De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De oud-Christelijke kerk IV

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De oud-Christelijke kerk IV

6 minuten leestijd

d. De Doop

Reeds zeer vroeg is de viering van het Avondmaal aan de eredienst der gemeente verbonden geweest. Om Avondmaal te kunnen vieren, moest men gedoopt zijn. Van de doop hebben wij echter minder duidelijke gegevens. Hieruit moeten wij niet de gevolgtrekking maken, dat de doop sporadisch bediend werd. Neen, de reden is, dat de doopsbediening aanvankelijk nog niet aan bepaalde plaatsen gebonden was. Van een doop in de kerk kon geen sprake zijn, om de eenvoudige reden, dat er in de oudste tijd nog geen kerken gebouwd werden. De oudste berichten over kerkgebouwen dateren nl. van Clemens Alexandrinus en Hippolytus (plm. 202) en enige tijd later van Tertullianus. Zo werden Cornelius en de zijnen in zijn huis gedoopt (Hand. 10 : 48), zo ook de stokbewaarder in Filippi(Hand. 16:33); Paulus in het huis van Judas (Hand. 9 : 18) en de kamerling in een water terzijde van de weg (Hand. 8 : 38). Het maakt helemaal geen verschil, schrijft Tertullianus, in wat voor water men gedoopt wordt, of dat nu de Jordaan is, waarin Johannes doopte, of de Tiber, de rivier, waaraan Rome ligt. Er is geen reden om aan te nemen, dat men de doop opzettelijk buiten de eredienst der gemeente gehouden heeft. Justinus Martyr geeft ons een beschrijving van de doopplechtigheid, die laat zien, hoezeer de gemeente meeleefde: Wie tot andere gedachten gekomen zijn en beloven dat wat ons geleerd en gezegd wordt waar is, en beloven dat zij zo zullen kunnen leven, onderwijzen wij, dat zij van God vergeving van hun vroegere zonden zullen vragen onder gebeden en vasten, terwijl wijzelf meebidden en vasten. Daarna worden zij door ons naar een plaats geleid, waar water is, en op dezelfde wijze, waarop ook wijzelf herboren werden, worden ook zij herboren; want zij ondergaan in dat water dan een reiniging in de naam van God, de Vader en Here van alle dingen, en van onze Zaligmaker Jezus Christus en van de Heilige Geest...

Nadat hij, die tot andere gedachten gekomen is en zich bij ons heeft gevoegd, zo gereinigd is, leiden wij hem tot de broeders op de plaats, waar zij saamgekomen zijn om gemeenschappelijk krachtige gebeden te doen voor zichzelf en de gedoopte en alle anderen overal, opdat wij verwaardigd worden, leerlingen van de waarheid, werkers van het goede en wachters der geboden bevonden te worden, opdat wij behouden worden voor de eeuwigheid. Na het gebed groeten wij elkaar met een kus’.

U ziet: de doopplechtigheid onttrok zich aan de ogen der gemeente, maar door het intense medeleven zowel vóór als na de doop, stond de doop niet buiten de eredienst. De voorwaarden, waaraan de dopeling moest voldoen, waren: het uitspreken en belijden van het geloof (uit deze persoonlijke geloofsbelijdenissen zijn de 12 artikelen of de Apostolische Geloofsbelijdenis gegroeid), het gevolgd hebben van kerkelijk onderricht en het in acht genomen hebben van een periode vem tenminste twee a drie dagen van vasten. Vóór de doop moeten doper en dopeling vasten, en zo mogelijk nog enige anderen, lezen we in de 'Leer der twaalf Apostelen’.

Wat de meest gewenste tijd voor de doopsbediening betreft, kwam men spoedig tot een gemeenschappelijke overtuiging. Wel heet 'elk uur, elke tijd geschikt voor de doop', omdat 'elke dag een dag van de Here is', maar toch had Pasen volgens Tertullianus iets voor, al ware het alleen ter wille van de waterkruik, waarvan sprake is in Markus 14 : 13 en Lukas 22 : 10. Maar vooral omdat de doop een doop tot de dood van de Here was. En op Pasen volgde Pinksteren. Heel 'het blijde tijdvak' daartussen, met zijn prediking van opstanding en uitstorting van de H. Geest, scheen voor het bad der wedergeboorte de meest geschikte tijd.

Uit mededelingen van later tijd zien we, dat aan de doop een automatische werking werd toegeschreven. De doop werd noodzakelijk voor het ontvangen van het heil. Tertullianus gelooft in de heiligende kracht, die van het doopwater uitgaat, welke kracht in het water indaalt, wanneer Gods naam daarbij wordt aangeroepen. Daar onder de Apostelen alleen Paulus als een gedoopte te beschouwen viel, zocht men voor de anderen naar een surrogaat en vond dat in de golven, die hen in het schip op de zee van Tiberias overspoelden, in de doop door Johannes of zelfs in hun omgang met' Jezus. Ten tijde van Clemens Alexandrinus (gestorven vóór 216) verzekerde men al, dat Jezus Zelf, Petrus, deze Andreas, Andreas Jakobus en Johannes, en laatstgenoemden weer alle anderen hadden gedoopt. Men had er zelfs nauwelijks vrede mee, dat aan de aartsvaders, als ongedoopten, de zaligheid werd toegekend.

Het probleem van de kinderdoop behoeven we in dit verband niet grondig te behandelen, daar deze kwestie na 200 een rol gaat spelen. Ware de kinderdoop niet in gebruik, dan zou in de oud-Christelijke kerk langzamerhand een grote groep van ongedoopte en gedoopte Christenen ontstaan zijn. Hiervan wordt in de oudchristelijke kerk nooit gesproken. Tertullianus heeft in De Anima uiteengezet, dat de ziel van de mens reeds bij de geboorte met zonde bevlekt is, en dat dit door de doop moet worden afgewassen. Bij deze opvatting is het bestaan van de kinderdoop alleszins waarschijnlijk. Nu is het echter merkwaardig, dat Tertullianus in een eerder geschrift De Baptismo de kinderdoop bestrijdt, waarmee tegelijk het bestaan van de kinderdoop in zijn tijd bewezen is. Zeer duidelijke vermelding van de kinderdoop vinden we bij Irenaeus, bisschop van Lyon, afkomstig uit Klein-Azië, wel de belangrijkste theoloog van de 1de eeuw. Ongeveer in het jaar 185 beschrijft hij hoe Christus oud en jong behoudt: 'Want Hij kwam om allen te redden door Zichzelf; allen, dat wil zeggen, die door Hem zijn wedergeboren tot God, zuigelingen, kleuters, kinderen, jonge en oudere mensen'. Vergelijking met andere plaatsen bij Irenaeus leert ons, dat deze met de uitdrukking 'wedergeboren tot God' de doop bedoelt. Origenes van Alexandrië (185—254) zegt in zijn commentaar op de Romeinenbrief, dat de Kerk van de apostelen de traditie ontving om de kinderen te dopen. Wij kunnen daarom vermoeden, dat de kinderdoop vanaf het begin zozeer van­ zelfsprekend kerkelijk gebruik geweest is, dat een speciaal voorschrift dienaangaande volstrekt overbodig was en dat men eigenlijk pas over dit gebruik ging spreken en schrijven, toen het — om welke reden dan ook — werd aangevochten.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De oud-Christelijke kerk IV

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's