De algemene genade III
Het moet wel worden bedacht, dat men alleen vanuit het geloof over de algemene genade kan spreken. Wij bedoelen er dit mee, dat de algemene genade alleen van de bijzondere genade uit kan worden gekend. Reeds het feit, dat onze belijdenis over de algemene spreekt maakt dat duidelijk. In artikel 1 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis staat: "Wij geloven allen met het hart en belijden met de mond, dat er is een enig en eenvoudig geestelijk Wezen, hetwelk wij God noemen'. In artikel 2 van genoemde belijdenis zegt de Kerk: 'Wij kennen Hem door twee middelen. Ten eerste, door de schepping, onderhouding en regering der gehele wereld'. Het werk Gods op het terrein van de algemene genade kan slechts worden gekend door het ware geloof. Ook hier geldt het ’Sola fide’.
Calvijn heeft het wel eens zo uitgedrukt, dat wij gewapend met de bril der Schriftuur mogen lezen in het boek der natuur. Vaak wordt deze uitdrukking aangehaald en ik krijg meer dan eens de indruk, dat velen vergeten dat het oog daarvoor geopend moet worden door het werk van de Heilige Geest. Van nature zijn wij blind, kunnen wij door de bril van de Schriftuur niet zien. Steeds weer hebben wij het nodig de Heere te bidden dat Hij ons oog opent. Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouw de wonderen van Uw Wet. Als het oog geopend is gaan wij zien en lezen wij met die bril op in het boek van de natuur. Vooral in onze tijd moet dat worden bedacht. Van de bijzondere genade willen velen niet weten. Het wordt alles algemene genade, al wordt dat woord dan ook niet gebruikt. Men maakt zich druk over de dingen van de wereld en tracht in eigen kracht de ontstellend vele moeilijkheden, die er zijn tot oplossing te brengen. Geen oorlog meer, geen honger meer, geen rassendiscriminatie meer ... Wij bouwen met onze sterke handen aan het koninkrijk Gods. Het nieuwe Jeruzalem daalt niet uit de hemel neer. Wij trekken het zelf op.
Dat de belijdenis zo over de algemene genade spreekt is geen wijsgerige constructie; het is de taal van het geloof. De taal van de Schrift. Het valt mij steeds weer op, dat de bijbel over de daden Gods op het terrein van de algemene genade spreekt in lofzangen tot eer des Heeren. Denk aan Psalm 36. Er staat in de verzen 6 en 7 een woord, dat de grootheid en majesteit des Heeren bezingt. 'O Heere Uw goedertierenheid is tot in de hemelen; Uw waarheid tot de bovenste wolken toe; Uw gerechtigheid is als de bergen Gods; Uw oordelen zijn een grote afgrond; Heere! Gij behoudt mensen en beesten': d.w.z. Gij bewaart ze. Zelfs over de dieren van het veld strekt zich Gods algemene goedheid uit. Hij geeft ze voedsel. Hij heeft ze gered door ze ten tijde van de zondvloed in de ark op te nemen. Zeer kundige uitleggers van de Schrift zeggen dat psalm 36 hierop ziet. Jona 4 spreekt daar ook van. Het is zeer belangrijk hier even te letten op een opmerking die Calvijn maakt bij de verklaring van vers 7 van psalm 36. Hij waarschuwt hier tegen vergeestelijking. Men heeft er van gemaakt, dat wij onder de beesten hebben te verstaan mensen die met hun zonde en schuld zijn bekend gemaakt. Zij belijden met ontroering des harten, dat zij een groot beest zijn. Nu bewijst de Heere juist aan zulke ellendigen Zijn genade. Dat is inderdaad waar. God wil te maken hebben met de snoodsten onder de snoden. Hij rechtvaardigt de goddeloze. Dat wil zeggen die goddeloze, die zijn boos bestaan door het werk van de Heilige Geest heeft leren kennen. Hij heeft Rachab gered. Hij zag in gunst neer op de moordenaar aan het kruis. Hij gaf de stokbewaarder het ware geloof. En Manasse zal het nooit vergeten dat deze genade hem ten deel is gevallen. Dat is de kern van het Evangelie en wat zou het een voorrecht zijn als dat Evangelie steeds weer en steeds meer in onze kerk en in de andere kerken van ons vaderland werd gepredikt. Maar dat staat niet in psalm 36 : 7. Daar zingt de dichter, die de toevlucht heeft genomen onder de schaduw van Gods vleugelen, dat de Heere zelfs goed is voor de dieren. De algemene genade wordt slechts van de bijzondere uit gekend.
Psalm 119 is wel eens de meest bevindelijke van alle psalmen genoemd. De dichter roemt de zekerheid des geloofs: Ik ben Uw. Hij belijdt dat hij heeft gedwaald als een verloren schaap, hi] smeekt: Leer mij Uw inzettingen; en zo staande in het heil des Heeren heeft hij zicht ontvangen op de gunst die de Heere ten toon spreidt in heel de schepping. Heere, de aarde is vol van Uw goedertierenheid. Alleen de mens, die leeft uit de ontferming des Heeren, die begiftigd is met het ware geloof, weet hoe groot de gunstbewijzen zijn die Gods hand aan heel de schepping geeft. Wie de Schrift leest ziet duidelijk dat deze gedachte steeds weer voorkomt en het is geleerd door de Schrift dat Calvijn ergens zegt: 'Tot het Woord zeg ik moet men komen, waar God ons uit Zijn werken juist en naar het leven beschreven wordt doordat de werken zelf niet naar de verkeerdheid van ons oordeel maar naar het richtsnoer der eeuwige waarheid beoordeeld worden.’
Door het geloof alleen wordt het licht Gods, dat straalt in de algemene genade aanschouwd. Het is te betreuren dat veel theologen van onzen tijd daar weinig van verstaan. Dr. W. Aalders toont ons m een van zijn werken: 'De grote ontsporing', duidelijk aan, dat reeds dr. A. Kuyper hier buiten het spoor ging. Hij legde sterk de nadruk op de wereld, op de cultuurtaak van het gereformeerde volk, koesterde het ideaal dat heel het westeuropeesche en amerikaanse cultuurleven zou worden gekerstend. En dat zou de wedergeboren mens doen door de kracht van de Heilige Geest. Hij legt als hij spreekt over de ambten van Christus vooral de nadruk op het koninklijk ambt. Wie Christus is als profeet, hoe Hij als priester met Zijn dierbaar bloed reinigt van alle zonden komt op deze wijze op de achtergrond. Deze gedachte maakt zich helaas in onze dagen in de gereformeerde kerken breder dan in de tijd van Kuyper, al zijn wij ook dankbaar voor de verontrusting, die zich in genoemde kerken bij veel predikanten en het eenvoudige kerkvolk steeds weer merken laat. Helaas wordt bij de meesten in deze kerken de nadruk gelegd op de taak die de christen heeft in deze wereld. Ik vrees, dat het daaraan te danken is dat uit de kringen van de gereformeerde kerken slechts weinig waardering voor het Getuigenis is opgebracht. Zeker hier en daar worden een paar vriendelijke woorden aan dit geloof stuk gewijd, maar toch werd de opmerking gemaakt, dat men niet gaarne zou zien dat in eigen kerken zulk een geluid inzet van discussie zou worden. Zeker, het is waar, dat de kerk zich met de wereldproblemen heeft bezig te houden, dat zij de verdrukten recht heeft te doen, dat zij dient op te komen voor de ontheemden. Wie heeft dat ooit ontkend? Een man als Groen van Prinsterer — om maar een naam te noemen — heeft hierin een goed voorbeeld gegeven. Zo zou er meer te noemen zijn maar het moet de kerk in de eerste plaats gaan om de prediking van het eeuwig Evangelie. Om uit de Schrift het antwoord te geven op de vraag: Hoe word ik rechtvaardig voor God? Hoe wordt Hij de mijne en deel ik in Zijn gunst? Men zegt van bepaalde zijde wel, dat het stellen van deze vraag uit egoïstische motieven voorkomt maar dat is zeker niet waar. De Heere wil, dat wij eerst het Koninkrijk Gods zoeken en Zijn gerechtigheid en Hij voegt er de belofte aan toe, dat alle andere dingen ons dan zullen worden toegeworpen.
Het moet helaas worden gezegd, dat Kuyper dit al te zeer heeft vergeten. Hij legt te sterk de nadruk op de algemene genade: de gemene gratie. Bij Calvijn en de vaderen nam de leer van de algemene genade zeer zeker zijn plaats in maar zij zagen haar niet als een zelfstandige grootheid en het is ondenkbaar, dat zij als Kuyper een werk van niet minder dan 3 delen aan dit onderwerp zouden hebben gewijd.
Anderen zijn veel verder gegaan dan Kuyper. Zij zien de taak van de christen alleen met betrekking tot deze cultuur. De christen moet lopen en draven, gehoorzaam zijn aan zijn roeping en, zoals Aalders het meer dan eens zegt: Op deze wijze wordt de kerk een kazerne waarin commando's weerklinken om dit te doen en dat te laten. En het geestelijk leven verschraalt, het kwijnt weg. Genade bestaat dan niet meer hierin dat wij zonde en schuld kennen, vluchten tot de Heere Jezus om als goddelozen te worden gerechtvaardigd, dat wij vernieuwd worden door de inwonende Geest op de Pinksterdag aan de Kerk geschonken. Dit is genade, zo wordt beweerd, dat wij werken en zwoegen en dat voor de arme mens, die uitgeput neerzinkt op het slagveld en door de Heere Jezus enige verkwikking wordt geschonken. Wat dit voor een leer is weet ik niet maar het is niet het eeuwige Evangelie, dat spreekt over de wondere ruil, dat de schuldige wordt vrijgesproken omdat de Rechtvaardige het vonnis des doods onderging en het vonnis des doods heeft gedragen. Het is wetticisme, een systeem van werken en nog eens werken. De zweep wordt er op gelegd en . . voorwaarts christenstrijders moedig tot de strijd. Men is er van overtuigd, dat God ons broeders tot de daad roept; Zijn werk wacht treedt dan aan. Vermetele taal van de mens die het zelf kan.
Het is echter onmogelijk, dat wij het koninklijk ambt van Christus losmaken van het profetische en het priesterlijke.
Zie Zondag 13 van onze catechismus, vraag en antwoord 34.
Dit artikel wil ik eindigen met een citaat uit een werk, dat nog niet zo alng geleden is uitgekomen. Het is 'De kennis der zaligheid'. Daarin maken E. Erskine, R. Erskine en J. Fisher enige verklarende aantekeningen op de kleine catechismus van Westminster. Wij lezen daar op bladzijde 186 en 187:
25. Is de orde, waarin de ambten van Christus hier genoemd worden, gelijk aan die, waarin ze worden geoefend?
Ja, want het is de orde, die in de Heilige Schrift wordt aangegeven 1 Kor. 1 : 30.
26. Door wie wordt deze orde omgekeerd?
Door de Arminianen en andere wetsdrijvers, die zeggen, dat Christus bij het toepassen der verlossing het eerste Zijn koninklijk ambt uitoefent.
27. Hoe maken zij Christus' koninklijk ambt tot het eerste, dat Hij uitoefent? Door te beweren, dat Christus als Koning, in het evangelie een nieuwe wet gegeven heeft, die ons geloof en bekering gebiedt, waardoor we, als we eraan gehoorzamen, recht op Christus en Zijn gerechtigheid hebben.
28. Wat is het gevaar van deze leer?
Ze vermengt wet en evangelie en voert de werken in, als de inhoud en oorzaak van de rechtvaardiging van de zondaar voor God, wat in strijd is met Rom. 5 : 19 en Gal. 3 : 6.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's