De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Belijden en belijdenisgeschriften III

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Belijden en belijdenisgeschriften III

9 minuten leestijd

De belijdenis geeft geloofsgetuigenissen

De belijdenisgeschriften zijn uitingen en openbaringen van het geloof der Kerk: zij bevatten geloofsuitspraken, geen bewijzen voor de waarheid Gods, die dwingend zouden zijn voor het menselijk verstand, voor de rede van de natuurlijke mens. Daarvoor staat te sterk het woord van de apostel, dat de natuurlijke mens niet verstaat de dingen, die des Geestes Gods zijn. Het getuigenis van de Heilige Geest is als een gouden draad, die door de gehele belijdenis heenloopt. Als voorbeeld verwijs ik naar art. 91 van de Catechismus van Geneve: De Heilige Geest, die in onze harten woont doet ons de kracht van onze Here gevoelen (Rom. 5:5). Hij verlicht ons om zijn genadegaven te doen kennen, die Hij bevestigt en verzegelt in onze zielen en waarvoor Hij bij ons ruimte maakt. Ef. 1 ; 13. Hij doet ons wederomgeboren worden en maakt ons tot nieuwe schepselen. Tit. 3 : 5, zodat wij door Zijn tussenkomst alle heilsgaven ons in Jezus Christus aangeboden in ons bezit krijgen.

De belijdenis bewaart de Kerk voor eenzijdigheid

En daarbij heeft de belijdenis niet één pijl op zijn boog, maar in grote evenwichtigheid komen de stukken aan de orde. Van hoe grote betekenis b.v. het stuk van de rechtvaardigmaking door het geloof, zowel voor het persoonlijke leven als voor het leven der Kerk in haar geheel is, het is niet bij dit moment van de weg des heils, waar de Nederlandse Geloofsbelijdenis begint en zijn uitgangspunt neemt, maar hij begint, strikt theologisch in opzet, bij God Drieënig, wien te kennen het eeuwige leven is. In de Nederlandse Geloofsbelijdenis vinden wij het ritme van de Apostolische Geloofsbelijdenis en daarnaar levende worden wij bewaard voor vreemde eenzijdigheid, die door overaccentuering van één bepaald leerstuk tot sectarisme in en ook buiten de Kerk leidt. Dat wil niet zeggen, dat de Kerk niet heeft te waken tegen onderwaardering van bepaalde heilswaarheden, als zij soms rechtstreeks worden beleefd. Als men dan toch in zulke omstandigheden de Kerk van eenzijdigheid wil beschuldigen, dan mag de Kerk antwoorden: is er geen oorzaak? Calvijn maakt onderscheid tussen fundamentele en niet-fundamentele stukken van de leer. Dat heeft niets te maken met een relativering van de waarheidsvraag, maar Calvijn heeft er oog voor, dat niet alle stukken van de leer van eenzelfde betekenis zijn, waarmede hij niet zelfs de allerkleinste dwaling in bescherming wil nemen of door de vingers zien, maar hij wil voorbijzien (voorbijgaan aan en over het hoofd zien) als iemand in zulke dingen dwaalt, waarin men zonder het fundament van de religie om te stoten en zonder het verlies der zaligheid onwetende mag zijn. Tot de noodzakelijke en vaste stukken, die ontwijfelbaar tot het eigene van de religie behoren rekent Calvijn de leer, dat er een enige God is, dat Christus God is en de Zoon van God, , dat onze zaligheid ligt in Gods barmhartigheid en dergelijke meer. Welke kerken, vraagt Calvijn, zouden toch de eenheid daarom breken, omdat de ene, niet uit begeerte om te twisten, niet uit halsstarrigheid om eigen mening vast te houden verdedigt, dat de ziel zodra ze uit de lichamen verhuizen in de hemel worden opgenomen en de ander niets zekers durft verklaren aangaande de plaats waar de zielen heengaan, maar die evenwel voor zeker belijdt, dat ze de Here leven? Daarmede bedoelt Calvijn niet, dat hij geen eigen mening heeft over het laatstgenoemde verschil van opvatting; integendeel hij schreef een artikel over de Psychonpanychia, waar hij duidelijk zijn opvatting verdedigt (Inst. IV-1, 12).

Noodzakelijkheid van de verdediging van de Waarheid

Enerzijds willen wij naar de Schriften opkomen voor de leer, die naar de Godzaligheid is, in gemeenschap met het getuigenis der Vaderen. 'Wij zijn maar nietige aardwormen, schepselen vol ijdelheid, allen te zamen genomen maar leugenaars. En God wil, dat wij Zijn waarheid verdedigen, een eer, die zelfs de engelen niet te beurt valt'. Het gaat niet om kleine dingen, maar om het waarachtige zieleheil van de mens. In een tijd van verschraling en ondermijning van de persoonlijke godsvrucht moeten wij terug naar het verleden om oude schatten voor de dag te halen. Om levend geloof gaat het, niet om allerlei scholastieke redeneringen, om allerlei onderscheiding, waarbij vroegere en latere filosofen aan te pas moeten komen en niet alleen deze, ook zelfs het oude romeinse recht wordt erbijgehaald als het gaat om sommige stukken zogenaamd schriftuurlijk te willen uitleggen! Ja, dan kunnen wij er in komen, dat er ook in Calvijns dagen mensen waren, die meenden, dat een geloofsbelijdenis alleen maar uit woorden van de Schrift in elkaar gezet mocht worden.

Mannen als de Brés hadden geen houvast aan allerlei beschouwingen en theorieën. Als de gemeente werd aangevochten van alle kant, als zij stonden voor de afgronden van nood en menselijke boosheid, in dagen van uitzichtsloosheid voor dit leven, schreven zij over het enige houvast, de enige troost en toonden zij aan allen die het zien wilden de schatten van Gods genade, aan Zijn Kerk toevertrouwd. En daarmede worden wij gewaarschuwd voor een verabsolutering van de Belijdenis, waaruit niet anders voortvloeit dan een doctrinaire verstarring en een dode orthodoxie.

Om het levende geloof

Van een levend geloof getuigt de Belijdenis. De levende Kerk is aan het woord in art. 2, waar het gaat over de verhouding van de algemene en de bijzondere openbaring. Gods Kerk zegt daar: Wij kennen God uit de natuur en uit de Schrift. En dat is het wonder van Gods genade, waarover zij in de Here roemt. Dat hebben zij niet ontdekt en gevonden. De Here heeft hen ontdekt en opgezocht en gevonden en nu zien zij Hem overal; dat is een levend getuigenis naar buiten. Dat is de lof van de Here zingen in de Kerk: Vergeet geen van Zijn weldaden, want de Here heeft Zich geopenbaard en ik zie er iets van tot mijn vertroosting en zaligheid. — Levend getuigenis, ook als het gaat over het stuk van de praedestinatie, niet een moment om zielen te verschrikken, niet besproken bij de leer van Gods besluiten, maar na de leer over de erfzonde, infralapsarisch in zijn pastorale bewogen opzet, waarin de Here — en daarom gaat het in heel het stuk van de verkiezing — de eer ontvangt van de zaliging des zondaars.

Wat legt men een sterk accent op het stuk van de Kerk. Tot onze beschaming in vele opzichten. Ook in onze kringen is soms een gebrek aan belangstelling voor de vragen van de kerk als instituut. Maar de belijdenis betrekt die er wel degelijk bij en daarin gaat zij geheel in het voetspoor van wat Calvijn in de Institutie en elders over de Kerk zegt. Hier in de belijdenis komt de zichtbare gestalte van de Kerk uit de verf. En hoevele kwalen en gebreken van de Kerk zouden bedwongen worden als onze Kerk en wij met elkaar leefden uit de geest, die deze artikelen over de Kerk beheerst! Men stond niet onverschillig ten opzichte van de Kerk als instituut. De vragen over de Kerkorde komen wel degelijk aan de orde. Men maakt er zich niet af door te zeggen, nu ja, dat is maar de buitenkant en daar gaat het niet om. Maar zeker, wij zijn er niet als alles aan de buitenkant al goed is.

Het gaat in de Belijdenis om een getuigenis van levend geloof, niet om haarkloverijen, niet om speculatie. Daar kan niet genoeg de nadruk op gelegd worden. Mag ik u herinneren aan art. 26 Ned. Gel. Belijdenis? Over Christus als de Middelaar. Laten wij Hem niet loslaten (als onze voorspraak) om een ander te nemen of een ander te zoeken zonder die ooit te vinden, want toen God Hem aan ons gaf wist Hij wel, dat wij zondaren waren. — Indien wij een andere Middelaar moesten zoeken, die ons goedgunstig zou zijn, wie zouden wij dan kunnen vinden, die ons meer beminde dan Hij, die Zijn leven voor ons gegeven heeft, zelfs toen wij vijanden waren?

Of mag ik herinneren aan art. 37, een levend getuigenis van de verwachting van de Kerk, geschreven in dagen van vervolging en nood? Welk een heimwee naar de grote dag. ’De gedachte aan dit oordeel is met recht schrikwekkend en ontzettend voor de bozen en de goddelozen en zeer begeerlijk en troostrijk voor de vromen en uitverkorenen, omdat dan hun volle verlossing voltooid zal worden en zij daar de vruchten van de moeiten en het lijden, dat zij gedragen hebben zullen ontvangen. — Daarom verwachten wij die grote dag met verlangen om ten volle de beloften Gods in Jezus Christus onze Here te genieten.' — Alle woorden van Gods beloften in de Schrift dragen ergens een eschatologisch stempel. Hier in art. 37 is alles als het ware samengebundeld tot een lofzang op de genade Gods, die tot in eeuwigheid duurt. Die Kerk is rijk, voor wie deze dingen levend bezit zijn. En die mens is rijk, die even dierbaar geloof deelachtig is als waarvan de Kerk de eeuwen door getuigd heeft. Laat ons dan door Hem altijd Gode opofferen een offerande des lofs, dat is de vrucht der lippen, die Zijn Naam belijden.

Ik eindig met een woord van Kohlbrügge (uit 1849): 'De leer van Christus is het Evangelie van de Zoon Gods en de kracht Gods en de wijsheid Gods; het is het woord des kruises, een dwaasheid degenen, die verloren gaan, maar ons, die behouden worden, is het dat, wat God kan en vermag. Daarom zal deze leer zich altijd blijven betonen als een levende leer van het ene einde van de aarde tot het andere, overal waar nog een arme zondaar gevonden wordt, wie het om gerechtigheid, om waarheid in het binnenste, om de verborgen wijsheid te doen is. En ik weet, dat zomin als ik tot hiertoe beschaamd ben geworden met deze leer, ik voortaan evenmin met haar beschaamd zal uitkomen en dat ook gij er niet beschaamd mee zult uitkomen, als gij met een waar voornemen des harten in deze leer blijft.’

Wat is de Kerk toch arm, denken wij dikwijls en het is nog waar ook. En nog eens anderzijds: wat is Gods Kerk rijk, want zij bezit alles (2 Cor. 6 : 10). Hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Cephas, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn alle uwe. Doch gij zijt van Christus en Christus is Gods. (1 Cor. 3:22)..

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Belijden en belijdenisgeschriften III

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's