De oud-Christelijke kerk III
Kenmerkend voor de gebeden in de Oudchristelijke kerk is de nauwe aansluiting bij de Schrift die in vrijwel alle kerkgebeden doorklinkt. Het bidden van de gebeden werd al vrij spoedig aan bepaalde voorgangers toevertrouwd, die er toe over gingen formuliergebeden vast te stellen.
Daardoor dreigde het gevaar van een zeker formalisme. Deze dreiging werd nog sterker, toen het gebed aan bepaalde uren gebonden werd. 'Derde', 'zesde' en 'negende' heten ze bij Tertullianus. Ook lezen wij van 'rechtmatige gebeden bij het aanbreken van de dag en van de nacht'. Als de Didache eveneens 'drie maal daags' gebiedt het Onze Vader te bidden, dan rijst de vraag, of niet in de tijdsbepaling een parellel beoogd is met de gewoonte van de Israëlieten, wier 'Schmone Esre' (Deut 6:4) immers aan de morgen, de middag en de avond gebonden was.
De Christenen baden gewoonlijk staande, waarbij de ogen ten hemel geslagen waren, en de handen enigszins waren opgeheven, geopend naar omhoog, als om Gods verhoring te ontvangen. Knielen kwam echter ook voor als uitdrukking van verootmoediging en boetvaardigheid. Diep berouw betuigde men door het zich neerwerpen op de grond.
Hier dient nog vermeld te worden, dat de Christenen in hun samenkomsten het gebed van de voorganger gaarne naar het voorbeeld der synagogen, met een 'Amen' beantwoordden, en dat ook de heilige kus — Tertullianus noemt hem 'de kus, die de zegel is van het gebed' — bij plechtige gelegenheden het gebed besloot. Het gebruik om de handen te wassen vóór het gebed kwam evenzeer reeds in deze periode in zwang.
c. het Avondmaal
In 1 Korinthe 11 geeft Paulus een beschrijving van de agapè, het liefdemaal, dat nauw met het Avondmaal verbonden is. Komt deze combinatie ook voor in de na-Apostolische periode? Ignatius (115) maakt melding van de agapè, een feestelijk gebeuren, welk woord Tertullianus vertaalt niet 'dilectio', liefde. Hij wijdt er met voorliefde over uit. Spreekt Plinius van samenkomsten der Christenen 'tot het nemen van voedsel, op gemeenschappelijke en onberispelijke wijze gehouden', de rhetor van Carthago maakt uitdrukkelijk melding van nachtelijke bijeenkomsten, die een levendige tegenstelling vormden met de maaltijden der heidenen. Gebrekkigen werden er verkwikt, de matigheid werd er betracht, gebed en bijbellezing bevorderden de stichting.
Toch bleven er vermoedelijk misstanden voorkomen bij dergelijke liefdemalen. Zelfs werd er een Synodaal verbod uitgevaardigd tegen 'het vieren van liefdemalen in de kerken en het eten en aanliggen op aanlegbedden in het huis Gods'. Er werd met minachting gesproken over de mensen, die buiten de kerken 'uit het geloof liefdemalen aanrichtten en om de Here te eren de broeders samenriepen'. Aan de liefdemalen kwam dus een einde. Maar de sacramentele viering van het Avondmaal des Heren hield stand.
De eerste Apologie van Justinus geeft in de hoofdstukken 65-67 een uitvoerig verhaal over de samenkomsten der gemeente, waar het Woord wordt gelezen en gevolgd wordt door de viering van het H. Avondmaal. Een kort citaat moge duidelijk maken, dat niet ieder gemeentelid automatisch aan het Avondmaal werd verwacht: 'Aan haar mag slechts deelnemen, die overtuigd is van de waarheid van onze leer, die gereinigd is door het bad (van de Doop), dat vergeving der zonden en wedergeboorte bewerkt, en die leeft zoals Christus het bevolen heeft. Want niet als gewoon brood en gewone drank ontvangen wij deze spijzen'. Elders lezen wij: 'Want ook hiervan (d.i. van het Avondmaal) geldt het Woord des Heren: Gij zult het heilige niet aan de honden geven'. Typisch is het, dat de diakenen niet alleen brood en wijn uitdelen voor de Avondmaalsviering, maar ook water. Tegelijk horen we bij Justinus van een brengen van gaven door de welgestelden, waarvan weduwen en wezen, zieken en noodlijdenden kunnen worden verzorgd. Het schone element van de 'gemeenschap' komt hierin tot uitdrukking en het is het laatste restant van het medebrengen van gaven in natura bij de liefdemalen. Later krijgt dit een plaats in de liturgie, in onze gemeenten heeft het zich meestal ontwikkeld tot het geven van een geldstuk in de collecteschaal, die geplaatst is op de Avondmaalstafel.
Ook de Didache spreekt van Avondmaalsvieringen en geeft de tekst van de formuliergebeden, die bij de dankzegging werden gebruikt. In terminologie komen deze gebeden in zekere mate overeen met de tafel-gebeden der Israëlieten.
De door ons behandelde gegevens bij de eredienst hebben er op gewezen, dat het Avondmaal vermoedelijk elke zondag werd gevierd. Niet alleen Paulus, maar ook de kerkelijke schrijvers in de naapostolische tijd zien de eenheid van de Christenheid verankerd in het Avondmaal: in de éne kerk hebben alle gelovigen deel aan het brood Gods. Zo luidt de tekst in een zeer oud Avondmaalsgebed in de Didache: 'Zoals dit brood verstrooid was over de heuvels en nu tot één is samen gebracht, laat zo Uw Kerk van de einden der aarde worden samengebracht in Uw Rijk ... Gedenk, o Here, Uw Kerk, om haar aan al het boze te ontrukken en haar te voleindigen in Uw liefde en breng haar thuis van de vier windstreken, haar de Geheiligde, in Uw Rijk, dat Gij haar bereid hebt. Want van U is de macht en de heerlijkheid in eeuwigheid’.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's