Uit de pers
De toelating tot de viering van het Heilig Avondmaal
In het najaar van 1971 ontvingen kerkeraden en classicale vergaderingen een schrijven vgn het moderamen der generale synode met betrekking tot de vragen van de toelating tot het Heilig Avondmaal. De synode wijst erop dat eventuele veranderingen inzake de viering van het Avondmaal niet maar mogen berusten op gevoelsoverwegingen, maar dat beslissend is, of de veranderingen overeenkomstig de Schrift en het belijden der kerk zijn. Ook dienen de kerkordelijke consequenties overdacht te worden.
Aan de brief is een uitvoerige nota van 14 bladzijden toegevoegd over de vragen van belijdenis en Avondmaal, eventuele toelating van kinderen tot het Avondmaal enz. Het is de bedoeling dat voor 1 juli van dit jaar de rapport over deze zaak ingediend worden bij de synode.
In het orgaan van de confessionele vereniging wijdt prof. dr. G. P. van Itterzon in het nummer van 20 januari een artikel aan dit onderwerp. Van Itterzon wijst op de wanordelijke situatie in onze kerk, deels ontstaan door de aanvaarding van het open en oecumenisch Avondmaal, deels doordat in allerlei gemeenten de bepalingen van de kerkorde zonder meer genegeerd worden en men rustig de gezinscommunie doorvoert. Dat is niet bevorderlijk voor een duidelijke situatie, maar werkt de chaos in de hand.
Nu is het duidelijk dat de hele kwestie van de gezinscommunie, de vraag dus of kinderen toegelaten mogen worden tot het Avondmaal mede samenhangt met het oecumenisch vraagstuk en de oecumenische ontwikkelingen.
Het vijfde hoofdstuk van de nota wijst op de verhouding van de Hervormde kerk tot de Lutherse en R.K. kerk. Binnen het kader van de Raad van Kerken vindt op het ogenblik een gesprek plaats over de intercommunie. De vraag is m.i. niet ongewettigd: Zal de Hervormde Kerk in dit oecumenische gesprek ook waarlijk een 'calvijns' en dus reformatorisch geluid laten horen? Prof. Van Itterzon stelt over dit onderdeel van de nota een aantal critische vragen. Hij schrijft: Dat er vele verschillende opvattingen zijn, wordt vooral duidelijk, als men naast het eerste hoofdstuk van de nota het vijfde legt. Daar wordt niet gevraagd, wat het Avondmaal volgens de H. Schrift te betekenen en te verzegelen heeft, maar lezen we een opsomming van wat men 'belevingsaspecten' noemt. Men ziet dan in het avondmaal o.a.:
1. de gave, waarin God de zijnen deel geeft aan de vrucht van Christus' verzoenend sterven en van Zijn overwinning op de paasmorgen;
2. de gemeenschap, het samen-zijn als mensen, die door Christus zijn bevrijd uit de nood van zonde en schuld;
3. de dankzegging, die uitloopt op de voorbede voor aan-of afwezigen, voor de kerk en voor de wereld en haar zorgen;
4. een mystieke dimensie, de eenheid met de Heer die de zijnen voedt door Zijn gemeenschap;
5. de uittocht uit het land van de slavernij onder de oude machten naar het onbekende land, dat God beloofd heeft;
6. als teerkost op de weg naar Gods toekomst.
Het kan zijn, dat de nota gelijk heeft en dat de viering van het Avondmaal door ieder op verschillende wijze wordt beleefd. Dit zal volgens de nota komen, omdat die viering in hoge mate afhankelijk is van allerlei factoren, waarbij kerkelijke herkomst, maatschappelijke bewogenheid, oecumenische inzet' en ook bijbelse vorming en leeftijd ëen rol spelen. De vraag kan echter worden gesteld, of dit een juiste manier is om het Avondmaal te verstaan. Het krijgt zodoende wel verschillende betekenissen, als die van een misoffer; een eucharistie; een herdenkingsmaal; een beleving van saamhorigheid; een plaats voor voorbede, misschien zelfs voor overledenen, in elk geval voor de wereld en haar zorgen; een afspiegeling van het Joodse Paasmaal, waarbij we blijkbaar uitzien naar de verlossing van de slavernij onder oude machten en we, als ik het goed begrijp, naar een onbekend land op reis zijn met nieuwe structuren en politieke verhoudingen, de bekende 'samenzweringsmaaltijd'. Zouden we mogen stellen, dat heel veel van dit alles niet te maken heeft met wat de bijbel ons inzake de instelling van het Avondmaal door Jezus zelf heeft meegedeeld? Zou het niet goed zijn, als we ons herinnerden, dat Jezus het brood heeft gebroken als Zijn lichaam, dat voor ons gegeven wordt tot Zijn gedachtenis en dat Hij de beker heeft uitgereikt als het nieuwe verbond in Zijn bloed, dat voor ons uitgegoten is tot vergeving van zonden? Moeten we dit brood niet eten en de beker drinken en hierbij verkondigen de dood des Heren tot dat Hij komt? Zou het niet zaak zijn, dat we alle bijmengsels als bijprodukten vem onze menselijke mijmeringen probeerden uit te zuiveren? Heeft niet alleen de H. Schrift uit te maken wat het Avondmaal te zeggen heeft? Kunnen er niet veel 'belevingsaspecten' zijn, die puur aan onze menselijke willekeur moeten worden geweten?
Zoals we tegenwoordig zo vaak tegenkomen treffen we ook hier een overaccentuering van de geloofsbeleving aan ten koste van de geloofsinhoud.
De eerlijkheid gebiedt wel om er bij te zeggen dat de synodale nota in hoofdstuk II de bijbelse gegevens over de relatie van de kinderen tot het Avondmaal nagaat. Volgens deze nota bevat de bijbel slechts indirecte gegevens. Het zal zaak zijn dat we op dit punt deze nota heel aandachtig lezen, en vooral dat we ons verdiepen in de Schriftgegevens ter zake van de relatie belijdenis en Avondmaal.
Nu wordt in heel deze materie vaak ook de naam van Calvijn genoemd. Calvijn zou zo zegt men, gepleit hebben voor de kindercommunie. Prof. Van Itterzon meent dat men zo ongenuanceerd niet kan spreken. Met een verwijzing naar een artikel van dr. J. Haitsma schrijft hij: Kindercommunie. Ja, zegt Calvijn, maar na een grondige catechese, als de kinderen reeds geschikt zijn tot de vaste spijs. En wij? Als ik hoor, wat er via de beeldbuis aan catechese wordt gegeven, en als ik daarnaast zie, op welke fantastische wijze diverse bijbelverhalen tot bijbelvertellingen worden verbogen, zodat ze niet aan de bevatting van de kinderen, maar naar de toevallige inzichten van de grote mensen van deze tijd zijn omgebogen en vervormd, word ik huiverig. De kinderen worden vanwege de nieuwe opvattingen en veronderstellingen van 'grote mensen' zozeer met water en melk gevoed, dat ze aan de vaste spijs voorlopig niet toekomen. In sommige gemeenten is het zelfs zo, dat ook aan ouderen een soort preekvoedsel wordt voorgezet, dat weinig op de vaste spijs lijkt, waar de Schrift van spreekt. Altijd onder het voorwendsel, dat de mensen het anders niet begrijpen en dat men de bijbelse boodschap voor hen moet 'vertalen', zodat ze het weer vatten kunnen. Afgezien van de vraag, of men de kerkgangers dan niet onderschat en denkt, dat ze nog in de kinderschoenen staan, kan men vrezen, dat ze niet het goede voedsel voorgezet krijgen, maar een surrogaat, dat ze slecht bekomt en waarvan ze zich dan ook op duidelijke wijze afkerig tonen. Misschien zou het aanbeveling verdienen, als ook de ouderen nog eens begonnen die vragen en antwoorden voor kinderen van Calvijn te overwegen. Ze zijn misschien niet zo kinderlijk, of ze zijn nu voor ouderen nog bijzonder bruikbaar. Dan waren we niet zo eigenwillig aan 'belevingsaspecten' toe en lieten we ons wat meer leiden door Hem, die het avondmaal heeft ingesteld en volstrekt de enige is die het recht heeft er de betekenis aan te hechten die Hij wil.
Terugkomend op die kindercommunie: Mogen we eens weten, hoe het met het aantal catechisanten staat? En wat er al zo op catechisatie wordt verteld? Ik vrees, dat de percentages ontstellend laag zijn. Zelf weet ik, wat kinderen, die aan het avondmaal hebben deelgenomen, met hun belevingspatroon daar hebben gedacht. Laten de ouderen zich daar niet te veel van voorstellen. Bovendien is het echt zo, dat kinderen zitten te springen om toegelaten te worden? Of is het een idee van oudere mensen, die dit hebben bedacht?
Terecht waarschuwt Van Itterzon voor de grote geestelijke chaos die ontstaat als men belijdenis en Avondmaal ontkoppelt. De weg ligt dan open naar een Avondmaalsviering waarbij ieder het zijne denkt en het zijne gelooft. En dat betekent m.i. dat de Avondmaalsviering van zijn bijbelse inhoud ontdaan wordt. Het betekent ook een uitholling van de catechese.
De nota zegt over de relatie belijdenis en Avondmaal overigens goede en waardevolle dingen. Wie de relatie losmaakt heeft het N.T. en de reformatorische traditie tegen, zo lezen we op blz. 12.
Prof. Van Itterzon gaat ook nog in op het aspect 'Belijdenis en Kerk'. Hij schrijft hierover:
Dat bij een ontkoppeling van belijdenis en avondmaal, bij een verwaarlozing of veronachtzaming van de catechese de kerk zichzelf ondermijnt, staat wel vast. Voor de nota is dat wel duidelijk, omdat deze zich toch bezig houdt met de vraag, of er dan nog belijdende lidmaten komen. En dus nog ambtsdragers. En dus nog (de nota rept ervan en waarom het dan te verzwijgen? ) nog de nodige financiën. Over het medicijn van een huisdienst maak ik me geen enkele illusie. Evenmin over het bijbels onderricht door de ouders. Wat op blz. 13 over het 'in enigerlei vorm handhaven van de openbare belijdenis' is gezegd, is typisch. Het wordt met 'het actief en passief kerkrecht' in verband gebracht en evenzo met 'de (ook officiële) verantwoordelijkheid van het leven der gemeente', die tot uitdrukking zou kunnen komen. Men stelle er zich niets van voor. Als we de catechese gaan veronachtzamen, de waarde van het doen van belijdenis in twijfel trekken, de betekenis van een persoonlijke keuze voor Christus dubieus achten omdat het toch om 'het volk Gods' gaat, om de gemeente, het huis des Heren en niet de enkeling, zijn de gevolgen duidelijk. Het in ere herstellen van de huisdienst is dan een medicijn, dat weinig zal helpen, omdat men het dan niet meer gebruikt. Het toelaten van kinderen tot het H. Avondmaal 'onder de belofte hunnerzijds (en van de kant van hun ouders), dat zij nog enige jaren het catechetisch onderwijs zullen volgen' is een puur-wettische maatregel, waarvan ieder weet, dat hij geen enkel positief effect sorteert. Grappig, dat onmiddellijk hierop de zin volgt: 'In dat geval kan het kiesrecht b.v. na hun 8e verjaardag gaan functioneren en hun (financiële) verantwoordelijkheid wanneer zij tot de gevestigde stand zijn gekomen'. Zo'n zin vind ik nu in het kader van een nota over de toelating tot het Heilig Avondmaal zo ontstellend burgerlijk, en passend in het verenigingsrecht, dat ik er geen commentaar op geef. De opstellers van het stuk hebben blijkbaar zelf terdege beseft, dat wij met al deze overwegingen kerkelijk op een hellend vlak zijn gekomen. Ze vragen: Bent u van oordeel, dat men van jongeren kan en mag verwachten, dat zij het Lichaam van de Heer onderscheiden op een wijze die bij hun leeftijd past? Naar mijn antwoord behoeft niemand te raden. De zesde vraag luidt: Welke consequenties ziet u bij eventuele verlaging van de leeftijdsgrens, A. t.a.v. de openbare belijdenis en de vorm ervan; B. t.a.v. het actief en passief kiesrecht; C. t.a.v. de ook financiële verantwoordelijkheid die een lid maar heeft voor het kerkewerk. Nu, die consequenties zijn duidelijk. Neem de waarde van een goede catechese weg en de volgende zaken gaan ter ziele: de openbare belijdenis; het kiesrecht in beide vormen, omdat niemand zit te springen om in een kerkeraad te komen; de kerkelijke financiën, waarover men dan echt niet meer wakker ligt.
Mag ik tenslotte mijn dankbaarheid er over uitspreken, dat het vierde hoofdstuk er ook nog in staat. Het is te hopen, dat onze kerk, om met het moderamen te spreken, nog in die 'weg van het belijden' blijft. Anders gaan we aan onze zgn. oecumenische contacten en twijfelingen ten onder. Althans wat de menselijke kant betreft.
Wij zijn dankbaar voor dit oriënterende artikel, dat niet bedoeld is als een uitputtende behandeling van de synodale nota, maar wel de vinger legt bij enkele belangrijke aspecten. We meenden er goed, aan te doen een en ander aan u door te geven, opdat men op zijn qui-vive is, en wanneer de zaak op kerkeraden of classicale vergaderingen aan de orde komt, goed beslagen ten ijs komt. Laat men met dit artikel van prof. Van Itterzon ook de nota terdege bestuderen. De zaak is er te belangrijk voor, dan dat men het voor kennisgeving kan aannemen. Want het gaat om een vitaal stuk van het geestelijk leven van de gemeente.
Uit een afscheidspreek
Het is geen gewoonte in deze rubriek preekfragmenten op te nemen. Voor ditmaal een uitzondering. We nemen het over uit Waarheid en Eenheid van 11 januari jl.
Prof. dr. W. D. Jonker keerde, na bijna drie jaar in Kampen te hebben gedoceerd, half juni vorig jaar naar zijn vaderland — Zuid-Afrika — terug. Zondag 6 juni hield hij z'n 'afscheidspreek' in onze Burgwalkerk. 't Ging over 2 Cor 13 : 13, de apostolische zegen. De preek werd nadien in de Kerkbode opgenomen, 't Lijkt me een goede zaak om, juist nu we aan het begin staan van een nieuw jaar, er iets — en dan speciaal het slot — uit over te nemen. Prof. Jonker zegt, 'dat een zegen betekent dat iemand in de Naam van de Heer aan anderen het allerbeste toezegt dat hun toegezegd kan worden.' In bedoelde zegen gaat het om de Drieënige God.
Met deze belijdenis staat en valt de kerk. Is God niet de Drieënige en heeft Hij zich niet zó geopenbaard als in de apostolische zegen verondersteld wordt, dan zijn wij nog vreemdelingen, dan zijn wij nog geen kinderen en huisgenoten Gods. Dan is God niet werkelijk tot ons gekomen en dan hebben we niet echt gemeenschap met Hemzelf.
Daarom is het zo belangrijk dat wij aan de belijdenis van de Drieëenheid van God moeten vasthouden. De kerk in Europa heeft vele crises overleefd. Opnieuw verkeert de kerk in Europa in een geloofscrisis. Ditmaal staat de belijdenis van de Drieëenheid van God opnieuw op het spel. In de theologie zit er in vele kringen een anti-trinitarische neiging. Men wil Jezus nog wel aanvaarden als een profeet en nog liever als een revolutionair. Maar dat Hij God zelf zou zijn, gekomen tot ons in het vlees — daar kan men eigenlijk niet meer mee uit de voeten. Daarom zoekt men ook in de theologie zo naarstig naar een beeld van de zogenaamde historische Jezus. Men wil achter Pasen terug, dus ook achter Pinksteren en het getuigenis van de Geestvervulde gemeente. Men wil zoeken naar een kern van wat rationeel aanvaardbaar geacht zou moeten worden. Maar dan is de belijdenis van de Drieëenheid niet meer te handhaven. Jezus wordt een bijzonder mens en de Geest wordt de 'geest van Jezus', waarmee zoiets bedoeld zal zijn als de gezindheid van Jezus. Maar daarom is het ook begrijpelijk dat men in onze tijd weer achter het hele Nieuwe Testament terug wil gaan en op het vlak van het Oude Testament over het heil wil praten. Voor velen is het heil weer tot een aards heil geworden. Het mag dan waar zijn dat de kerk eeuwenlang te weinig oog gehad heeft voor de betekenis van het aardse leven, het is onverantwoord om het pendulum weer helemaal terug te laten zwaaien naar het Oude Testament, alsof de meerdere openbaring van God als de Drieënige ook het heil niet oneindig verdiept heeft en alsof een goed leven op aarde het allerbeste zou zijn dat we van God mogen verwachten. Zo ziet u dus: mijn afscheidswoord, mijn woord van zegen, heeft ook een spits naar de vermaning toe: Denk niet, dat de kerk in Europa Kerk kan blijven zonder de trinitarische inhoud van deze zegen serieus te nemen! De mondige mens die denkt geen genade meer nodig te hebben en geen liefdevolle Vader; de geseculariseerde mens die meent het zonder de gemeenschap met de Heilige Geest te kunnen stellen, is niet de mens door wie de boodschap van de kerk in deze tijd uitgedragen zal kunnen worden. In de grote verantwoordelijkheid die de kerk in Europa opgelegd is, kan ze de volle inhoud van de apostolische zegen in geen enkel opzicht missen.
Behartenswaardige woorden waarmee de kerk in ons land haar winst moge doen. Woorden ook om dankbaar voor te zijn. Zoals er ook dankbaarheid is voor de bijdrage die prof. Jonker tijdens zijn 'Kamper' jaren gegeven heeft aan kerk en theologie. Moge zijn stem ook vanuit Zuid-Afrika onder ons doorklinken en gehoor vinden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's