De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De crisis in het christelijk onderwijs I

Bekijk het origineel

De crisis in het christelijk onderwijs I

9 minuten leestijd

Wanneer we spreken over de crisis in het huidige christelijk onderwijs, dan lijkt het me gewenst om eerst even terug te gaan tot de bakermat van de christelijke scholen, zoals we die in ons land kennen.

Toen zich in 1795 hier te lande de scheiding voltrok tussen kerk en staat, had dit, zij het op wat langere termijn, onvermijdelijke consequenties voor het karakter van de scholen, waarvoor de overheid verantwoordelijkheid droeg.

Een neutrale staat moest onherroepelijk leiden tot neutrale staatsscholen. Evenwel kon de band met het verleden ten aanzien van het onderwijs niet zo maar abrupt worden doorgesneden. Vandaar dat op de staatsscholen toch werd vastgehouden aan een godsdienstige basis. Maar de staatsgodsdienst, waarop het onderwijs toen gebaseerd werd, was gekenmerkt door een opleiding van de leerlingen tot 'alle christelijke en maatschappelijke deugden' en door een 'christendom boven geloofsverdeeldheid.' Daarmee kreeg de staatsschool in plaats van een neutraal een quasi-christelijk karakter. Maar daarmee stond tevens de Bijbel buiten spel.

De kinderen werden geïnfiltreerd met een min of meer humanistische levensbeschouwing, die werd uitgegeven voor christelijke religie. Een Bijbel kwam in de plaats van De Bijbel.

We mogen dankbaar zijn dat in die tijd de ouders het initiatief hebben genomen voor het stichten van eigen scholen, waarop het onderwijs naar en vanuit de Heilige Schrift zich vrij zou kunnen ontplooien, zonder voogdij van staatswege. Voor deze zaak zijn grote offers gebracht, njet in het minst tengevolge van de grote mate van tegenwerking die van alle kanten werd ondervonden. Grote financiële offers moesten worden gebracht. De ouders moesten voor de bijzondere scholen zélf de kosten betalen en in bepaalde gevallen werden de voordelen van de openbare school door de gemeentebesturen nog eens extra geaccentueerd b.v. door het openbaar onderwijs geheel kosteloos te maken. Maar ook zelfopoffering en zelfverloochening werd gevraagd.

De liberale minister Kappeyne van de Coppello zei ten aanzien van de voorstanders van het bijzonder onderwijs: 'Dan moeten de minderheden maar worden onderdrukt'. In bepaalde gemeenten werd deze uitlating ook daadwerkelijk ten uitvoer gebracht. In verschillende plaatsen werd bijvoorbeeld van gemeentewege verplichte vaccinatie op de scholen voorgeschreven, waardoor diverse bijzondere scholen, vanwege de gewetensbezwaren van de ouders tegen vaccinatie, bijna geheel werden ontvolkt.

Maar ondanks dit alles hebben velen hun roeping verstaan, in de eerste plaats ten opzichte van hun kinderen, maar daarin en daarmee ook ten aanzien van het geheel van ons volksleven. De bijbel moest z'n wettige plaats hebben in het onderwijs.

Intussen is het duidelijk dat er ook een maar kleefde aan het stichten van eigen bijzondere scholen met de Bijbel. Men liet mèt de staatsschool ook het volkskind los. Dat heeft met name ook Groen van Prinsterer verstaan. Hij moge dan verkleefd zijn geweest met de politieke strijd van zijn dagen om de belangen van het christelijk onderwijs, aanvankelijk heeft hij toch gestreden om de facultatieve splitsing van de openbare school in protestants christelijke, rooms-katholieke en Israëlitische stromingen. Hij gevoelde, evenals b.v. dr. Ph. J. Hoedemaker de spanning, die het loslaten van de openbare school met zich meebracht, omdat daarmee het volkskind aan de invloedssfeer van het evangelie onttrokken zou worden en de openbare school aan de ontkerstening zou worden prijsgegeven. Een zaak, die we ons ook nu, na zoveel jaren christelijk onderwijs, nog wel dienen te realiseren. Ook nu dient elke mogelijkheid nog te worden aangegrepen om het evangelie te laten horen op de openbare scholen.

Maar idealen mogen niet blind maken voor de werkelijkheid. Dat heeft men in de vorige eeuw goed verstaan. Het gaat uiteindelijk om het belang van het kind. Als we bedenken dat vaak op latere leeftijd wordt gemaaid wat in de jeugd wordt gezaaid, dan is het geen onverschillige zaak hoe het onderwijs gegeven wordt. Een bijzondere school met goed christelijk onderwijs is dan verre te prefereren boven een school, waarin nog iets van het ideaalbeeld van de eenheid van het onderwijs te vinden is, maar waarvan tegelijkertijd het godsdienstig karakter niet méér is dan een slap aftreksel van de bijbelse religie. Daarom mag er grote dankbaarheid zijn voor wat in het verleden inzake het christelijk onderwijs tot stand is gebracht. Met dankbaarheid mag ook worden gememoreerd de vastberaden strijd, die door velen op het staatkundig vlak is gevoerd voor de erkenning van de bijzondere scholen van staatswege. De financiële gelijkstelling van het bijzonder onderwijs met het openbaar onderwijs, zoals die bij de wet van 1920 tot stand kwam, mag dan ook mede als kroon op dit werk worden gezien.

Hoe is de erfenis bewaard?

De vraag is nu hoe de situatie in het christelijk onderwijs thans is. Hoe is de erfenis bewaard? Alvorens ik wat dieper op die vraag inga dient eerst gezegd te worden dat de bijzondere school, die in zijn oorsprong de school van de ouders was, dit allang niet meer is. In principe natuurlijk nog wel. Het bestuur wordt formeel nog wel door de leden gekozen, maar het komt er bijna op neer dat elk bestuur zichzelf aanvult en dat de belangstelling van de ouders uiterst gering is. Het percentage ouders, dat zeer bewust bij de eigen christelijke school betrokken is, is uiterst gering. Men volstaat ermee de kinderen naar deze school te sturen, in vele gevallen nog van harte, maar daarmee is het verder gezegd. Christelijk onderwijs vraagt geen offers, geen financiële inspanning meer, en het brengt geen discriminatie meer, zoals dat in de vorige eeuw het geval was. De financiële gelijkstelling van het bijzonder onderwijs met het openbaar onderwijs heeft wat de belangstelling van de ouders betreft een enorme nivellering tot stand gebracht. Nu de christelijke school geen offers meer vraagt en geen strijd, is er bij velen de gezapigheid, het niet meer bewust participeren. Daar komt bij dat de christelijke school bepaald niet meer alleen een school voor de kinderen uit de christelijke gezinnen is. In vele gevallen bestaat een groot percentage van de schoolbevolking uit leerlingen van niet-christelijke huize. Vooral voor de huidige middelbare scholen geldt dat, In veel gevallen wordt uitsluitend rekening gehouden met de vraag of de school dichtbij is en of er goed onderwijs gegeven wordt.

Ik wil met dit alles maar zeggen: de huidige christelijke school is niet meer de school van de ouders en is zeker niet meer uitsluitend de school voor de leerlingen uit de christelijke gezinnen. In vele opzichten is er in de christelijke school dan ook een vervlakkingsproces op gang gekomen omdat er een grote inbreng vanuit de niet-christelijke leef-en gedachtenwereld in de school is gekomen.

En hier zijn we dan ook bij de kern van de zaak. Is de erfenis uit het verleden bewaard? Of moet gezegd worden dat wat vroeger van de openbare school gold, namelijk dat het een instituut was dat opleidde tot alle christelijke en maatschappelijke deugden en dat een christendom boven geloofsverdeeldheid propageerde, thans van de christelijke scholen gezegd , moet worden? Ik meen dat er in vele gevallen reden is om deze vraag bevestigend te beantwoorden. Een aantal symptomen daarvan wil ik graag wat nader bezien.

De secularisatie

In de eerste plaats is er het algemene verschijnsel van de secularisatie. Die gaat ook aan de christelijke school niet voorbij. Ik stelde al dat de christelijke scholen vaak bevolkt worden door veel leerlingen van niet-christelijke huize. Dat brengt vaak in de school een enorm stuk vervlakking en vervaging van normen teweeg. Laten we niet vergeten dat de leerlingen zélf het grootste deel van de totale schoolbevolking uitmaken. Dan kan men nog zo'n goed lerarenkorps hebben en nog zo'n goed bestuur maar de leerlingen zelf brengen iets van hun eigen sfeer in en dragen dat over aan anderen. Zo komt het voor dat er klassen zijn op de middelbare scholen, waarin slechts enkele leerlingen zitten, die ooit nog een keer naar de kerk gaan. Velen zijn niet eens meer gedoopt en krijgen van huis uit geen enkele achtergrond meer mee inzake de kennis van het evangelie. Dat alles brengt in de school een groot stuk secularisatie. Vele leerlingen, die nog bewust vanuit de christelijke achtergrond, die ze van thuis meekregen, willen leven raken in de verdrukking als ze daaraan trouw willen blijven. Dan komt het voor dat er, zoals dat trouwens overal in de samenleving het geval is, geen ruimte meer over is om, voordat ze aan hun maaltijd beginnen in de middagpauze, een gebed te doen. Ze worden ervoor 'opaan gekeken', zelfs op onze christelijke scholen. Zo komt het ook voor dat bij het begin van een maandagmorgenwijding in de aula het merendeel van de leerlingen tijdens het gebed de ogen niet sluit. En degenen die het wel doen moeten het heel bewust doen. De anderen kijken naar je, letterlijk. Op een christelijke school vraagt het momenteel van de leerlingen één en ander om bewust christelijk te zijn. Christen zijn past niet meer in onze samenleving. Het past ook vaak niet meer op onze christelijke scholen. Men neemt het je wel niet kwalijk als je christelijk bent, maar het mag vooral niet hierin tot uitdrukking komen dat je in de practijk anders bent en doet dan de anderen. Er is sprake van een verregaande gelijkschakeling van levenspatronen. Dat is de secularisatie binnen de school, binnen de christelijke school. Onze jongeren komen dan ook vaiak in aanraking met een levensstijl, die niet meer gedragen wordt door het evangelie. Gelukkig zijn er echter ook nog veel leerlingen die de innerlijke kracht hebben om zichzelf te blijven, om niet met de grote stroom mee te drijven, die de moed hebben om gekwetst en bezeerd te worden als hun overtuiging, en de eigen levensstijl die dat met zich meebrengt, wat meewarig of ook meedogenloos wordt tege­ moet getreden door de anderen.

Maar in grote lijnen geldt dat de gereformeerde levensstijl, of laat ik liever zeggen, de christelijke levensstijl op menige school ver te zoeken is, omdat de schoolbevolking het gewoon van huis uit niet meer meebrengt de school in.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 maart 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De crisis in het christelijk onderwijs I

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 maart 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's