De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het sluitstuk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het sluitstuk

Kanttekeningen bij het Getuigenis

7 minuten leestijd

Nu beschouwingen geschreven zijn over het Getuigenis, is het mij gevraagd over het zevende punt iets te schrijven. Het Getuigenis is een stuk op zichzelf geweest, dat ook gesproken heeft voor zichzelf. Daar hoeft men eigenlijk niets aan toe te voegen. Mijns inziens mag er ook niets afgedaan worden. Het handelde over de hoofdzaken van de bijbel, over de hoofdzaken van het geloof, wat men er ook tegen aangevoerd heeft. Ook als getuigenis heeft het beantwoord aan wat er van gehoopt werd. Ja zeer verre meer dan dat. Wie had kunnen denken, dat een woord in de kerk bij zo vele duizenden weerklank zou vinden. Onverminderd gaat zelfs enige weken na de synodezitting de stroom van instemmingsbetuigingen door, zodat de ontwerpers van het stuk, met allen die hen assisteren, het bij verre niet verwerken kunnen. Van nabij en verre, uit de Hervormde Kerk en uit andere kerken, ook uit verschillende landen komen ze. Heeft iemand van u tijdens zijn leven een zo krachtig getuigenis gehoord als dit, wat uit de diepe nood geboren werd? Heugt het iemand, dat zo iets in vroeger jaren geschiedde? Deze enorme instemming is in ons land een oecumenisch gebeuren van groot belang. Waar is de oecumene beter op dreef dan in een gemeenschappelijk belijden, als wat hier gedaan is en gedaan wordt. Het is al zo groot, dat professoren en predikanten van verschillende kerkelijke allure zich samen konden vinden in zo'n stuk. En het is nog groter, dat zoveel kerkvolk zich hier achter stelde. Daar moest al wat echt kerkelijk is en wat naar eenheid staat, zich toch wel hartelijk over verheugen. Dat dit stuk door velen verachtelijk bejegend werd, pleit voor het stuk, temeer waar degenen, die zulks deden, ook in dit getuigenis beschuldigd-zijn. Dit is geen vrijblijvend getuigenis geweest. Het heeft ergens vóór getuigd, het heeft ook ergens tégen getuigd. En dat blijkt goed aangekomen te zijn. Het was ook meer dan tijd. In de kerk kan niet alles, in de kerk mag niet alles. De dingen, die tegen het stuk ingebracht zijn, en de wijze waarop dit geschiedde bij niet weinigen, hebben dit wel bewezen. Het is bij velen raak aangekomen, maar dat was ook meer dan nodig. De goeden niet te na gesproken, maar de kerkelijke praestaties voor niet weinigen zijn omgekeerd evenredig aan de toon, die zij voeren.

Nu dan iets over het zevende punt zelf. Het geloof is een persoonlijke zaak. Wedergeboorte is wel bepaaldelijk een persoonlijke zaak. Bekering is een persoonlijke zaak. Omdat ook zonde een persoonlijke zaak is. Het collectieve zondigen en het collectieve tot genade komen is toch maar de optelsom van persoonlijke daden en van persoonlijke belevenissen. Een volk kan zondigen, maar een staat niet. Een volk kan zich bekeren, maar een staat niet. Zeer terecht is hier gezegd, dat de ontwerpers zich verzetten tegen de moderne zondeleer, die de zonde allereerst zoekt in de politieke en maatschappelijke strukturen. Die strukturen hebben niet gezondigd, als die zondig zijn, moet men daar de makers voor aanspreken. Preekt men al tegen strukturen: die worden er niet koud of warm van. Bovendien over welke structuren heeft men het? Hebben de rechtzinnige belijders èn in de politiek èn in de kerk van de laatste tientallen jaren niet juist gebukt gegaan onder wat de vernieuwingspolitici en de vernieuwingstheologen hen opgelegd hadden? Wat men ons vandaag èn politiek èn kerkelijk wil leveren ligt geheel in de lijn van wat men al jaren voorstond, maar wat men thans tot zijn uiterste consequentie wil voeren. Waarom steigert men zo, als mensen tot bekering worden opgeroepen, zo goed wij als die anderen. Wij hebben gezondigd en hebben bekering nodig. Wij willen dat niet ontkennen, wij durven dat niet ontkennen. Zit er in dat steigeren soms een ontkenning hunnerzijds? Het is wel heel kwalijk, als wij of zij de bekering niet van node hebben. Daar zegt het Evangelie zo het een en ander van! En zijn in de oproep tot bekering niet bijzonder diegenen te begrijpen, die niet onschuldig zijn aan het thans snel zich voltrekkend verval van de staat en van de kerk?

Persoonlijk geloof ik niet erg in goed bedoelde pogingen om maatschappij en staat te verbeteren. Ik geloof wel, dat die op teleurstelling moeten uitlopen, als de enkeling wordt overgeslagen. Maar van verbeteringen in maatschappij en staat (en ook in de kerk) van degenen, die dit zo naarstig prediken, is tot nu toe niets gezien, wel het tegenovergestelde. Mijns inziens zijn die pogingen bepaald niet goed bedoeld. Het moet dan wel zeer spijtig zijn, dat deze structuurwijzigingen op welk terrein ook, zo collectief gepredikt werden en worden. Men is daarmee nog niet verder gekomen dan tot veel onrust, vrees en angst. Dit, waar het Evangelie van de genade van Christus voor zondaren niet alleen een kerk opent, waar vrede gevonden wordt, maar ook een leven schenkt, waar de welvaart en de rust voorzegd wordt onder de wijnstok en de vijgeboom. Dit bedoelen de schrijvers aan vóór-en tegenstanders te verkondigen, opdat het hun wel ga èn kerkelijk èn maatschappelijk. Wij hebben er ook nog niet eens bezwaar tegen, als de politieke en maatschappelijke noden en zonden op de kansel en onder het volk gebracht worden, mits men er tenvolle bij verkondigt de landen en volken reddende en regerende enige koning, onze Heere Jezus Christus. Door Hem mogen ten slotte koningen regeren. Er is geen macht dan van God, onzen Zaligmaker. Wij hebben geen bezwaren tegen politiek, maar zeer bepaald alle bezwaar tegen de politiek, die men momenteel vaak op de kansels bedrijft. Als het Getuigenis besluit met de woorden: 'De gemeente van Jezus Christus leeft uit de toekomst des Heeren', dan zet het de hele zaak, waarom het in de kerk gaat en waarom het hier gaat, in het heerlijk licht van de reeds nu aanlichtende glorie van Christus.

Het zijn dus niet maar woorden als de mannen, die het getuigenis stelden, eindigen in de bemoediging en troost van de gemeente. Zij doen de gemeente zich vast klemmen aan de beloften en ook trouw blijven aan die beloften Gods. Dit doen zij in de hoge traditie van het rechtzinnig geloven en spreken. Men moet wel van een kwalijke geest zijn, als men de grote lijnen, die hier getrokken zijn, splinterige quaesties durft noemen. Men moet wel van een kwalijke geest zijn, als men de voorstelling van de kerk als een ark des behouds probeert af te doen met de grove woorden: 'En moet de rest maar naar de verdoemenis gaan? ' Wat heeft Jezus gezegd?

En wat is metterdaad geschied in de dagen van Noach? Zegt onze bijbel dat niet met ronde woorden? Is bij de doop van velen niet gebeden: 'O almachtige, eeuwige God; Gij die naar Uw streng oordeel de ongelovige en onboetvaardige wereld met de zondvloed gestraft hebt, en de gelovige Noach, zijn acht zielen, uit Uw grote barmhartigheid behouden en bewaard? ' En zegt Jezus niet, dat Zijn toekomst zal zijn als de dagen van Noach? Men moet zich daaraan maar niet wrevelig ergeren, men moet daarmee zeker maar niet spotten. Zo zeker, als het gericht gekomen is over de oude ongelovige wereld, zo zeker zal het gericht ook komen over de wereld der ongelovigen in het eind der eeuwen. Laat elk, die nu luid protesteert tegen dit getuigenis van het geloof maar wandelen in het geloof van Noach en ingaan in de ark. En laat elke predikant in plaats van zich te verzetten tegen deze dingen, die dit getuigenis uit de bijbel citeert, déze dingen in ernst prediken.

Het verdient onze warme dank, dat de schrijvers van dit stuk de gemeente van Jezus Christus op deze wijze hebben willen bemoedigen en troosten in de diepe ernst, waarmee zij de tijd, waarin wij leven, hebben onderkend. Ik heb uit het tegenovergestelde kamp geen enkel troostwoord gehoord in antwoord op dit getuigenis, niet voor de kerk en niet voor de wereld.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Het sluitstuk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's