Volledigheidshalve
Toen ik enkele weken geleden ben ingegaan op een artikel van ds. J. van Haaren in de Saambinder over het Getuigenis, nam ik mij voor niet meer dan één artikel aan deze zaak te wijden. Ik ben echter zo overstroomd met reacties op dat artikel dat ik toch nog een keer op de zaak terug wil komen, vooral ook omdat het me onmogelijk is ieder die reageerde persoonlijk te antwoorden. Opvallend waren de vele reacties uit de Gereformeerde Gemeenten zelf, waaruit-blijkt hoezeer er vanuit de gescheiden kerken, in dit geval de Gereformeerde Gemeenten, bepaald wel wordt meegeleefd met de strijd om de Waarheid zoals die in de Hervormde Kerk wordt gevoerd.
Verzekerd werd me in allerlei toonaarden dat werd meegeleefd en meegebeden om het herstel van de kerk. Predikanten hebben het Getuigenis in de voorbede genoemd, zo werd gezegd. De zondag vóórdat het Getuigenis in de synode is behandeld is voor de synode gebeden. Iemand schreef : 'Weest u ervan overtuigd dat die strijd met grote belangstelling wordt gevolgd en dat tenvolle wordt meegeleefd in de moeilijkheden waarmee men te kampen heeft. Wij hopen u met het machtige wapen van het gebed in de nood van Uw kerk, die ook onze nood is te steunen.' Ik licht met opzet deze laatste zinsnede uit de reacties vanwege de opmerking: 'de nood van uw kerk, die ook onze nood is'. Zo is het vele malen geschreven en gezegd: wij staan niet buiten de schuld en de nood van de Hervormde Kerk, omdat we niet buiten de schuld en de nood van de kerk van Nederland staan.
Het deed me goed dit alles te mogen vernemen. Dat was trouwens al duidelijk uit de vele reacties, die ook uit de gescheiden kerken zijn binnengekomen op het Getuigenis. Daaruit bleek dat er een verbondenheid is in de geestelijke strijd van onze tijd. Zo moet het ook zijn. Ik schreef in mijn artikel dat we elkaar in de geestelijke crisis, die we momenteel doormaken zo schreeuwend hard nodig hebben. Daarom kunnen we het ons niet permitteren dat we elkaar vliegen gaan afvangen. Er zal een geestelijke verbondenheid moeten zijn en een leren van elkaar over en weer.
In de Saambinder is ook ds. A. Vergunst ingegaan op mijn artikel. Volledigheidshalve geef ik ook uit zijn artikel enkele stukken weer. Na een inleiding, waarin hij schrijft over het geestelijk verval van onze tijd in het algemeen, komt hij op het Getuigenis en zegt hij:
In de Hervormde Kerk richtte een aantal personen met een 'Getuigenis' zich tot de kerk, zowel tot de leiding als tot het volk. Dit getuigenis maakte veel tongen los. Door duizenden in het land is het verwelkomd; door anderen wordt het fel en hartstochtelijk afgewezen.
Wij voor ons verblijden ons er over, dat door dit 'Getuigenis' zoveel op gang gebracht is en dat het bij het kerkvolk nog zo brede weerklank bleek te vinden. Ook in dit blad is aandacht aan het Geuigenis gegeven in enige artikelen van de hand van ds. Van Haaren. Deze heeft, terecht, waarderend over de inhoud gesproken. Al heeft hij ook gewezen op het ontbreken van het één en ander in dit 'Getuigenis', dat er z.i. niet in had mogen ontbreken.
Zo zou o.a. het ondermijnende spreken over de Heilige Schrift, dat heden ten dage het goddelijke karakter van de Openbaring Gods zo zeer verdonkert, ook in het Getuigenis wel aan de orde hebben kunnnen komen. Toch moet niet uit het oog verloren worden dat de inhoud juist wezenlijke stukken van het christelijke, Gereformeerde belijden bevat, met het belijden waarvan de christelijke kerk staat of valt.
Vervolgens gaat ds. Vergunst in op de vraag hoe het zover kon komen dat de afval-theologie en het synthese christendom zich zo breed gemaakt heeft in de huidige kerkelijke situatie. In dat verband noemt hij dan de Barthiaanse theologie, waaraan de naam van prof. Van Niftrik zo sterk verbonden was. Hij stelt de vraag of deze zelf het verband niet ziet tussen deze theologie en de huidige ontwikkelingen en vervolgt dan:
Bij nadere informatie bleek mij, dat dit de bedoeling is en was van ds. Van Haarens opmerking over het 'slap zijn en het te lang gezwegen hebben', waardoor zovelen door het kwaad, dat men nu zoekt te bestrijden en dat zo verwoestende gevolgen had, konden worden aangetast. Het zij ter verduidelijking doorgegeven. Wanneer men aan het diep verval van de kerk in Nederland lijdt en in innige verbondenheid met haar strijdt voor haar wederoprichting, kan het inderdaad pijnlijk en onaangenaam treffen, zo men meent in zulk een terechtwijzing een 'stoot onder de gordel' te ontvangen van hen, die ge in uw strijd en verlengen naast u meende te staan.
Daarom kunnen we begrijpen, dat ir. Van der Graaf, de hoofdredakteur van 'De Waarheidsvriend' reageerde op dit stuk, toen hij, overigens ten onrechte, zo ik hem nu verzekeren kan, in de steek gelaten achtte door hen op wier steun hij rekende.
Ik geef dit volledigheidshalve — zonder commentaar — aan de lezers door, om een zo eerlijk mogelijk beeld te geven van deze hele zaak.
Tenslotte gaat ds. Vergunst nog in op de door mij gemaakte opmerking: 'Maar wij zijn niet vertrokken toen we blijven moesten. Dat niet. We zouden onszelf van slapheid beschuldigen als we ons aan de nood en de ontreddering van onze kerk onttrokken en we haar verlieten.’ Hij zegt dan:
’Dat kan ik me indenken. Maar wij doen of deden dat ook niet. Wie de afgescheidenen aanduidt als mensen, die 'vertrokken zijn', en min of meer hen van slapheid beschuldigt, kent de geschiedenis van het lijden en strijden van de Afscheiding niet. Om de prediking van de waarheid Gods zijn zij eenmaal uitgeworpen en heeft men hen met geweld en kneveling van hun rechten beroofd.
Ook ir. Van de Graaf erkent het recht en de plicht van de Afscheiding. In maart 1971 schreef hij hierover: 'Er kan dan ook — zo zien wij het als Hervormd Gereformeerden — inderdaad een moment komen, dat je op moet breken, namelijk als je met de prediking van het totale Woord Gods niet meer terecht kunt in de kerk. Daar ligt voor ons het enige criterium voor een afscheiding'. Daar ben ik het van harte mee eens. En daarin is dan ook door hem de Afscheiding tot een legitieme zaak verklaard. Immers konden de vaders van de afscheiding met de prediking' van het totale Woord Gods in de kerk niet meer terecht. Juist om dat totale Woord Gods zijn zij van hun rechten beroofd. Daarvan is het bestaan van de afgescheiden kerken een gevolg. Dat uit kerkpolitieke overwegingen die ruimte later wel gelaten werd, neemt het eerder gebeurde niet weg. Toch blijft de Hervormde Kerk ons bezighouden. We denken aan Ledeboers hoop op het herstel van deze kerk; en aan de 'acte van afscheiding en wederkeer’.
Daarom zijn we blij, als door het 'Getuigenis' ogen geopend worden voor de heilloze weg, waarop men nu wandelt. Zou het 'een wolkje zijn als van eens mans hand' of zou de voortgeschreden afval niet meer te stuiten zijn? Geve de Heere de belijders van de Gereformeerde leer in deze tijd elkaar te zoeken en op de plaats, waar God ons stelt en bracht, te strijden voor de wederoprichting van Nederlands diep gevallen kerk.’
Over de schuld van de Afscheiding, zo zou ik willen zeggen, is al veel geschreven. Het is duidelijk dat de Hervormde Kerk hier een stuk schuld draagt maar ik ontken dat het niet meer mogelijk was om met het totale woord Gods in deze kerk te staan. Zoals het ook nu niet zo is dat het niet meer mogelijk is om met dat totale Woord Gods in deze kerk te staan. Daarover zullen we het wel niet zo gemakkelijk eens worden. Daarom is het beter maar niet af te dingen op elkaars visie omtrent het al of niet afscheiden, maar geestelijk elkaar te steunen en naast elkaar te staan.
Dat is trouwens ook de strekking van een stukje dat ds. Vergunst enkele jaren geleden schreef in zijn Rotterdamse kerkbode en dat door een lezer ter plaatsing werd ingestuurd. Hier volgt een deel ervan:
Ledeboer kende iets van het 'heimwee' naar de Kerk van de Vaderen. Hij was nimmer los van haar. Nimmer heeft hij haar als de 'valse kerk' be stempeld, zoals in de Gereform. Kerken en in de Chr. Geref. Kerken veelal geschiedde. En iets van dit 'heimwee' is in de kring van onze gemeenten gebleven.
Ik geloof dat dat er blijven moet. Ons uitzien moet zijn naar de dag, dat 'God ons haar weder geeft' (zoals Ledeboer het uitgedrukt heeft). Als dat er niet meer is, dan raken we met de 'eigen kerk' zo tevreden, dat we helemaal vergeten 'nood-behuizing' te zijn. Dan willen we nooit meer uit de 'noodwoning'. Wij, die buiten de Ned. Herv. Kerk leven, maar niet los van haar mogen leven, zouden de strijd van hen, die worstelen binnen de Hervormde Kerk om het goed recht van de Gereformeerde Belijdenis veel meer moeten meestrijden. Dat geschiedt veel te weinig. We leven zo veel te veel lang hen heen, die het soms o zo zwaar hebben. Zij moeten zich gesterkt weten door zovelen, die de Gereformeerde leer liefhebben. Of zouden wij alleen maar moeten zeggen: waarom gaan ze er niet uit. Naar mijn gedachte moeten ze dat niet als ze niet uitgeworpen worden. Maar ze moeten tot trouw vermaand en aangespoord worden.’
Ik meen dat het goed is dit hier nog eens voor het voetlicht te halen.
Verschillende lezers stuurden nog andere stukken ter plaatsing in, waarin werd ingegaan op het punt van de afscheiding. Het lijkt me niet meer nodig dat te doen na alles wat hierboven is gezegd. In allerlei toonaarden is erop gewezen dat ons blijven in de Hervormde Kerk gezegend is. Iemand schreef b.v.: 'Temeer mogen we blij zijn dat wij het woord des Heeren nog mogen horen naar Schrift en Belijdenis ... Daarom: staan in de Hervormde Kerk met zijn tekorten en zonden, en zoveel als het in ons vermogen is: getuigen zijn dat de Heere goed is. En onze gebeden vermenigvuldigen of de Heere onze Kerk genadig wil zijn en blijven, en nog mensen wil toebrengen om de lof des Heeren groot te maken. Dan zal alles tot eer des Heeren zijn.’
Tenslotte nog één opmerking over Ledeboer, die onder andere door ds. Vergunst werd aangehaald. Het 'heimwee' van Ledeboer naar de Hervormde Kerk kwam ook in andere brieven naar voren. Iemand schreef over de Ledeboerianen, die geen speciale kerkelijke binding hebben maar zich wel gebonden voelen aan Gods Woord en de Oud-Vaders. Hij schrijft dan heel opmerkelijk dat hij niet behoort tot de zeer dichtbij de Hervormde Kerk staande Ledeboeriaanse gemeenten om de eenvoudige reden dat hij ze niet weet te vinden. Hij wil daarmee kennelijk zeggen dat Ledeboers 'heimwee' naar de Kerk der vaderen nergens meer in bepaalde gemeenten, die geen officieel kerkverbond willen vormen tot uitdrukking komt. Tegelijk met Ledeboer noemt de briefschrijver dan namen als van ds. Paauwe en Kohlbrügge en spreekt hij over de vele in de Hervormde Kerk afgezette leraren, die, hoewel ze afgezet waren, desondanks de Afscheiding afwezen.
Zo zien we hoe complex het met dit punt van de Afscheiding ligt en hoe verschillend de Afscheiding geïnterpreteerd wordt. Maar in ieder geval blijkt hier wel wat ik in mijn artikel schreef, namelijk dat bij de Afgescheidenen toch altijd nog sterk het zicht bleef bestaan op de Hervormde Kerk, hetgeen ook in de acte van Afscheiding en Wederkeer tot uitdrukking komt.
In dit verband wijst genoemde briefschrijver ook op Brakel, die zich tegen Afscheiding verklaarde. Ik meen dat dit van alle oud-vaders gezegd kan worden. Dat neemt echter niet weg dat we in de Hervormde Kerk voortdurend in het spanningsveld staan van de tuchteloosheid enerzijds en de mogelijkheid om toch met de prediking van het volle Woord Gods in deze kerk te staan anderzijds. Ik herinner me overigens juist in'dit verband een woord van Brakel, die zegt dat als het kerkelijk leven zozeer ingezonken is dat echte tuchtoefening niet meer mogelijk is, omdat men niet zou weten waar te moeten beginnen, de enige tuchtoefening is: de prediking van het evangelie. En dat mogen we in onze kerk nog hebben. Vandaar dat ik schreef dat we er iets kennen van de vreugde van het belijden. En zo moeten we in de huidige situatie als Gereformeerde Gezindte elkaar maar aanvaarden, al gaan we dan kerkelijk verschillende wegen. Groen van Prinsterers ideaal van de Gereformeerde Gezindheid staat in onze tijd weer voluit voor ons.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's