De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het leven ná dit leven III

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het leven ná dit leven III

8 minuten leestijd

De vorige keer zijn we ingegaan op het geloof in het leven na dit leven onder de O.T.-bedeling. Al komen nu de geloofsbelijdenissen, die boven dood en graf uitgaan, sporadisch voor, daarom mogen we ze nog niet weg-exegetiséren. De Oudtestamentische gelovigen kwamen tot zulke stoutmoedige uitspraken omdat het hen primair ging om de gemeenschap met God. Dat was pas leven. Zij konden niet buiten de God des Verbonds. Daarom hielden zij ook met de dood voor ogen aan hun God vast. Leven is in gunst verkeren voor Gods aangezicht. Luther zegt (vele eeuwen later): 'Wenn ich nur Dich habe, so frage ich nicht nach Himmel und Erde' (wanneer ik u maar heb dan vraag ik niet naar hemel en aarde). Zonder God is de aarde leeg, zonder God is ook de hemel doelloos. Het gaat altijd om de band met God. Die is er of die is er niet. En dat geldt ook na dit aardse leven. Een duidelijke illustratie geeft hiervan Ps. 49. Prof. J. de Groot zegt hier: 'De geïnspireerde dichter handelt hier binnen het kleine kader van één bladzijde over hellevaart en hemelvaart; hij geeft hier een (voor zijn tijd) geheel nieuwe blik op de dood en niet minder op God, Die de dood verordineert. Hij spreekt uitdrukkelijk van een openbaringsspreuk en van een geheim. 1) In de tijd van de dichter had men over de toestand van de mens (na zijn dood) niet dan zeer vage voorstellingen. Voor onze psalmist is nu een wijder uitzicht ontsloten: vromen komen wèl in de sjeool (hel, graf, dodenrijk), maar God neemt hen daaruit weg. Maar zo is het niet met de goddelozen. Ik citeer De Groot: 'De dood maakt geenszins alle mensen gelijk; een ieder sterft zijn eigen dood en heeft na de dood een eigen lot. De dichter van Ps. 49 heeft dus een openbaring ontvangen over tweeërlei lot na de dood. Hier zijn sterke overeenkomsten met de N.T.-ische gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus. De dichter weet echter alleen van het dat, niet van het hóe. Zijn wetenschap is wetenschap des geloofs. Hier valt hemels licht over het zinkend bestaan van de mens op aarde. Hetzelfde geldt van Ps. 73. Ook daar breekt Asaf's geloof heen door de (anders altijd gesloten) barrière van de dood. God schoof voor een ogenblik het gordijn ter zijde

Het zal ons bekend zijn, dat het O.T. op enkele plaatsen zelfs duidelijk spreekt van een opstanding der doden. De eerste is Jes. 26 : 19: Uw doden zullen leven, ook mijn dood lichaam, zij zullen opstaan. Waakt en juicht, gij die in het stof woont, want uw dauw zal zijn als een dauw van licht en de aarde zal de overledenen het leven hergeven. 3) En verder Dan. 12 : 2: 'En velen van hen, die in het stof der aarde slapen zullen ontwaken, dezen ten eeuwigen leven en genen tot versmaadheden en tot eeuwig afgrijzen'. Merkwaardig is, dat beide teksten als achtergrond hebben de onderdrukking van de gelovigen. God zal beiden vergelden. De onderdrukkers zullen voor eeuwig weggestoten worden van het aangezicht van Jahwe, de gelovigen zullen eeuwige blijdschap smaken, Daniël ziet profetisch de geweldenaar Antiochus Epifanes aankomen. Laat die bestrijder van Gods volk maar woeden. Hij heeft niet het laatste woord. Als deze anti-god uitgesproken en uitgewerkt is, zal God de Levende en Eeuwige gaan spreken en werken. Dan scheurt de aarde en trilt de bodem. De graven gaan open. Die vele martelaren gaan uit hun graven, maar om nu eeuwig te leven. En de anderen? Zij staan óók op. Maar tot grote smaadheid en eeuwig afgrijzen. Krachtens de tegenstelling met smaadheid en afgrijzen, moet eeuwig leven hier betekenen: euwige heerlijkheid. Dr. A. de Bondt merkt op: dat hier van velen en niet van allen gesproken wordt, omdat de kwestie van de algemene opstanding hier niet aan de orde was. Het ging er om: de vervolgden en verdrukten te troosten. Dat was het doel van deze tekst.

Concluderend kunnen wij zeggen, dat, al spreekt het O.T. niet breedvoerig over het leven na dit leven, hier en daar toch de sluier opgelicht wordt en de gelovige weten mag wat hij aan zijn God heeft, óók door de dood heen. Het is toch maar een sterke uiting van het geloof, als beleden wordt: Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen mijns harten en mijn erfdeel voor eeuwig. (Ps. 73 : 26).

Het Nieuwe Testament

Wanneer wij ons nu begeven op N.T.-isch terrein, gaat het vóóral om wat de mond der Waarheid, Christus Zelf over leven en dood gezegd heeft. Het mag ons dan niet ontgaan hoe nauw Jezus het leven aan Zijn persoon verbindt. Dit komt scherp uit in de geschiedenis van de opwekking van Lazarus. Jezus maakt Martha duidelijk dat met Hèm ons leven staat of valt. Martha zag het leven der opstanding in het verre verschiet. Jezus brengt het véél dichterbij: Ik ben de Opstanding en het leven. Wie in Mij gelooft zal leven al ware hij gestorven. Martha moet niet de verre toekomst inkijken, zij moet naar Jezus opzien. Wie door het geloof met Hèm verbonden is, heeft deel aan het onsterfelijk leven. Vandaar dat wij lezen in Joh. 8 : 51: Voorwaar, voorwaar zeg ik u: Zo iemand Mijn Woord zal bewaard hebben, die zal de dood) niet zien in der eeuwigheid'. Als de rank aan de wijnstok verbonden is, kan zij niet sterven omdat de wijnstok niet sterft. Het eeuwige leven is er in de gemeenschap met Jezus. Hoofd en ledematen zijn onafscheidelijk aan elkaar verbonden. Jezus is de Levensvorst. 'Ik leef en gij zult leven', sprak Hij tot Zijn discipelen. Zo kan Hij ook tot de medegekruisigde misdadiger zeggen: Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn (Luk. 23 : 43). Jezus en de Zijnen zijn door tijd noch eeuwigheid te scheiden ... 'Waar Ik ben, aldaar zal ook Mijn dienaar zijn'. 'In het huis Mijns Vaders zijn véle woningen. Ik ga heen om u plaats te bereiden .. . opdat gij óók moogt zijn waar Ik ben'. Dit noemt Paulus het altijd met de Heere zijn (1 Thess. 4:17). Het zal er ook zijn door de dood heen. Vandaar, dat Stefanus bij z'n steniging zegt: Heere Jezus, ontvang mijn geest' (Hand. 7 : 59).

Al lag z'n lichaam te verbloeden onder de stenen, zijn geest was veilig bij de Heere. Lichaam en geest waren dus gescheiden. Had Christus Zelf eenmaal niet gezegd: vreest niet voor degenen die het lichaam kunnen doden en de ziel niet kunnen doden? (Matth. 10 : 28). Want, dat er met het sterven van een mens iets gebeurt, toont Christus in de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus (Luk. 16). Al is dit een gelijkenis, duidelijk wordt ons hier voorgehouden dat het met het sterven niet afgelopen is. Ook Zelf heeft Jezus bij Z'n sterven Z'n geest bevolen in handen van Zijn Vader (Luk. 23 : 46). Deze is géén God van dode gelovigen, maar van levenden. Ook de oudtestamentische gelovigen leven voor Hem als b.v. Abraham, Izaak en Jacob (Luk. 20 : 38). Als Paulus in Rom. 6 : 10 zegt: En dat Hij (n.l. Christus) leeft, dat leeft Hij Gode', dan geldt dat ook van hen, die hier op aarde in Hem geloofd hebben. Voor de apostel staat dit onomstotelijk vast. Zijn leven op aarde is zéér moeilijk geweest, maar Paulus weet zich het eigendom des Heeren: Het zij dat wij leven wij leven de Heere, hetzij dat wij sterven, wij sterven de Heere; hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heeren (Rom. 14 : 8). Hij spreekt in 2 Kor. 5 : 8 van een 'uitwonen uit het lichaam. Er is dus (volgens de apostel) een leven zonder het lichaam bij de Heere. Zo verstaan we ook z'n woord in Filip. 1 : 23, waarin hij de wens uitspreekt om ontbonden te worden en met Christus te zijn, omdat dit zéér verre het beste is'. We bemerken hoe het Paulus vóór alles om de gemeenschap met Zijn Heere gaat. Dus niet om de onsterfelijkheid op zich. Leven is met Christus zijn. Daar bloeit het waarachtige leven, daar functioneert het zoals het behoort. Cullmann wijst er op, dat het N.T. op het 'hoe' van het verblijven met Christus (voor Diens wederkomst) geen antwoord geeft en iedere speculatie verbiedt. Een omschrijving ontbreekt. Een interesse daarin acht hij een teken van kleingeloof. Maar de verborgenheid van deze tussentoestand schaadt geenszins het geborgen en behouden zijn van wie Christus toebehoren. De ontslapenen hebben nog wel geen deel aan het opstandingslichaam maar 'genieten reeds nauwe verbinding met Christus, welke de opstandingskracht van de Heilige Geest bewerkt heeft. 4)

1 J. de Groot: In de binnenkamer van het O.T. blz. 58.

2 Zie ook: J. Coppens: Het onsterfelijkheidsgeloof in het Psalmboek 1957.

3 J. de Groot a.w. bl. 91.

4 O. Cullmann: 'Christus und die Zeit', 2e druk • 1948, blz. 214, 215.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 maart 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Het leven ná dit leven III

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 maart 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's