De huurling en de goede Herder
Ik ben de goede Herder. De goede Herder stelt Zijn leven voor de schapen, maar de huurling en die geen herder is, wien de schapen niet eigen zijn, ziet de wolf komen, en verlaat de schapen en vliedt. Joh. 10 : 11 en 12
De Heere Jezus heeft eens gezegd: Niemand heeft meerder liefde dan deze, dat iemand zijn leven zet voor zijn vrienden. Dat heeft de Heere Jezus Zelf gedaan: Hij is de dood ingegaan, en dat voor mensen die eigenlijk niet Zijn vrienden, maar Zijn vijanden zijn. Wat heeft Hij een grote liefde.
Zo noemt de Heere Jezus Zich hier: de goede Herder. Het herdersleven in het oosten was niet zo gemakkelijk. Bij ons is een herder iemand, die een rustig bestaan heeft, met de schapen er op uittrekt, en 's avonds weer thuis is. In het oosten konden wilde dieren komen om de kudde te overvallen. De herder vocht met hen om de schapen te beschermen. Denkt u maar aan David. Het kon hem wel eens zijn leven kosten. De schapen waren afhankelijk van de herder, van zijn zorg en zijn trouw. Als hij niet voor hen zorgde en niet alles voor hen over had, waren ze een prooi voor de wilde dieren, ten dode opgeschreven.
Eerst heeft de Heere Jezus gesproken over de dief en de herder. De dief klimt op slinkse wijze de schaapskooi binnen om te stelen en te slachten. De herder zorgt goed voor de schapen. De duivel is er op uit om de mensen tot de ondergang te leiden: de Heere Jezus voert naar het eeuwige leven.
Toen ging de Heere Jezus over op een ander beeld. Hij noemde Zich: de deur. Alleen door de Heere Jezus, de deur, is er voor arme, verloren zondaren toegang tot de Vader, tot het Vaderhuis, tot het Koninkrijk Gods.
In ons Schriftgedeelte spreekt de Heere Jezus nu over de huurling en de goede herder. Tussen die twee is ook een grote tegenstelling. De huurling is niet als de dief; de dief steelt en slacht; de huurling zorgt voor de schapen: hij is ook een herder. Maar er is verschil tussen hem en de goede herder. De huurling is herder om daarmee geld te verdienen. Hij doet dit werk voor de kost. De schapen zijn niet van hem, er is geen bijzondere band tussen hem en de schapen. Het gaat wellicht een tijd goed, maar als er gevaar komt, laat de huurling de schapen in de steek. Zijn leven is hem te lief.
Wie zou de Heere Jezus nu bedoelen met de huurling? Sommige uitleggers zeggen: niemand! het behoort eenvoudig bij de beeldspraak: het dient alleen maar om duidelijk te laten uitkomen, wie en wat de goede herder is. Wat een goede herder is en doet, kunnen we des te beter zien als we letten op wat de huurling is en doet. Calvijn echter meende, dat met de huurling wel terdege iemand bedoeld wordt, nl. iemand, die wel de zuivere leer behoudt, maar toch Christus niet getrouw dient. Denk b.v. aan Filippensen 1 : 15: Christus prediken uit nijd. We zouden kunnen zeggen: herders alleen om het brood. Natuurlijk is het zo, dat een dienaar des Woords ook tevens onderhoud nodig heeft. De Heere wil, dat de gemeente zorgt voor de dienaren des Heeren, zodat deze zich geheel, zonder zorgen, kunnen geven aan de dienst des Heeren. Leest u maar, wat de apostel schrijft in 1 Corinthe 9 : 14. Maar als er zijn, die het alleen doen 'om de brode', dan zijn het huurlingen. Alleen om de kost te verdienen, dan zegt de Heere: huurlingen zijn ze. Ze hebben geen bijzondere zorg voor de schapen. Paulus schrijft: 'Gij weet, hoe grote strijd ik voor u heb'. Dat missen de huurlingen. En hoeveel wolven gaan niet rond om de kudde aan te vallen? De apostel spreekt over zware wolven, die zullen komen tot de gemeente (Hand. 20 : 29). Valse leringen, die verkondigd zullen worden om de gemeente af te brengen van het enige fundament. Waar is de huurling? Hij vlucht.
Hoe geheel anders is de goede herder. Leg de nadruk op het woordje 'goed'. Het betekent: de herder, die is, zoals hij zijn moet. Als de Heere alles geschapen heeft is alles zeer goed. Door de zonde is het anders geworden. Wie van ons kan nu nog zeggen, dat hij goed is? Toch immers niemand.
Wie is nu de goede Herder, de enige goede Herder? De Heere Jezus Christus! Hij alleen. Waaruit blijkt dat? Wel, de goede herder stelt zijn leven voor de schapen. Dat heeft de Heere Jezus gedaan in de volle zin van het woord. David vocht met wilde dieren, maar bracht het leven er af. Maar de Heere Jezus is echt de dood ingegaan. Hij stierf aan het kruis. Waarom? Voor ons, ten bate van ons, ten gunste van ons. In de loop der jaren zijn heel wat mensen voor anderen de dood ingegaan, maar dat was toch heel anders dan de Heere Jezus deed. Zijn lijden en sterven is een verzoenend lijden en sterven. Hij ging de dood in om zondaren te verlossen van htm schuld en zonde. Hij droeg Gods toorn over de zonde. Hij droeg de straf, die wij verdiend hebben. Hoe diep beschrijft Jesaja dat in hoofdstuk 53. Wij liggen onder de toorn Gods; onder Gods vloek: vervloekt is hij, die niet doet, wat er in de wet geschreven staat. Het heilig recht Gods eist, dat de zonde gestraft wordt. En dan niet maar met tijdelijke straf, maar met de eeuwige. De straf in de hel: de eeuwige dood. Wie zal die straf dragen? Wij hebben ze verdiend, en wie zonder geloof, zonder bekeiring sterft, ontvangt die straf voor eeuwig. Haast u om de vrede met God te zoeken!
Maar dit is het wonder van Gods genade, dat God de zonde straft aan Zijn eigen lieve Zoon. De Heere Jezus wordt tot zonde gemaakt, hoewel Hij zonder zonde is. Hij gaat in, in de godverlatenheid aan het kruis, waar Hij roept: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? En dat: voor ons, ten bate van ons, ten gunste van ons. Om ons van onze schuld en zonde te verlossen, en met God te verzoenen. Hoe ontroerend zegt ons Avondmaalsformulier het: Hij heeft de toorn Gods, onder welke wij eeuwig hadden moeten verzinken, voor ons gedragen. Hij is onschuldig ter dood veroordeeld, opdat wij voor het gericht Gods vrijgesproken zouden worden: Hij heeft de vervloeking van ons op Zich geladen, opdat Hij ons met Zijn zegening vervullen zou; Hij heeft Zich vernederd tot de allerdiepste versmaadheid en angst der hel met lichaam en ziel aan het hout des kruises. Wat een goedheid en liefde van deze Herder. En dat, opdat wij tot God genomen en nimmermeer van Hem verlaten zouden worden.
En nu leert de Heere al de Zijnen door het geloof op Christus alleen te bouwen. Het geloof erkent en belijdt schuldig te zijn, de straf verdiend te hebben, maar leert pleiten op Christus; op Hem rusten; alles van Hem verwachten. Het zaligmakend geloof is altijd op de Heere Jezus Christus gericht. Door Christus' dood is voor des doodsschuldige zondaren het leven bereid, en de Heere leert de Zijnen, die van zichzelf midden in de dood liggen, het leven te zoeken buiten zichzelf in Christus. Wie in het geloof op Christus leert bouwen. Hem ingelijfd door de H. Geest, wordt gerechtvaardigd, en gerechtvaardigd door het geloof, hebt ge vrede met God door de Heere Jezus.
Tot deze Christus, de goede Herder, worden arme zondaren genodigd. Hij roept ze. Hij roept door het Woord. Hij roept door de H. Geest. ’Komt tot Mij’.
De goede Herder zegt nog iets. Ik ken de Mijnen en word van de Mijnen gekend. Gelijk de Vader Mij kent alzo ken Ik ook de Vader. Tussen de Vader en de Zoon is een goddelijk kennen. Johannes spreekt over de Zoon, Die in de schoot des Vaders is. De Vader kent de Zoon; de Zoon kent de Vader.
De Heere Jezus kent al Zijn schapen. Ze zijn Hem gegeven, reeds voor de grondlegging der wereld; ze behoren Hem toe. Voor hen ging Hij naar het kruis en gaf Zijn bloed. Hij kocht hen van al hun zonden; kocht hen Zich tot Zijn eigendom. Door Woord en Geest heeft Hij hen geroepen, en ze hebben Zijn stem gehoord en zijn Hem gevolgd. De Herder kent hen: Abraham, Izaak, Jakob, David, Petrus, Johannes, Paulus, Levi, Zacheüs, Maria, enz. noemt u ze maar op. Hij kent ze allen bij name. Er is een band tussen de Herder in de hemel en Zijn schapen op aarde. Hij kent al de Zijnen in hun zorgen en noden, in hun smart over de zonde, en treuren over hun schuld: Hij kent de Zijnen in hun struikelen en vallen. Hij kent hen in hun roepen tot Hem, en in hun blijdschap in Hem. In alles. Hij is de grote Hogepriester, Die medelijden kan hebben met onze zwakheden. (Hebr. 4 : 15). Wat een troost, als we weten mogen van de goede Herder, Die ons kent. Zo zal geen enkel schaap van deze Herder verloren gaan. Ze zijn Zijn gekenden, des Heeren.
En Ik word van de Mijnen gekend. De schapen kennen de Herder en de stem van de herder. Daar is een wederzijdse kennis: de Heere Jezus kent de Zijnen, de Zijnen kennen Hem. Dat is niet een verstandelijke kennis, zoals een jongen op school zijn les kent. Het is de geloofskennis. Johannes 17 spreekt over: dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt. De apostel Paulus schrijft, dat het Gode behaagd heeft de Heere Jezus in hem te openbaren (Gal.l:16). Nu kent hij Christus; die Christus, Die hij eerst niet kende, maar haatte. Wie door de H. Geest ontdekt aan zonde en schuld, tot Christus geleid wordt, leert Hem kennen. Kennen in Zijn genade, in Zijn liefde, in Zijn beminnelijkheid, in Zijn geduld en lankmoedigheid, in Zijn trouw. Kennen in Zijn verlossing en redding, kennen in Zijn bewaring; Christus kennen en de kracht van Zijn opstanding.
Kent u deze goede Herder, Die Zijn leven stelde voor Zijn schapen, en Die al Zijn schapen kent? Jezus zegt: Ik ben de goede Herder.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's