De synode over de ’boodschap van bemoediging’
Vorige week heb ik in grote lijnen een indruk gegeven van het stuk, dat een commissie van zes had opgesteld in opdracht van de synode als boodschap van voorlichting en bemoediging voor gemeenten en ambtsdragers. Ook gaf ik in het kort weer wat dienaangaande ter synode besloten is. De synode wees het stuk naar de commissie terug, met de opdracht het te herschrijven waarbij de inhoud van de eerste vier paragrafen gehandhaafd dient te blijven, terwijl de laatste paragrafen, waar de politieke prediking in het vizier komt, herschreven dienen te worden, zonder de bedoeling ervan aan te tasten. Die laatste paragrafen moeten dan wel aansluiten bij de eerste vier paragrafen terwijl het geheel ook geplaatst moet worden in de bredere contekst van de polarisatie, die zich allerwege aan het voltrekken is en van de fundamentele crisis van het menselijk bestaan in deze tijd! Deze crisis en polarisatie moeten — zoals geformuleerd werd — in bijbels-eschatologisch licht worden geplaatst.
Mocht het getuigenis zich op de synode verheugen in een algemene 'erkentelijkheid', ten aanzien van de 'waardering', waarmee dit stuk van de commissie werd begroet en van de opdracht tot herschrijving lag dat anders. Met 17 stemmen tegen werd aan de commissie opgedragen het stuk te herschrijven. Duidelijk was dat diverse synodeleden de inhoud van de opdracht niet konden onderschrijven. Na de bespreking over het Getuigenis luidde de opdracht immers een boodschap van voorlichting en bemoediging te geven, gehoord hebbende het Getuigenis, gehoord hebbende ook wat daarover in de synode en de Kerk aan reacties is losgekomen. Aan die opdracht heeft de commissie niet voldaan. Thans is opgedragen aan de commissie om het stuk te herschrijven met behoud van de inhoud. Het is duidelijk dat daar een inconsequentie zit. Het ligt intussen voor de hand dat de commissie, gezien de samenstelling ervan, er niet in slagen zal iets te geven wat beter zal zijn dan wat nu geboden is. Dat zal alleen kunnen bij een homogene samenstelling van de commissie. Dr. Van Andel wees ook een voorstel van ds. Binnekamp van de hand om het samen te doen met de opstellers van het Getuigenis. Dat zou volgens hem geen partij zijn, want de opstellen vormden een te homogeen gezelschap tegenover de commissie. Mijns inziens een onthullende opmerking, die in feite de machteloosheid van de commissie bloot legt om een echt woord van bemoediging te geven. Dat is een spijtige zaak. Het zou dan bepaald ook beter geweest zijn wanneer de synode geluisterd had naar wat ds. Groenenberg zei. Hij vroeg zich af waarom het eigenlijk nog moest, een dergelijk stuk. Het zou toch zeker niet meer de reikwijdte krijgen van het Getuigenis. Het Getuigenis had al bereikt wat bereikt moest worden, namelijk het gesprek over de zaken van het belijden der Kerk in de gemeenten. Hét Getuigenis heeft duidelijk de gemeenten bereikt. Prof. Berkhof zei dat het zelfs op dameskransjes besproken wordt.
Uit de discussie
Ik laat nu nog een aantal punten uit de discussie volgen.
Ds. V. d. Bosch, één van de commissieleden, merkte op dat er in de discussie rondom het Getuigenis een merkwaardig nieuw element was opgetreden, namelijk dat de synode het beter zou gaan zeggen. Dat is, aldus ds. v. d. Bosch, niet de bedoeling geweest. De zaak, die door het Getuigenis aan de orde is gesteld, diende in een synodale boodschap verwoord te worden. En de authentiek bijbelse tendentie in het Getuigenis en de kritiek daarop zijn terdege in het stuk van de commissie verwoord! Inmiddels is de spanning in de disputen over het Getuigenis door de commissie niet overbrugd, aldus ds. v. d. Bosch.
Over de distantie, die ds. Noordegraaf — zelf commissielid — ten opzichte van het rapport innam, schreef ik vorige week al. Ter aanvulling nog enkele opmerkingen van hem: de passage, waarin gesproken wordt over het Oude Testament als het verhaal van een zich in de geschiedenis van Gods volk voltrekkende bevrijdingsbeweging achtte hij misleidend. Bovendien worden in het stuk al te veel de verschillen toegedekt tussen hen, bij wie het gaat om Jezus als rustpunt voor hun hart en de koplopers voor de revolutionaire prediking.
Prof. Rasker (commissielid) stelde dat in het stuk de paragraaf over de politieke consequenties niet mocht ontbreken en liet terloops doorschemeren dat hijzelf voor de inhoud ervan verantwoordelijk was.
Dr. C. P. van Andel, eveneens lid van de commissie, zei dat in het stuk verschillende meningen naast elkaar zijn geplaatst. Ds. Delbeek (Hardegarijp) wees op de moeilijke stijl van het stuk, op verschillende onbegrijpelijke passages. Hij was dankbaar voor het feit dat toegegeven werd dat de leidinggevende organen op bepaalde punten tekort geschoten zijn en de geloofscrisis bevorderd hebben. Hij pleitte verder voor een benadrukken van meditatie en gebed, waardoor de 'kwaliteit van het menselijk handelen verbeterd zou worden’.
Verschillende afgevaardigden ter synode kwamen niet veel anders zeggen dan dat de paragraaf over de politieke prediking er al of niet bij moest, of dat het stuk be paald geen woord van bemoediging was. Opvallend was overigens wat ds. Posthumus Meijjes (Amsterdam) zei: 'Toen ik het Getuigenis las overviel me een beklemming en vroeg ik me af of ik niet voor deze kerk bedanken moest. Bij het lezen van dit rapport kon ik echter weer vrijuit ademen'. Daarom voelde hij zich teleurgesteld dat het synodale gesprek over dit stuk lang niet dat niveau had, dat de bespreking van het Getuigenis op de novemberzitting bepaalde.
Ds. Wams (Gendringen) merkte op dat het Getuigenis veel directer en veelzeggender was dan deze boodschap. Tienduizenden hebben attentie genomen van het Getuigenis. Die zullen met spanning naar deze synodale boodschap uitzien. Maar dit stuk functioneert niet als boodschap van voorlichting, vertroosting en bemoediging. In de inhoud van het Getuigenis wordt eerlijk gespeurd naar bijbelse begrippen. Dat gebeurt ook in dit commissie rapport wel, maar niet zó dat het de kerk in kan! We mogen de reële verschillen niet toedekken maar zullen moeten bekennen dat er ook een anti-evangelie is dat door de kerk zal moeten worden weersproken! Je mag niet — zoals in dit stuk gebeurt — de belijdenis-getrouwen uitspelen tegen of broederlijk plaatsen naast de 'anderen'. De belijdenis is niet een zaak van een groep maar van de hele Kerk.
Ds. K. A. Abelsma (Wateringen) noemde het stuk rommelig en krampachtig. In de eerste vier hoofdstukken wordt de hand uitgestoken naar hen, die adhesie betuigden met het Getuigenis, maar in punt 5 wordt die hand weer teruggenomen.
Als het stuk van de commissie spreekt over een 'rustgevende' prediking, dan moet gezegd worden dat die prediking er niet is! Bijbelse prediking is altijd verontrustend. Er moet dan ook meer gesproken worden tegen een boodschap die onbijbels is. Hij kritiseerde verder dat het stuk van de commissie met vier 'nieten', eindigde: 'Wij willen geen Kerk, die rust in een onschriftuurlijk conservatisme; wij willen geen Kerk die zichzelf verteert in een onschriftuurlijk activisme; wij willen geen Kerk, die zichzelf verlaagt in partijschappen; wij mogen dit alles niet willen, als wij de rust en de arbeid in onze Heer Jezus Christus zoeken.’
Ds. Strikwerda was blij met de opmerking dat we 'bijeen moeten zijn in de Ene', een overigens vage en niet uitgewerkte opmerking in het stuk, die broederlijk naast elkaar wil zetten wat toch niet echt één is.
Prof. dr. J. M. Hasselaar — schrijver van de eerste vier paragrafen van de 'boodschap' — meende dat de commissie toch wel duidelijk had aangegeven waar de grenzen van het belijden liggen, en weert wat het belijden der Kerk weerspreekt.
Ds. S. Kooistra (Rotterdam) ging in op het punt van de academische leervrijheid. Toen hij in Leiden studeerde dacht hij: 'jongen, daar gaat je geloof'. Hij onderstreepte daarin de noodzaak voor de Kerk en de school (de academie) om te gaan in de weg van het belijden van de Kerk. Juist inzake dat belijden zou de synodale boodschap ook naar het Getuigenis hebben moeten verwijzen en naar de klassieke belijdenisgeschriften. Dat is niet gebeurd. Alles is gezet onder de noemer van de polarisatie. Hij hekelde het verder dat de leugen van het Marxisme — 'religie is opium van het volk' — in dit stuk een plaats gekregen had.
Verder wees ds. Kooistra nog op het grote verschil tussen de tijd van het Nationaal Socialisme en onze tijd wat betreft de noodzaak van het politieke spreken van de Kerk. In de tijd van het nationaal socialisme werd een bepaalde politiek in de vorm van een valse religie aangediend. En bovendien was in die tijd het parlement mond-dood. Dat gaf aan de noodzaak van het politieke spreken van de Kerk een extra spits.
Ds. Scholten uit Eindhoven, die op de synodezitting over het Getuigenis nogal bezwaar maakte tegen de uitdrukking, dat de synode met erkentelijkheid van het Getuigenis had kennis genomen, was nu erkentelijk voor deze boodschap. Hij zag het als de kurk op de fles, waarin de boze geest (van het Getuigenis) bezworen werd!
Ds. Kalkman betreurde het dat geen getuigend stuk kon worden geschreven, waarin de geloofscrisis onder ogen werd gezien. Hij vreesde verder dat in de gebruikte bewoordingen in het stuk voor de commissie soms andere zaken lagen opgesloten dan die in het belijden van de Kerk met dezelfde woorden worden aangeduid. De vraag is of we soms in de Kerk niet dezelfde woorden gebruiken, maar verschillende zaken bedoelen. Hij zag verder geen heil in een herschreven stuk.
Ds. G. Spilt zou wel graag gezien hebben dat de synode zich achter de eerste vier paragrafen had gesteld. Deze suggestie werd echter door prof. Rasker scherp bestreden. Voor hem zat de spits nu juist in punt 5, over de politieke prediking.
Van ds. Groenenberg heb ik vorige week al iets aangehaald. Nog dit: hij stelde dat hij gemerkt had dat menig predikant na het verschijnen van het Getuigenis kritischer was geworden op z'n eigen preek. Hij riep op tot terugkeer tot de Heilige Schrift. Een herschreven stuk achtte hij niet nodig. Het Getuigenis — opgesteld door 'een stelletje doodgewone gelovigen' — had het al gedaan in de Kerk.
Prof. Berkhof zag ook wel dat het Getuigenis diep had ingegrepen maar vond toch een synodale boodschap nodig. De synode moest het ijzer smeden als het heet is.
Ds. Landsman vond het verdrietig dat het nog niet gelukt was om tot de kern van de zaak te komen in deze synodale boodschap. Het Getuigenis mocht er zijn, aldus ds. Landsman. Het ging naar het hart van de zaak. Dat sommigen een gevoel van beklemming kregen, alla! Het Getuigenis werd ook geschreven vanuit een beklemmende situatie. Daarom moet de commissie haar stuk herschrijven en dan achter de polarisatie, die aan de gang is, teruggrijpen naar de eigenlijke crisis. Hij zag wel dat de commissie een onmogelijke opdracht had. Maar desalniettemin moest geprobeerd worden tot een beter stuk te komen.
Tot zover dit synode verslag. Ik geef nu geen commentaar meer, omdat ik dat vorige week al heb gedaan. Bovendien begint professor Jonker in dit nummer een eerste artikel van een viertal dat hij aan de inhoud van deze synodale 'boodschap'-in-concept heeft gewijd. Daarnaar wil ik de lezers verder verwijzen. Aangezien die artikelen ook weergeven wat hij in grote lijnen ter synode zei heb ik zijn betoog ter synode hier niet vermeld.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 maart 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 maart 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's