De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De vraag naar God in deze tijd

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De vraag naar God in deze tijd

10 minuten leestijd

Godslasterlijk

De titel heeft iets bijna godslasterlijks in tweeërlei zin. In de eerste plaats lijkt het erop dat — wanneer wij spreken van 'God in deze tijd' — God verobjektiveerd is en het lijdend voorwerp van onze tijd — ons denken en spreken en handelen overeenkomstig de geest dezer eeuw — geworden is (want wij vragen naar God); een lijdend voorwerp dat naar keuze gehandhaafd of door een ander vervangen kan worden, zonder dat het onderwerp (wij) en het gezegde ('vragen') van de zin daar wezenlijk door zouden veranderen. God voorwerp en wij onderwerp: dat is religie zonder Openbaring; dat is wat een frans natuurwetenschapsman antwoordde, toen hem gevraagd werd of God een plaats innam in zijn werk en werkterrein en werkhypotheses: 'On n' a pas besoin' (dat is niet nodig). Dat is het gemak waarmee Voltaire sprak: 'God zal wel vergeven; dat is zijn beroep’.

Inmiddels zal niemand mij betwisten dat wat in deze vraag naar God in deze tijd ons godslasterlijk in de oren klinkt, voor velen een vorm van radikaal christendom is.

Ook heeft de titel iets godslasterlijks in zich, doordat zij suggereert dat God een Veranderlijke is. God in deze tijd is een Ander dan in een andere tijd. De onveranderlijkheid en eeuwigheid Gods staan in het theologisch denken, spreken en schrijven over bijna de hele linie genomen thans niet hoog genoteerd. Dat God immers van vóór de schepping tot na de voleinding van een andere en meer doorslaggevende orde is dan enig schepsel, tempert de vraag naar God en tempert ook die pretentieuze woorden 'in deze tijd'. De onveranderlijkheid Gods betekent voor velen, gelijk ook bleek uit het synodale geschrift 'Enige Aspecten van de leer der uitverkiezing' (1966), geen vertaling en konsekwentie van Gods trouw, maar een scholastische term, die als een statisch noodlot God gebonden houdt in Zijn eigen statuten en besluiten. De God van eeuwigheid tot eeuwigheid, de Pantokratoor (de Albeheerder) is zowel op het vlak der verkiezing als op dat der voorzienigheid vervangen door de trekgod, de 'religieuze makker' in horizontale zin. Exegetisch heeft men tegen Zijn eeuwigheid en 'de' eeuwigheid aangevoerd dat de hebreeuwse O.T.-ische uitdrukkingen, die hier gebruikt worden, zouden beduiden: deze tijd zolang als die er is, zover als men kijken kan. Terwijl wat het N.T. betreft, waar men met deze interpretatie niet uitkomt, de visie van Robinson en Barth haar debuut maakte: wat men in bijbelse woorden als toekomst verwacht, is er al; of de gesekulariseerde toekomstvisie van Moltmann: de nieuwe aarde is doel van onze geschiedenis dat wij zonder gericht en zonder wereldbrand bereiken.

Openbaring

Inmiddels zal het duidelijk zijn, dat aan Gods onveranderlijkheid en eeuwigheid alles hangt, juist ook in verband met het heil als een geheel welzijn Gods. 'Want die tot God komt, moet geloven dat Hij is, en een Beloner is dergenen die Hem zoeken'. Ik denk ook aan het Schriftwoord: 'Ik de HEERE word niet veranderd; daarom zijt gij, o kinderen van Jakob, niet verteerd'. Nu kan de Godsleer als de ware theo-logie voor deze tijd niet overgenomen worden uit het verstaan van vroegere generaties en tijden. Het gaat ons niet om een overdracht van een bepaald beeld of 'leermodel' op aards, zij het kerkelijk niveau. Het gaat ons niet in de eerste plaats om de tradities, doch om de Traditie (met een hoofdletter!) Wij leren de onveranderlijkheid en eeuwigheid Gods niet van Thomas van Aquino of Augustinus of Gunning of Kohlbrugge, doch uit Zijn Openbaring door Geest en Woord. Juist daar echter komt de wolk van getuigen in het vizier, staan wij in de Kerk van God van alle tijden en plaatsen en blijkt dat God nu geen andere God is dan in de 19e, 16e, 13e en 5e eeuw of welke ook maar.

Maar waar komt dan die verschuiving in de Godsleer vandaan, waardoor velen de kennis van God in het 'niet-weten' schuiven en zulks radikaal christendom noemen? Laat ik me tot hoofdlijnen mogen beperken. Het kultuurbeeld van de laatste eeuwen toont, dat eerst de schepping als middel tot kennis van God is weggevallen en vervangen is door de menselijk beheerste, verzakelijkte 'natuur'. Daarna werd het Woord in plaats van Openbaringsbron een aantal kritisch te onderzoeken oosterse religieuze geschriften. Nu kende overigens ook de Reformatie volop tekstkritiek, doch dat was om zo dicht mogelijk te geraken bij de bron der Openbaring. Wat in de vorige en deze eeuw in de zgn. bijbelwetenschappen is geschied, is echter een heel andere zaak.

De mens

In dit alles zien wij namelijk heel sterk de mens naar voren komen en over hem moeten wij het nu hebben.
Wat is de mens immers zonder God? Men beweert: heel veel, bijna alles. En daartoe zouden resultaten van wetenschappelijke ontwikkelingen, het duidelijkst toegepast in technieken, kunnen worden opgesomd. In wezen echter blijft die mens, ook in al zijn resultaten het weggelopen, schuldige beeld en gelijkenis van Zijn Maker. Wat hij van zijn uitnemende gaven heeft overgehouden uit de schepping na de zondeval, noemt de N.G.B, (samen met Calvijn e.a.) kleine overblijfsels, alleen voldoende om ons alle onschuld te benemen. U begrijpt: gaat de mens met die resten werken, dan kan hij op aarde, onder zijn soort- en bondgenoten Adamieten een hele spekkoper worden, maar als hij daarmee voor God staat, dan is het dek te kort en het bed te smal (Jeremia).

Blijkt dat absoluut onvoldoende-zijn van de resten nu ook in de praktijk? Ja.

a. Uit een algemeen gevoel van onbehagen en onrust, individueel en in groepen. Het onbehagen, dat voortkomt uit de impotentie, de krachteloosheid om met déze resten de volmaaktheid te bereiken. Het onbehagen dat bijgevolg een grote moeheid met zich meebrengt bij elke mislukte(!) poging om in kreatieve en/of technische zin de volmaaktheid te bereiken. Des te dwazer en des te schuldiger is een kerk die een nieuwe aarde mèt vrede en gerechtigheid predikt als verlengstuk van dit mislukkende pogen, een van de redenen waarom de generatie die het faillissement van de betere bedoelingen aan den lijve ondervindt, zulk een kerk en zulk een verkondiging terecht hopeloos verouderd acht. En gelukkig de mens, welhaast gelukzalig is hij en althans niet verre van het Koninkrijk Gods, die in dit faillissement de tuchtigende en kastijdende hand van God kent, die via onze mislukkingen, zowel wat betreft de bedoelingen als wat betreft het resultaat, of wel zonde en schuld, naar zich toe tuchtigt,

b. Dat absoluut onvoldoende-zijn van die resten blijkt ook uit de wijzen waarop de gemeenschap der mensen uit elkaar gescheurd wordt. Dat het recht op de straten struikelt, is nergens anders om dan het uiteengroeien van Gods recht en mensenrecht, waardoor het laatste geen récht, geen norm meer is, maar de van geval tot geval opgemaakte mening wat men ervan vindt. Zóveel problemen schuiven zich tussen wat het wetboek zegt èn hoe men het toepast, dat er van schuld en straf, en daarin de mens recht doen wedervaren, geen sprake meer kan zijn. Om nog een facet te noemen: de mens-zonder-God is niet alleen heerlijk vrij van wet, recht en norm, maar is dan ook voor al wat hij doet en zelfs voor wat hij niet doet of weet, zelf verantwoordelijk. Want: er is geen god. En dus moet hij lasten dragen, die alleen God kan dragen. Dus moet hij verantwoordelijk zijn voor dat pak, die last van de zonden der wereld, waar Joh. De Doper wel van zegt: 'Zie het Lam Gods ...', doch waar een brok moderne theologie een streep door haalt: Jezus is eerder onze Medereiziger dan onze Borg bij de Vader! Gevolg: de lasten komen op die mens aan, die hoe langer hoe meer moet doen, God moet vervangen en hoe langer hoe minder kan, en tenslotte aan de last bezwijkt via infarcten, attaques, beroerten, hersenbloedingen of de strop en de gaskraan. Zo is de god-isdood-theologie een uitvinding van satan, die ons met de brokken wil laten zitten.

Achtergronden

Maar.. . wie en wat is nu de schuldenaar? Ik heb u al laten merken, dat ik de kerk, voorzover grotelijks levend in de uitwendigheid, door haar aanwakkeren van een bepaald optimisme t.a.v. de nieuwe aarde en het koninkrijk, daar op aanzie en aanspreek. Voorts: in het kerkelijk leven heeft — hoe vervelend het ook is te zeggen — de dialektische theologie, goeddeels onbewust m.i., een basis gelegd voor dit soort uitwassen. De dialektische theologie (Barth, Brunner, Bultmann) heeft het hele verstaan der Schriften van Christus Jezus uit zeer bevorderd, als tegenpool tegen het liberalisme in de kerk en zich beroepend vnl. op delen van de vroege Kerk, de Reformatie en Kohlbrugge. Maar de kinderen van de dialektische theologie hebben gemeend, op die basis de triniteit vaarwel te moeten zeggen en te versmallen tot een Jesulogie-van-geboorte-tot-sterven (geen opstanding, hemelvaart, wederkomst!, geen trappen der verhoging!), die bijbels nergens op kan steunen.

Een derde punt: men zegt wel eens, dat de vrijzinnigheid als bestanddeel van de Ned. Herv. Kerk en van het officiële kerkelijke leven geen of nauwelijks een rol meer speelt. Het kan waar zijn; in alle geval heeft zich sedert jaren en eigenlijk, sedert de 2e Wereldoorlog een nieuw soort vrijzinnigheid voorgedaan, die meer kultureel en politiek dan kerkelijk bepalend werkt. Het is een verlammend verschijnsel, met name kenbaar in nieuwe wijken op het platteland of in grotere provincieplaatsen, waar mensen-van-alle-kanten wèl religieus zijn, doch zich absoluut niet willen voegen naar het bestaan en leven der gemeente in en uit de eredienst; liefst zou men een meervoudig kerkelijk lidmaatschap aangaan, geheel van eigen interessen uit deelnemen of niet deelnemen. Doch in alle geval: geen vaste binding. En achter deze zaken staat een struktuur, waarin de mens bepalend is. Beslag op de kommunikatiemedia maakt dit tot een spraakmakende stroming in ons land.

En wij?

Maar nu komen we aan het teerste en moeilijkste punt. Dat zijn wij zelf. Wat hebben wij daartegen en daaraan gedaan?

a. Er is bij ons een onderschatting van de leer des Heeren te konstateren, waarbij door het wegschuiven van het menselijk verstand, dat van nature de dingen des Geestes niet verstaat, er weinig interesse meer is voor het kennen en leren kennen van de zaken. Daarom gaat ook ten onzent de catechese scheef op het punt van de leer. Daar mogen wij wel ernstig op toezien wat onze jongeren betreft: anders krijgen óók wij een geselekteerde prediking en kennis alléén van die zaken, waar wij belangstelling voor hebben.
b. De zaligheid stond bij ons mèt de hemel jaar en dag hoger genoteerd dan het Wezen Gods en het kennen van de Heere in Zijn drieëenheid. Daar was maar één wapen tegen: dat het verbond Gods weer geleerd en gepredikt werd. En dat is dan ook gebéurd en werpt nu al zijn goede vruchten af.
c. Doch via de verbonden prediking is ook ons een christocentrisme eigen geworden, dat ten dele wel bijbels is, doch anderdeels het gevaar loopt, de Persoon des Vaders (en dus de schepping en het recht (de Wet als tuchtmeester tot Christus) en de Persoon des Geestes (en dus de gaven van de Geest in de gemeente èn de Geest als onderpand èn het komen tot het kindschap Gods) in de verdrukking te brengen. Wanneer déze zaken in prediking, catechese en pastoraat terechtkomen, dan wordt in het lichaam van Christus het levend bewijs gezien van de manier waarop God onder en met Zijn volk leeft en wil leven. En zo niet, dan zijn wij des te schuldiger dan allen die niet weten wat wij horen, gehoord hebben en kunnen weten. Ik eindig met het psalmwoord, waar Groen van Prinsterer zijn Geschiedenis des Vaderlands mee beëindigt: 'Welgelukzalig is het volk, welks God de HEERE is’.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De vraag naar God in deze tijd

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's