De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

14 minuten leestijd

Kritische gemeenten

De experimenten op het gebied van gemeentevorming worden de laatste tijd samen gevat onder het hoofd: kritische gemeente. Nu is dit een uitermate vaag begrip. Wat wordt er onder het woord 'kritisch' verstaan? Is hiermee bedoeld: een gemeente die zich stelt onder de kritiek van het Woord Gods, wetend dat er één Here is, die haar oordeelt, en die daarom kritisch-waakzaam in de wereld wil staan? Of is de term meer binnenkerkelijk gericht en gaat het om gemeenten en groepen die kritisch opgesteld zijn tegen de gevestigde gemeente? In het laatste geval zou men de vraag kunnen stellen: Wat is het verschil tussen een kritische gemeente en een secte?

Ds. R. F. Snow noemt in Hervormd Nederland van 5 februari de kritische gegemeente de laatste rekening die de kerk gepresenteerd wordt. Zal ook dit, een onbetaalde rekening worden, zoals zovele vernieuwingsbewegingen uit het verleden? De kerk is aan een faillissement toe, schrijft ds. Snow. Gelukkig zijn er kritische gemeenten, die geen sekten willen zijn, maar gedragen worden door een geest van loyaliteit jegens de kerken. De vraag is wel: Hoelang zal de kritische gemeente nog het geduld willen opbrengen om loyaal te zijn, als de gevestigde kerken halsstarrig blijken? Ds. Snow schrijft duidelijke taal. Duidelijk blijkt immers dat de kritische gemeenten zich wel kritisch opstellen ten aanzien van de gevestigde kerk, maar al bij voorbaat ervan uitgaan dat de redding uit het faillissement van hen moet komen.

We citeren uit het artikel van ds. Snow:

Wat is een kritische gemeente? Ook de genoemde vijf beschrijvingen maken dat niet exact duidelijk. Daarmee is wel een eerste kenmerk aangegeven. Het zijn experimenten, waarbij de theorie en route achteraf worden geschreven. Zoals de theologie vanuit het pastoraat.

Duidelijk is wel, dat het om 'gezworenen' gaat, groepen met duidelijke afspraken, waarin ambtsdrager-of leek-zijn en kerkelijke achtergrond slechts een functionele rol spelen. Een maatschappij-kritische instelling bindt samen. Het evangelisch uitgangspunt is onomwonden. Niet exclusief echter. Men wenst het één niet in mindering van het andere te brengen. Kan dat ook niet. Samenwerking met andersgezinden is dan ook intens.

Opvallend is, dat in de plaatselijke experimenten de viering van brood en wijn centraal staat. Men ervaart het sacrament als bij uitstek geschikt voor het proces van solidarisering met armen en ontrechten.

Grote bewogenheid met het onrecht in deze wereld èn een kritisch oog voor het feit dat vele structuren dit onrecht in stand houden en bevorderen enerzijds en een niet langer genoegen nemen met het onvermogen van de kerken tot duidelijke keuze en actie anderzijds, hebben doorgaans tot het ontstaan van deze groepen geleid. Het aantal neemt snel toe.

Wat er precies gebeurt? Men houdt 'diensten', viert 'liturgie'. Het aan de orde stellen en zo kundig mogelijk openbaar maken van onrechtsituaties vormt daar een onlosmakelijk deel van. Men doet aan mentale vorming, biedt actiemodellen aan en steunt bestaande actiegroepen. Structuur en organisatie zijn bij de meeste groepen vaag.

Alles wordt getekend door een voorlopigheidskarakter. Daar ligt ongetwijfeld de kracht en beweeglijkheid voor het moment, maar wellicht ook de zwakke plek voor de toekomst. Terecht richt dr. Laeyendecker daar één van zijn kritische vragen op: wat zijn de vooruitzichten voor de continuïteit en uitbouw van de kritische gemeenten?

Dat is echter voorlopig nog geen vraag voor die kritische gemeenten. Wel aan de kerken. Evenals het uit de praktijk gebleken probleem of de liturgische grondvormen nog geschikt zijn een modem-kritische dimensie tot uitdrukking te brengen. Zolang deze groepen weigeren meer dan een experiment te zijn, verspieders naar het land van de oecumenische toekomst, voorlopige en bescheiden dragers van het profetisch ambt, zolang nog zijn alle kritische vragen, vragen aan de kerken.

Met instemming citeer ik hier dr. Van Beusekom: 'Als de kerken de uitdaging van de kritische gemeenten blijven negeren en meer bezorgdheid tonen voor het bijeenhouden van de kerkelijk-getrouwen of als zij onder het uiten van vriendelijke en bezorgde woorden werkeloos blijven toezien, dan zullen zij verder vastlopen in krampachtig verdedigde stellingen.

Loyaliteit aan de kerken blijkt intussen in de kritische gemeenten reeds een vraag te worden. Kerkvernieuwing is geen prioriteit meer. Als deel van haar maatschappijkritiek oefenen zij ook kerk-kritiek uit. Als deel van de solidariteit met verdrukte groepen wil men solidair zijn met de underdog in de kerken. Nog steeds in staat zichzelf te relativeren en de humor een kans gevend, is de deur naar het achterland tot op vandaag nog open. Voor velen grenst dit echter aan verraad en energieverspilling. De weg wordt duidelijker, de rekening aan de kerken urgenter! Een rekening, die dr. Fiolet vergeet te presenteren, als hij in het slotartikel stelt, dat de Wereldraad van Kerken het establishment van verdeeldheid is geworden. Hij heeft gelijk als hij het tot niets verplichtende karakter van de oecumenische beweging hekelt. Dat gaat voor de Wereldraad op èn voor de Raad van Kerken in Nederland. Maar wie moet men dat verwijten? Zeker niet de organen van de Wereldraad, die de verantwoordelijkheid voor de oecumenische beweging gedwongen waren over te nemen, die vooruit gingen lopen, als het ware een kritische gemeente vormden. Door wel in die richting de vinger op te heffen, versluiert dr. Fiolet het eigenlijke probleem: de ongehoorzaamheid van de kerken aan het evangelie.

Het stuk getuigt van weinig pastoraal gevoel. Voor velen glanst bij de Wereldraad nog een laatste glimp je kerkelijke hoop. Daar durft en onderneemt men tenminste nog wat. Ook lijkt het weinig opportuun. Hadden enkelen wellicht nog een kleine hoop, dat het samentreffen van het centrale comité deze zomer in Utrecht de door polarisatie binnen onze kerken nog meer verlamde oecumene een nieuwe aanzet zou geven, dan kan die nu wel vervliegen. Er is van onverwachte hoek een stok aangeboden om te slaan. Men zal dat maar al te graag doen. Dat de stok krom is, doet daarbij niet meer ter zake.

Ook deze rekening zal wel weer door anderen moeten worden betaald.

Wij vragen ons af, of men op deze wijze niet elk gesprek blokkeert. Er spreekt uit verschillende zinnen een zelfverzekerdheid waarin men nauwelijks nog de geest van het Evangelie kan herkennen. De kerk staat voor de keus, aldus de voorstanders van de kritische gemeenten om of de uitdaging van de vernieuwers te accepteren, of de kerkelijk-getrouwen bij elkaar te houden: Het gaat niet om reformatie van de kerk. Nee, primair is er de maatschappijkritiek. Daarbinnen heeft de kerk-kritiek zijn plaats. Op deze wijze wordt elke bijbelse fundering onder het kerk-zijn weggeslagen. Schrift en kerk komen dan nog ter sprake voor zover zij uit maatschappijkritisch oogpimt belangrijk zijn.

Samenbindend is niet het Woord, de belijdenis, het gemeenschappelijk geloof, maar de maatschappijkritische instelling.

En het sacrament wordt ervaren als bij uitstek geschikt voor het proces van solidarisering met de armen. Ik kan dit niet anders zien dan als een heilloze politisering van de kerk. En deze politisering zal onmogelijk kunnen leiden tot vernieuwing van de kerk, zoals zij naar de Schrift moet zijn, maar zal - in dit spoor - alleen maar de afbraak van de kerk bevorderen. De kerk wordt dan een maatschappijkritische beweging. En dat betekent m.i. een totale verhumanisering van het Evangelie.

De situatie in de kerk is inderdaad zorgelijk. Woorden als faillissement etc. mogen ons onrustig maken. Maar als de kerk ooit deze onbetaalde-rekening gaat betalen, zoals ds. Snow wenst, en als zij dat doet in de geest van de kritiscne gemeente, zal dit het faillissement alleen maar bespoedigen.

Was Jezus een revolutionair?

U weet: door velen wordt deze vraag bevestigend beantwoord. Uit de evangelieverhalen tracht men te bewijzen dat Messias Jezus stelling nam tegen de gevestigde orde en niet afkerig was van revolutionaire actie. In het orgaan van de confessionele vereniging (27 jan.) schrijft dr. G. de Ru dat een dergelijke opvatting berust op een onjuiste exegese, waarbij men niet leest wat er staat, maar er in leest, wat men zelf wil zeggen. Geen uitleg dus, maar inlegkunde. Dr. De Ru toont dat aan, aan de hand van een tweetal voorbeelden. Graag geef ik u dit uitnemende artikel door, zonder verder commentaar. De inhoud spreekt voor zichzelf, en wil ons waarschuwen voor een vertekend Jezusbeeld.

Bij nauwkeuriger onderzoek blijkt al spoedig, dat het beeld van deze revolutionaire Jezus berust op een uitleg van de desbetreffende bijbelgedeelten, die met het grotere verband waarin zij voorkomen nauwelijks rekening houdt en aan de woorden en begrippen vanuit een westerse wijze van denken een andere betekenis (klank en kleur) geeft dan die zij in de sfeer van de antieke oosterse wereld hadden. Door een schijnbaar klein nuanceverschil in de vertaling (in feite meestal reeds door de exegese beïnvloed) kan een bijbelwoord op die manier de bevestiging leveren van eigentijdse moderne opvattingen. Ik signaleer hier twee staaltjes van een dergelijke onzorgvuldige exegese, die een vertekend beeld geven van Jezus, zoals deze in het verhaal van de evangelist naar voren komt.

In een kerkblad van een onzer grote gemeenten wordt de vreemdheid van Jezus' als volgt toegelicht: Het begon al bij het begin van zijn publieke optreden: Vrouw, wat heb ik met u te doen? ' (Joh. 2:4). 'Vrouw' — tegen je moeder! Welke zoon spreekt zó tot zijn moeder? Tot zijn eerste optreden behoorde eveneens dat hij in woede van stukken touw een zweep maakte, daarmee mensen de tempel uitranselde en tafeltjes met geld omsmeet (Joh. 2 : 13 v.v.)’.

Ik volsta met een enkele kanttekening, eerst bij het verhaal van de bruiloft te Kana, daarna bij dat van de tempelreiniging. Het woord 'vrouw' heeft als aanspraaktitel geen minachtende, verloochenende klank, zodat men met ontsteltenis kan uitroepen: 'Vrouw — tegen je moeder! Welke zoon spreekt zó tot zijn moeder? ' Zowel in het hebreeuws (ischah, vgl. Strack-Billerbeck II, 401) als in het classieke grieks (gunai) was de aanspraak 'vrouw' gebruikelijk. Odysseus zegt het in Homerus' heldendicht tot Penelope en koning Oedipus in Sophocles' treurspel tot Jokaste. Er is dan ook geen zweem van grofheid of gebrek aan eerbied bij Jezus, als hij zijn moeder zo toespreekt. Hij wil slechts door het beleefde, wat vormelijke 'vrouw' een afstand aanduiden, die Maria begrijpelijkerwijs nog te weinig ziet.

Ook de uitdrukking: 'wat heb ik met u te doen? ' — in het hebreeuws en het grieks staat er letterlijk: 'wat is er voor mij en voor u? ' — is een veel voorkomende formulering in de LXX (griekse vertaling van het O.T.) en in het Nieuwe Testament. Zij betekent geen afwijzing zonder meer, maar heeft betrekking op een concrete situatie. Hoort men in deze woorden een verontwaardigde terechtwijzing van moederlijke bemoeizucht, dan trekt men het gebeuren wel té zeer in het psychologisch-moralistische vlak. Ook kunnen zij moeilijk beschouwd worden als een krachtig verweer tegen de verzoeking tot voortijdig ingrijpen, want even later doet Jezus precies dat, waarop Maria met haar mededeling aanstuurde! Daarom vertaalt men waarschijnlijk de bewuste woorden het beste met: 'maak u niet ongerust' of 'wat is zoiets gerings voor mij en u? ’

Maar zelfs als men Jezus wil laten zeggen: 'houdt u zich hier even buiten' getuigen zijn woorden nog geenszins van gebrek aan respect voor zijn moeder. Integendeel, hij formuleert zijn antwoord op hoffelijke wijze. Jezus die zich bewust is van zijn speciale roeping, markeert met dit antwoord een zekere distantie tussen hem, de Zoon des Vaders, en zijn moeder. Hetzelfde zal hij later doen als hij tot degenen, die hem uit naam van zijn bezorgde moeder en broers komen zoeken, zegt: Wie zijn mijn moeder en broeders? ' (Marc. 3 : 31—35).

Hier noch in Joh. 2 is er sprake van een grove bejegening. De menselijke verbondenheid en de daaruit eventueel voortvloeiende aanspraken van Maria mogen geen rol spelen, als Jezus vanuit zijn geheel enige relatie tot de Vader zijn heilswerk op aarde gaat verrichten. Hij heeft zijn eigen roeping, zijn eigen weg, zijn eigen ure. Jezus nu helpt Maria op vriendelijke wijze om het bijzondere van zijn verhouding tot haar, zijn moeder, te onderkennen als ver uitgaande boven die van de bloedsband en de gezinsverbondenheid. Prachtig vinden wij dat onder woorden gebracht door de dichter Boutens, als hij Maria in zijn Piëta laat zeggen:

’U heb ik niet gekregen, u heb ik nooit verloren: Mijn leven werd u winnen van dat gij waart geboren,

Gij even vreemd en eigen van ver als van nabij — Ik was veeleer een kind van u dan gij van mij.’

Maria heeft in Jezus haar Verlosser moeten leren zien. Dat dit aan Jezus' eerbied en liefde voor zijn moeder geen afbreuk heeft gedaan bewijst wel het raam, waarin hun gemeenschappelijke geschiedenis verteld staat. Aan het begin wordt van de twaalf­ jarige Jezus, die allen verbaasde door zijn verstand en zijn antwoorden, geschreven: en hij ging met hen terug en kwam te Nazareth en was hun onderdanig' (Luc. 2:51). En aan het eind is de Man van smarten in zijn stervensnood nog bezig met zijn moeder en geeft haar aan zijn trouwe leerling Johannes ter verzorging: toen Jezus zijn moeder zag en de discipel, die hij liefhad bij haar staande, zeide hij tot zijn moeder: vrouw, zie uw zoon'. Daarna zeide hij tot de discipel: zie uw moeder'. (Joh. 19 : 27).

Er is dus geen enkele reden om uit het gesprek met Maria op de bruiloft te Kana te concluderen tot een critische opstelling van Jezus tegenover de geldende normen en gezagsverhoudingen in het familieleven in het algemeen. Evenmin is het mogelijk uit de daarop volgende beschrijving van de tempelreiniging de gevolgtrekking te maken, dat Jezus niet terugdeinsde voor het gebruiken van geweld en in woede mensen het heiligdom uitranselde. Ook over deze scène slechts een paar opmerkingen.

De vier evangelisten vertellen allen dit voorval, dat blijkbaar vast in de mondelinge traditie verankerd lag. Geen van hen echter zegt, dat Jezus woedend was. Woorden als woede, boosheid, toorn komen in hun relaas niet voor. De zweep van touwtjes, die Jezus maakte, diende duidelijk om de dieren, de schapen en de runderen, weg te jagen (Joh. 2 : 15), niet om mensen te ranselen! Dat laatste zou wel volledig in strijd zijn met het beeld, dat de evangelisten elders, zelfs van een vertoornde Jezus tekenen. Dat hij bovendien nog — zoals sommige exegeten veronderstellen — met behulp van zijn volgelingen het tempelplein zou hebben schoongeveegd, waardoor het revolutionair karakter van zijn optreden des te duidelijker aan de dag gekomen zou zijn, berust op pure fantasie. De overlevering, in alle vier versies, bepaalt zich tot een sobere be­ schrijving van wat er plaats vindt als Jezus het tempelplein betreedt: Hij ziet en hoort wat er gaande is, drijft de kooplieden en dieren weg, gooit geldtafeltjes om en voegt de handelaren toe, dat zij het Huis van zijn Vader, een Huis des gebeds, gemaakt hebben tot een verkoophuis, tot een rovershol. Over Jezus' gemoedstoestand wordt niets gezegd! In de heilige Schrift wordt niet veel gepsychologiseerd. Het zijn de discipelen, die zich — als zij hun Meester bezig zien — het psalmwoord herinneren: De ijver voor uw huis zal mij verteren' (Ps. 69:10). Deze ijver, deze brandende liefde brengt Jezus er echter niet toe in het Huis van zijn Vader, het Huis des gebeds, met een zweep mensen te ranselen. Stelt men het zich nochtans zó voor en legt men die voorstelling door toevoeging van de woorden 'in woede' en door intensivering van 'uitdrijven' tot 'ranselen' in de tekst in, dan tracht men via een geforceerde exegese Jezus te annexeren voor eigen opvattingen, hem te maken tot de revolutionaire figuur, die hij niet was. Dan is daarmee de eerste stap gezet op de weg naar een meer en meer gebruikelijke vertekening van Jezus als Messias, die het heil, het welzijn, de vrede, de humaniteit op aarde kwam bewerken. Typerend is ten deze de voorkeur, die men aan de dag legt voor het woord Messias in plaats van Christus. Maar wie Jezus als revolutionaire verzetsheld ziet, die — tegen alle kerkelijke en wereldlijke gevestigde machten in — het Koninkrijk Gods op aarde wilde oprichten, die zijn moeder ruw bejegende en woedend mensen uit de tempel ranselde, ziet niet de Jezus van de evangeliën: de Zaaier, die zelf het Tarwegraan was, de Priester, die zelf het Lam was, de Koning van het Rijk, dat niet van deze wereld is en ook niet in het verlengde van deze wereld zal worden gerealiseerd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's