De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

17 minuten leestijd

Waarom zwijgt de kerk over de drie?

De discussies rondom de kwestie van de gratiëring van de 'drie van Breda' laten ook de kerkelijke pers niet onberoerd. Zo emotioneel de discussies waren die gevoerd zijn voor radio en t.v., en in de tweede Kamer, zo aarzelend zijn de geluiden in de kerkelijke pers, met name ten aanzien van het al of niet spreken der kerk.

Velen meenden immers dat juist de hervormde kerk, die immers getuige haar eigen kerkorde zich geroepen weet te spreken tot overheid en volk, hier een klaar geluid had moeten laten horen. Waarbij de meningen terstond uiteengaan, zodra de vraag ter sprake komt: Naar welke kant dit klare geluid dan moet uitvallen? Pro of contra de vrijlating? De synode heeft evenwel gezwegen. Ook het interkerkelijk contact in overheidszaken besloot geen uitspraak te doen, omdat de meningen verdeeld waren. Enkele vooraanstaande theologen hebben voor eigen verantwoording per advertentie de mensen opgeroepen adhaesie te betuigen aan hun protest tegen vrijlating. En de Hervormde raad voor de verhouding van kerk en Israël schreef op eigen gezag een brief waarin aan de regering gevraagd werd aan het aanvankelijk voornemen geen gevolg te geven, vooral met het oog op de duizenden die door een gratieverlening opnieuw in kwellende onzekerheid gebracht zouden worden. Waarom heeft de Hervormde kerk zich niet openlijk uitgesproken? In Hervormd Nederland van 4 maart schrijft ds. F. H. Landsman het volgende:

Want dit was in elk geval wel duidelijk geworden: alle gevoelens van weerzin, angst en haat, die nog in de harten en hoofden van tienduizenden leven, worden nu afgereageerd op de drie oorlogsmisdadigers, die hun 'levenslang' in Breda uitzitten. Tot de dood erop volgt.

Persoonlijk heb ik zes jaar geleden in dit blad betoogd, dat wij niet mogen vergeten, wat er tijdens het Nazi-regime is gebeurd. Dat we, als het over gratie voor de beulen uit die tijd gaat, heel voorzichtig moeten omgaan met hoge woorden als vergeving en verzoening, ook met begrippen als vergelding en straf. Vooral als die van Duitse zijde worden gebruikt en als van die zijde wordt betoogd, dat vrijlating een teken van verzoening tussen twee volkeren zou kunnen zijn.

Maar ook betoogde ik toen, dat het wel eens beneden onze waardigheid en in strijd met öns rechtsgevoel zou kunnen zijn in strijd met ons eigen rechts bestel te handelen, door voor déze mensen in Breda 'levenslang' uit te leggen als 'zo lang als hun leven duurt'.

Ons recht moet menselijk recht blijven ook al wordt het voltrokken aan mensen, die honderdduizenden aan de systematische ontmenselijking hebben prijsgegeven. '

Wie het nazisme nu wil bestrijden — en dat is onze dure plicht — die moet het systeem bestrijden waar het zich nü in allerlei vormen opnieuw in de wereld manifesteert. Waar ook nü mensen geestelijk en lichamelijk worden gefrustreerd, ontrecht, mishandeld, gefolterd en gedood. Waar totalitaire regeringsstelsels, in Oost en West, Noord en Zuid heersen over ziel, geest en lichaam van gewone mensen. Waar rassenwaan, tomeloze heerszucht van heersende klassen, nationalistische ideologieën heersen over de geesten.

Maar projecteer uw gevoelens van afkeer en machteloosheid niet op juist deze drie, die misdaden hebben begaan, die zó onvoorstelbaar groot zijn dat, als het begrip 'vergelding' in het menselijke recht al zin heeft, het hier zijn zin verliest.

Zo ongeveer schreef ik een aantal jaren geleden. In wezen denk ik er nu niet anders over. Alleen: kan en mag ik er nu nog zo over denken, nu is gebleken dat ik in zekere zin 'gemakkelijk praten' heb, maar dat ik dan ook de consequentie zou moeten aanvaarden dat het verlenen van 'gratie', al betekent dit niet meer dan 'we moeten van deze mensen af', de gevolgen voor anderen zou hebben, die ons nu door psychiaters die met de behandeling van K.Z.-syndromen te maken hebben', worden voorgehouden?

Ik dacht dat we moeten bekennen, dat we in de afgelopen jaren als kerken iets hebben nagelaten, in elk geval niet duidelijk en nadrukkelijk genoeg als taak hebben gezien: zeggen dat en zeggen waarom het zo levensgevaarlijk is onze afkeer, angsten, woede en haat te projecteren op een stelletje machtsbezeten, nu machteloze mannetjes — symbolen van een afgrijselijk verleden dat niet verdwijnt door hun naar-de-dood-toe-leven in gevangenschap, noch door hun uiterlijke 'vrijheid' in eigen land. In plaats van die macht van toen te lijf te gaan waar ze nü macht heeft. In plaats van de duivel te weerstaan waar hij nü 'rondgaat, als een briesende leeuw, zoekend wie hij zal kunnen verslinden'.

Dat weerstaan is een innerlijk gebeuren, dat tegelijk gestalte moet krijgen in het politiek beleid. En een regering die van deze gezindheid blijk geeft en ten aanzien van dit beleid duidelijk is, die ook uitlegt waarom ze doet wat ze doet en nalaat wat ze nalaat, kan misschien ook ooit duidelijk maken waarom 'de drie van Breda' dan niet zo belangrijk meer zijn dat er een soort volkstribunaal moet worden georganiseerd om achtergrond te geven aan een anders te ingrijpende daad. Dat nu anders uit pakt en het moreel schier onmogelijk maakt te doen wat rechtens eigenlijk moest gebeuren. Oók een onmogelijke en onmenselijke situatie.

Maar we zullen ook deze situatie schuldbewust moeten aanvaarden. Om daarna niet stil te zitten en een betere mogelijkheid voor te bereiden.

Hoe waar dit alles ook mag zijn, met name het gevaar om afkeergevoelens te projecteren op machteloze mensen en met name de taak om het daemonisch systeem nu te weerstaan, het maakt m.i. niet duidelijk waarom onze kerk die zo gaarne politiek wil spreken hier niet gesproken heeft. Of komt hier — in alle duidelijkheid — toch aan het licht hoe moeilijk dit politieke spreken der kerk ligt, zodra het om concrete zaken gaat.

Een teken van meeleven met het Joodse volk?

Het is dit aspect dat vooral prof. dr. G. P. van Itterzon te berde brengt in het orgaan van de confessionele vereniging, het Hervormd weekblad, van 2 maart. In een schrijven van 22 februari voor dit orgaan, dus nog voor de hoorzitting en tijdens de synodezitting dringt prof. Van Itterzon erop aan dat de kerk zal spreken, terwille van Israël, en moet voorkomen dat de Joden straks de christenen weer zullen beschuldigen gezwegen te hebben. Van Itterzon schrijft in een naschrift bij dit artikeltje het volgende:

In deze dagen gonzen radio en televisie van het voor en tegen inzake de vrijlating. In de dagbladen kan men tientallen ingezonden stukken lezen, die er niet om liegen. Over de hoorzitting en de emotionele momenten daarin zijn we uitvoerig ingelicht. Men kan straks niet zeggen, dat het alles in een hoek is geschied en dat het aan onze kerkelijke aandacht is ontsnapt.

Een Jood klaagde de kerken aan. Maar ook een Hervormd predikant las onze kerk op het hevigst de les. Wie de radio heeft beluisterd, weet hoe streng dat was.

Maar op de agenda der synode stond deze spannende zaak niet. Ze werd door een van de leden bij de rondvraag ter sprake gebracht. Israël 'bij de rondvraag'! En dat met zulke deskundige adviserende hoogleraren als prof. Berkhof en prof. Hasselaar. Ik herinner aan de synodale 'handreiking', getiteld: 'Israël, volk, land en staat', aan prof. Berkhof goed bekend. Ik herinner voorts aan de advertentie in de dagbladen waarin tegen de vrijlating der drie werd geprotesteerd en waaronder ook de handtekening van prof. Hasselaar was te vinden. Ik vraag me af, hoe het mogelijk was, dat in weerwil van het feit, dat beide adviseurs zich zo nauw aan Israël verwant weten (prof. Hasselaar spreekt over onze 'bestaanswortel' en 'onze eerste gesprekspartner'), het nog kon gebeuren, dat een synodelid 'bij de rondvraag' de zaak ter sprake moest brengen en de synode zelf niets deed of sprak. Gewoon overlaten aan een interkerkelijke commissie? Gewoon blijven bij het standpunt van vroeger: vrijlaten? Het is te hopen, dat tussen het moment, dat ik op deze vrijdagmiddag dit naschrift schrijf, en de zitting van de Tweede Kamer van de komende week, de synode nog wat zegt.

Uit Tel Aviv kwam vandaag het bericht, dat men in Israël niet kan vatten, dat de kerken' van Nederland niets zeggen. En dat, als men zich herinnert dat ook duizenden Joden uit Nederland naar de vernietigingskampen zijn getransporteerd. Als schapen ter slachting. Wat moet ik zeggen over mijn kerk, als ik zeer binnenkort in Israël hoop te zijn en ik daar stellig over ons gedrag als kerken zal worden aangesproken? Nu reeds wordt aan de kerk verweten, dat ze gedurende vele eeuwen de Joden nameloos groot leed heeft aangedaan en' dat ze nu diezelfde Joden in de kou laat staan. Zonder enig blijk van medeleven en medelijden.

Aan de opstellers van het Getuigenis is verweten, dat ze niet maatschappelijk, sociaal en politiek geëngageerd zouden zijn. Dit verzuim moet door een synodale Boodschap worden ondervangen. Momenteel ligt in ons land op politiek gebied een zeer precaire zaak op tafel. We hebben als kerk (ik dacht terecht) geen woord gezegd, toen er een grote deining was over een bepaalde C.A.O. Toen handelde de heer Wijkstra, de voorzitter van de Raad voor de zaken van Overheid en samenleving, in deze functie niet. Toen liet de kerk officieel (ik. dacht teterecht) verstek gaan en zweeg. Toen had de heer Wijkstra geen dominee nodig, die hem van de preekstoel af vertelde, wat hij zou moeten doen. Ook dit, naar ik meen, volkomen terecht. De heer Wijkstra is een hoogst bekwaam, alleszins mondig en kundig man, voor wiens prestaties in de bemiddelingscommissie ik de grootst mogelijke waardering heb. Ik heb hem dit trouwens ook in een hartelijk schrijven laten weten. In zulk een concrete situatie bleek, dat de kerk wel kan zeggen, dat ze altijd maatschappelijk en sociaal geëngageerd moet zijn, maar dat de praktijk toch wel eens zodanig kan zijn, dat de kerk verstandig doet de mondige, vakbekwame en volstrekt deskundige leden niet voor de voeten te lopen.

Nu het een politieke zaak betreft en de Joden aan heftige spanningen en emoties ten prooi, zijn, ben ik van mening, dat als de kerk hun ellende vergeet en hen alleen-even bij de rondvraag (uit de vergadering!) ter sprake brengt, diezelfde kerk zich wel tienmaal mag bedenken, voordat ze straks in een herschreven Boodschap een aantal meelevende leden kapittelt, dat ze onvoldoende politiek geëngageerd zijn. Men kan rustig de zeven geloofspunten laten liggen. Men kan voorts uitwijken naar een verhandeling over polarisatie, waardoor men de polarisatie alleen maar nodeloos verhevigt. Maar men kan m.i. geen woord meer over 'kerk en politiek' zeggen (laat staan als een betuttelend verwijt), wanneer men wel over Angola, Mozambique en Vietnam kan profeteren, maar de eigen Joodse volksgenoten aan hun lot overlaat. Ik zou dan geneigd zijn de typering van prof. Rasker over te nemen, die, zij het in een geheel ander verband, van 'valse profetie' heeft gesproken.

We begrijpen ten volle de zorg van de utrechtse hoogleraar voor Israël, en voor de verhouding van de kerk tot het Joodse volk. Toch menen we dat het wat overtrokken is de kwestie van de gratiëring, waar veel meer aspecten aan vast zitten, zo wel juridisch als psychologisch, zo exclusief aan het spreken der kerk over het leed, Israël aangedaan, te verbinden. Ook wie om allerlei redenen voor gratiëring pleit, zal daarmee beslist niet de indruk wekken het leed Israël aangedaan door de Nazi's te verkleinen. Zoals omgekeerd tegenstanders van gratiëring niet beschuldigd mogen worden van gebrek aan vergevingsgezindheid. Daarvoor liggen de zaken te gecompliceerd.

Maar we geven het prof. Van Itterzon volmondig toe dat uit de hele kwestie wel blijkt hoe voorzichtig men moet zijn met het politieke engagement. Wie luide roept dat de kerk maatschappelijk en politiek geëngageerd moet zijn, moet bedenken dat deze roep geen kreet mag zijn, die men in politieke knelpunten niet waarmaakt.

Wijze onthouding?

Als laatste geven we in dit geding het woord aan prof. dr. H. N. Ridderbos. Hij schrijft in de rubriek 'Van week tot week' in het Gereformeerd weekblad van 3 maart, dat het naar zijn mening zeer de vraag is of de kerk hier moet spreken. Al begrijpt Ridderbos ten volle de kritiek van een politicus als mr. Aantjes op het stilzwijgen der kerken. Ridderbos meent nl. dat het hier niet gaat om de kwestie al- of niet vergeven, maar om de aard van de rechterlijke uitspraak inzake de straf:

Maar het gaat hier ten principale niet om het aanwakkeren door de kerk van een bepaalde gezindheid bij ons volk, maar om het advies, dat de kerk zou moeten geven aan degenen, die geroepen zijn recht te doen. Al te zeer reeds stellen sommigen het zó voor, als zou in de verschillende benadering van het probleem ook het verschil tussen de Joodse en Christelijke religie meespreken, waarbij dan de Christelijke religie meer het standpunt van de vergeving en de Joodse die van de vergelding zou representeren. Maar wat daar in het algemeen ook van zij, in dit geval doet het m.i. niet ter zake. Het gaat om een rechterlijke uitspraak en wie hierin partij wil kiezen moet zich in de stoel van de rechter stellen of verplaatsen. En de rechter heeft het niet te doen met de roeping van de ene mens om te vergeven wat de ander hem misdaan heeft, maar met de straf, die de mens, die zich aan de ander of de anderen vergrepen heeft, naar recht en billijkheid toekomt. En daarom kan ik niet inzien, dat de kerk speciaal geroepen zou zijn in deze zaak zich te laten horen. Zij kan en moet oproepen tot vergevensgezindheid, maar zij heeft daarmee nog niet gezegd, wat in deze zaak — die van de rechter — uitkomst kan geven.

Daarmee is uiteraard niet het standpunt van de tegenstanders van de vrijlating ingenomen. Want wat is recht in dit stadium van de detentie van de drie oorlogsmisdadigers? Misschien is daarop ook door degenen, die geroepen zijn het recht in hoogste instantie te behartigen, nauwelijks met volstrekte zekerheid een antwoord te geven. Wel hebben de hoogste rechtscolleges tot vrijlating geadviseerd. Men zegt — en daarin zal in het algemeen een krachtig argument voor vrijlating liggen — dat na 27 jaar gevangenschap het recht zelfs bij de grootste misdadiger niets meer te zoeken heeft. Ik ben geneigd, voor wat mijzelf betreft, de zaak daarmee beslist te achten. Maar kan ook de rechter hiermee volstaan? Stellig moet de rechter zonder aanzien des persoons oordelen, naar vaststaande normen. Maar kan hij dit in een geval als het onderhavige doen, zonder tevens te letten op de sporen, die zijn uitspraak bij het volk of een groot deel ervan nalaat? Ik behoor niet tot degeneen, die over deze vragen zulk een duidelijk antwoord hebben, dat zij zich geroepen gevoelen anderen daarvoor te winnen. Ik heb de uitzending van de KRO op zaterdag 19 februari met geweldige spanning gevolgd: het interview met de familie van een der veroordeelden, het waarlijk aangrijpende debat tussen rabbijn Soetendorp en prof. Verkuyl. Men wordt zich daarbij bewust, dat wanneer men op mede-gevoel, sympathie moet afgaan men innerlijk verscheurd en verdeeld blijft en dat men dus ergens anders zijn vaste grond moet zoeken. Maar daarmee is, zoals gezegd, de beslissing nog niet gegeven. Al wat ik in deze regels wens duidelijk te maken is dan ook, dat als de kerk zich in deze rechtszaak van een oordeel onthouden heeft, men haar daarin niet een verwijt moet maken. De aard van de problemen, waarin hier beslist moet worden is m.i. van die aard, dat de kerk hier ongevraagd haar gezag niet in de weegschaal kan werpen.

De vraag blijft inmiddels bestaan of er theologisch toch niet iets gezegd kan worden over de verhouding van vergelden, straffen en vergeven. Juist waar een regeringsuitspraak zulke diepe sporen nalaat bij een deel van het volk. Men kan dan wel zeggen: Het gaat niet om de kwestie van de vergevingsgezindheid, de emotionele geluiden die bij de behandeling van deze zaak binnen en buiten de Kamer opklonken, hebben wel degelijk te maken met de relatie tussen straf en vergeven. De kerk kan en mag inderdaad niet op de stoel van de regering gaan zitten. De kerk zal toch vanuit de Schrift stellig iets mogen zeggen over de achtergronden die bij de kwestie rondom de 'Drie van Breda' mee speelden. Want die achtergronden hebben alles te maken met Israël, met de daemonic van het Nazidom, met de kwestie van schuld en straf, vergelden en vergeven. Wijze onthouding? Dat is mogelijk ten aanzien van de rechtzaak als zodanig. Maar daarmee is naar mijn mening nog niet alles, laat staan het voornaamste, gezegd.

Een duidelijk onderscheid

In hetzelfde nummer van het GW schrijft prof. Ridderbos over de synodevergaderingen van de Hervormde en de Gereformeerde Kerk. Hij constateert vergaande overeenstemming inzake agendapunten (belijden, beleid, ethiek, oecumene), als ook groeiende mate van overeenstemming inzake de beantwoording van allerlei vragen. Toch ziet hij ook verschillen.

De Gereformeerde Synode staat van ouds meer op de geldigheid en verbindendheid van kerkelijke uitspraken dan de Hervormde. Dat blijkt ook uit haar werkwijze: zij geeft de formulering van belangrijke beslissingen niet gemakkelijk uit handen en blijft vragen naar wat er in de kerk mee gebeurt. Zij is met het puur-indiciële — het uitspreken van een oordeel, waarvan men de uitwerking aan ieders consciëntie overlaat — niet tevreden, waar het de van de kerk uitgaande belijdenis en leer betreft. Dat zij met deze 'binding' ook zware problemen heeft, wil niet zeggen, dat zij toch van de noodzaak van zulk een binding niet overtuigd zou zijn. Van Herv. zijde wil men van zulk een kerkelijke (niet: zedelijke) binding nog steeds niet veel weten, zoals ook weer gebleken is uit bepaalde uitspraken en kommentaren inzake de uitspraak inzake 'dood is dood'. Dat men zich daarbij telkens beroept op slechte ervaringen, die de Gereformeerden — terecht of ten onrechte, laat ik nu buiten beschouwing — met zulke bindingen hebben: gehad, is wel te begrijpen, maar kan in de discussie hierover toch niet het einde van de wijsheid zijn. Hier zal toch iets anders de doorslag moeten geven nl. de geloofwaardigheid en de roeping van de kerk t.a.v. haar boodschap. Wanneer thans bijv. door de Herv. Synode zeer terecht is uitgesproken, dat 'het standpunt Dood is dood een misvatting is, die door Gods genadig handelen is achterhaald', dan kan men van de vraag van de binding daaraan in de kerkelijke verkondiging en leer, m.i. niet afzien met de opmerking, dat de geschiedenis (bijv. van de geref. kerken) heeft geleerd hoe voorzichtig wij moeten zijn, omdat kerkelijke uitspraken door de tijd telkens achterhaald worden. Dat de kerk voorzichtig moet zijn met geloofsuitspraken, ook met het oog op haar eigen tijdgebondenheid, is stellig waar. Maar wanneer, zoals thans telkens duidelijk wordt, de kerk zich moet uitspreken tegenover opvattingen en standpunten, die haar in de zuigkracht van het moderne denken brengen, kan zij zich voor wat haarzelf, dat wil ook zeggen: haar belijdenis, prediking en leer betreft, niet aan de consequenties van haar anders zijn als kerk onttrekken.

Behartigenswaardige woorden, die m.i. toch ook demonstreren hoezeer er ook in de relatie tussen beide kerken nog geweldige knelpunten liggen. Overigens bekruipt me de vrees, dat ook de Gereformeerde kerken steeds meer opschuiven in de richting van het gesprek, en de vraag naar de kerkelijke binding steeds meer op de achtergrond doen komen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 maart 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 maart 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's