een voorhoede optrekken in een progressie die de achterhoede in geen enkel opzicht kan bijhouden en die voor de koplopers zelf ik weet niet hoeveel moeite in zich bergt. Het mij wel eens denken aan het Amerikaanse expeditieleger in de eerste wereldoorlog. De infanteristen werden vooruitgezonden, maar zij konden al die stukken uitrusting en wat nog meer niet langer dragen en de weg lag soms zo bezaaid met voor een militair noodzakelijke dingen, dat het met wagens vol werd ingezameld. Die bagage heb ik niet nodig, dacht men, maar tot hun schade. En trek dat beeld maar door. Hoe langer de verbindingen worden, hoe gevaarlijker gaat het er voor de voorhoede uitzien; het gevaar dreigt van omsingeling, door de vijand. De gehele voorhoede dreigt afgesneden te worden. En hoe ver men dan ook in het land van de vijand mag zijn doorgedrongen, zulk een voorhoede is weg en verloren.
In deze tijd wordt de afstand tussen de theologen — of moet ik zeggen de voorgangers? — hoe langer hoe groter, ondanks het nivelleringsproces, dat zeer progressief verder gaat. De afstand algemene kerk en plaatselijke Kerk wordt groter, ondanks conferenties, herderlijke brieven en raden. Of misschien juist daardoor? Omdat men — op zijn best — het verleden wel kent, — maar men heeft er mee gebroken. Het zegt hun voor deze tijd niets meer.
De belijdenis is ons niet heilig, niet onfeilbaar, zij blijft examinabel aan de Schriften, maar zij tekent de weg, waarin de Kerk heeft te gaan.
Waarom wilde Calvijn de belijdenis niet ondertekenen?
Maar had Calvijn zelf het wel zo erg op een belijdenis? Deze vraag is de laatste tijd — opnieuw — herhaaldelijk aan de orde gesteld. In '69 verscheen in de serie Cahiers voor de gemeente een werk van dr. C. Augustijn over Kerk en belijdenis, waarin hij op Calvijs standpunt ingaat en o.a. schrijft over De Geloofsbelijdenis in Nederland, ook in verband met een ondertekeningsformulier. Voor Calvijn wijst hij o.a. op de bekende uitspraak: Sommigen worden aangevuurd door een heftige ijver een geloofsbelijdenis te publiceren. Wij betuigen echter voor engelen en mensen, dat deze hartstocht ons tot nu toe mishaagt. Verscheidene scherpe reacties waren het gevolg van deze publicatie. Nauta in: Een geloofsbelijdenis van Calvijn (in Schrift en Uitleg, Kok, 1970) ineent, dat Augustijn een scheef beeld heeft getekend omtrent de reformatorische opvatting van geloofsbelijdenissen. Hij bespreekt het geval Caroli en de Synode van Lausanne in 1537. Caroli had Calvijn, Farel en Viret van Arianisme beschuldigd en geëist, dat Calvijn de symbolen van de Oude Kerk zou ondertekenen. Dit heeft Calvijn geweigerd. Calvijn dacht er echter niet aan de continuïteit met de belijdenis van de Kerk der eeuwen te verbreken. Door de geloofsbelijdenis werden er naar zijn opvatting wel degelijk bepaalde grenzen getrokken. Voor wie welbewust weigerde zich te verenigen met de gemeenschappelijk aanvaarde geloofsbelijdenis was er op zijn standpunt geen plaats in de Kerk (tot zover Nauta; sinds schreven over dezelfde vragen o.a. Praamsma en Van Genderen, wier werken ik nog niet kon raadplegen; ik hoop ze t.z.t. te kunnen aankondigen).
Men mag niet vergeten, dat Calvijn de catechismus van Geneve als een geloofsbelijdenis zag; ook gaf hij een concept voor een Franse belijdenis in 1559. Calvijn heeft de belijdenis niet wettisch willen verstaan, zoals ook Van der Linde zegt: Calvijn wenste geen tyrannic in de kerk, (De leer van de Heilige Geest bij Calvijn, blz. 22). Het gaat bij de belijdenis niet om een formele autoriteit, maar om een geestelijke. Groen van Prinsterer sprak van de betekenis van de belijdenis op eenzelfde wijze: 'niet als een wetboek, maar als een belijdenis uit het hart van een godvrezend voorgeslacht geweld.’
Dat Calvijn verre van negatief stond tegenover geloofsbelijdenissen blijkt ook uit wat hij schrijft over de Apostolische geloofsbelijdenis: Ik twijfel er niet aan, of deze artikelen hebben terstond van de eerste oorsprong der Kerk en derhalve van de tijden der apostelen af ingang gekregen als een belijdenis, die publiek en van allen met eenstemmigheid is aangenomen, ofschoon men niet juist weet, van wie ze oorspronkelijk zijn voortgekomen. Het is bekend, dat ze van de uiterste en hoogste heugenis af bij alle godvrezenden in een zeer heilig aanzien en eerbied zijn geweest. Hetgeen wij boven alles moeten ter harte nemen, dat valt buiten alle geschil, nl. dat daarin de ganse beschrijving van ons geloof kort en met een bescheiden orde verhaald wordt en dat zij niets bevatten, hetwel niet met vaste getuigenissen der Schrift is verzegeld (Inst. II - 16, 18). En elders: In de artikelen des geloofs hebben wij een volkomen en in alle stukken volmaakte hoofdsom des geloofs, waarin niet anders gesteld wordt dan wat uit het zeer zuivere Woord Gods is genomen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's