De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De oud-Christelijke kerk VII

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De oud-Christelijke kerk VII

4 minuten leestijd

In ons vorige artikel beschreven we, dat de normen voor de Christelijke levenswandel uitermate streng waren. De Christenen meden het bekleden van openbare ambten, het bezoeken van toneel en circus, en dat alles, omdat heel het staatkundig en maatschappelijk leven van die tijd verbonden was met de verering van de heidense goden.

Gevaarlijk was echter, dat sommigen de kloof tussen kerk en wereld zo breed mogelijk wilden maken. Clemens van Alexandrië (overleden vóór 216), zegt b.v. in zijn Paidagogos hoe een Christen moet eten en drinken en zich aan tafel gedragen, hoe hij moet slapen, zich kleden, etc. En altijd beveelt hij de weg der matigheid aan: niet te veel, niet te weinig. Tertullianus veroordeelt het huwelijk als een levensstaat, die zedelijk minderwaardig is en hij verbiedt onverbiddelijk een tweede huwelijk, nadat het eerste door de dood van één der partners is ontbonden. Zelfs de kleine genoegens van het dagelijks leven waren al verdacht als middelen, waarmee de Satan de kinderen des lichts zocht te verleiden: 'Snuift ge bij het binnentreden van een heidense woning de geur op van de wierook, gebracht op het huisaltaar? Gij hebt u reeds met afgoderij besmet. Illumineert gij uw huis en hangt gij kransen boven uw deur, wanneer van staatswege een feest is afgekondigd? Ongemerkt vereert gij reeds heidense afgoden.'

Zo dreigde men het Evangelie te gaan beschouwen als een nieuwe wet; het Christelijk leven werd beheerst door de angst, dat men niet voldoende geboden volbracht. In de Didache lezen we: 'Als gij het gehele juk des Heren dragen kunt, zult ge volmaakt zijn. Maar als ge het niet kunt, doe dan wat ge kunt', en de Pastor van Hermas stelt, dat de mens, door het volbrengen der geboden, 'heerlijker' wordt bij God, dan hij anders zou zijn. Zelfs vinden we soms nu al de gedachte van een zekere verdienstelijkheid, die vooral in het geven van aalmoezen tot uiting komt: 'Door de giften van uw hand zijt gij werkzaam tot verzoening van uw zonde'. Zo schijnt het Evangelie in moralisme te zullen ondergaan. Gelukkig horen we ook andere klanken. Uit de in fraaie stijl geschreven brief aan Diognetus (plm. 200) klinkt het geloof door in het werk van Jezus Christus als kern voor het praktisch Christelijk leven: 'God gaf Zijn eigen Zoon over tot een verzoening voor ons; de Heilige voor goddelozen, de Onschuldige voor schuldigen, de Rechtvaardige voor onrechtvaardigen, de Onvergankelijke voor vergankelijken, de Onsterfelijke voor sterfelijken. Want wat anders kon onze zonden bedekken dan Zijn gerechtigheid? In wie konden wij, onrechtvaardigen en goddelozen, gerechtvaardigd worden dan alleen in de Zoon van God? '

b. Taak van de Christen in de wereld

De Christen kon toornen over de wereld, maar hij kon zich niet met minachting van haar losmaken. In zijn Apologie schrijft n.b. Tertullianus (dezelfde man, ' die hierboven is genoemd): 'Wij zijn geen Brahmanen of Hindoe-fakirs, wij huizen niet in de bossen ver van de wereld'. Verder zegt hij nog: 'Wij wonen in deze wereld samen met u, zonder weg te blijven van het forum, van de markt, de baden, de winkels de werkplaatsen, de stallen, de jaarmarkten; wij dragen de wapens, wij bebouwen het land, wij drijven handel, wij beoefenen dezelfde handenarbeid'.

Altijd opnieuw legt Justinus Martyr er de nadruk op, dat Christenen geen anarchisten zijn, geen revolutionairen, integendeel dat zij voor de keizers bidden en hun gezag erkennen. Polycarpus, die toch door de staat ter dood werd gebracht, zegt: 'De Christen gehoorzaamt loyaal aan de overheden, zolang deze zijn geloof niet aanvallen en hem niet willen dwingen te zeggen, dat de keizer God is'.

De eerste Christenen hebben duidelijk en scherp gezien, dat het Evangelie nooit in eerste instantie een sociaal programma is, maar dat de maatschappelijke verandering een gevolg is van de vernieuwing van de harten van zondige mensen. Om de waarheid van dit feit te illustreren, konden ze wijzen op hun reinheid en eerlijkheid, een opmerkelijk verschijnsel. Eerst verbroken harten, daarna verandering van maatschappij-vormen door geloofsbeoefening. Bij de Christelijke gemeente, als het nieuwe volk van God, moet deze Evangelische levensorde doorbreken. In de Didache vinden we het voorschrift: 'geen werkloze mag er onder u zijn'. Hermas, de schrijver van de Pastor, raadt aan zo nu en dan door vasten geld uit te sparen, opdat men in geval van nood de armen kan helpen. De Christen wist zich te staan onder de plicht in de heidense samenleving een Evangelische leefstructuur op te richten, zodat tegen het midden van de derde eeuw Origenes de gedenkwaardige woorden kan neerschrijven: 'De gemeenschappen, die leerling zijn van de Christus Gods, zijn vergeleken met de heidense gemeenschappen, in wier midden zij wonen, als lichtdragers in de wereld'. En ook heidense schrijvers hebben de betekenis van dit feit erkend.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 maart 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De oud-Christelijke kerk VII

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 maart 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's