De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Met onderscheid lezen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Met onderscheid lezen

9 minuten leestijd

In ons vorig artikel over de apocryphe geschriften, besproken in artikel 6 van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis, hebben we geprobeerd vanuit de kerkgeschiedenis het rechte zicht te krijgen op wat de kerk der Reformatie heeft beleden in deze zaak.

Nog enkele dingen wachten nu op een korte bespreking.

De Kerk mag ze lezen.

De vraag is immers nog niet beantwoord, wat in artikel 6 van de Geloofsbelijdenis moet worden verstaan onder de Kerk. De Kerk mag de apocryphe geschriften wel lezen...! Wordt daarmee bedoeld, dat zij in de samenkomsten der gemeente mogen worden voorgelezen? Of wordt met de 'Kerk' hier meer gedoeld op de leden van de gemeente, die de apocryphen thuis mogen lezen? !

In de 'Waarschuwing aan de lezers van de apocryphe boeken' in de Statenbijbel staat, dat zij niet openlijk in de gemeente gelezen behoren te worden, doch slechts 'in 't bijzonder' (thuis dus). Het is te verstaan, dat Hommius en Walaeus, de vertalers van het Nieuwe Testament en de apocryphen, die ook deel uitgemaakt hebben van de Dordtse Synode, met deze opvatting de mening vertolkt hebben van deze Synode en dat dus het zesde artikel van de Geloofsbelijdenis, waarvan de tekst op die synode is vastgesteld, aldus moet worden uitgelegd. Maar dan moet wel worden vastgesteld, dat daarmee gebroken is met een oud-kerkelijke gewoonte om de apocryphen wel in de gemeentebijeepkomsten te lezen. En ook zullen we bedenken, dat Guydo de Brés, de opsteller van de Nederlandse Geloofsbelijdenis een ruimer opvatting zal hebben gehad. Hij zal onder de Kerk verstaan hebben de Kerk in haar officiële vergaderd-zijn. Dat is althans de conclusie, waartoe zowel A. D. R. Polman als C. Vonk in hun uitleg van de geloofsartikelen komen.

Al met al is ook dat private lezen van de apocryphe geschriften geleidelijkaan zo goed als geheel verdwenen. Wie kent ze nog? ! Daarom is het goed met een enkel woord te wijzen op de inhoud. Het is uiteraard niet doenlijk in het bestek van deze artikelenserie over de Nederlandse Geloofsbelijdenis uitvoerig in te gaan op de historische achtergronden en de inhoud van ieder apocryph geschrift. In de voorrede van de Statenvertalers op de apocryphe boeken kan men hierover meer lezen. Het zou tegelijk ook een aanbeveling kunnen zijn om de lezing van de geschriften zelf nog eens ter hand te vatten, opdat men er in ieder geval kennis van heeft en bv. in het gesprek met Rome niet onbeslagen ten ijs komt.

Het gebed van Manasse en Jezus Sirach. Om een indruk te geven, noem ik hier alleen een tweetal geschriften, waarvan het eerste (hoewel het in de Septuagint 122 en Vulgata voorkwam) niet in de Rooms-Katholieke Bijbel is opgenomen; het laatste wel.

Men kent uit 2 Kron. 33 de geschiedenis van Manasse's bekering: de koning van Juda, die naar Babel werd gevoerd en daar in de gevangenis tot verandering kwam. We lezen in het Kroniekenboek: 'En als hij hem benauwde, bad hij het Aangezicht des Heeren, zijns Gods, ernstiglijk aan en vernederde zich zeer voor het Aangezicht van de God Zijner vaderen en bad Hem; en de Heere liet Zich van hem verbidden en hoorde zijn smeking en Hij bracht hem weder te Jeruzalem, in zijn koninkrijk. Toen erkende Manasse, dat de Heere God is.' Op een aangrijpende wijze wordt ons hier de bekering verhaald van een koning, die zeer goddeloos en ook nog lang bovendien over Juda regeerde.

Uit de woorden, waarin dit beschreven wordt, is op geen enkele wijze af te leiden, dat deze verandering niet een bekering des harten is geweest, ook al weten we wel, dat benauwdheid, die ons doet roepen tot God nog niet altijd een droefheid naar God is, die een onberouwelijke bekering tot zaligheid werkt. Als wij echter lezen, hoe Manasse na zijn terugkeer naar Jeruzalem het altaar des Heeren weer oprichtte en daarop dankofferen en lofofferen offerde en Juda beval de Heere, de God Israels te dienen, mogen we daarin toch wel de blijken bespeuren van een verandering, die meer dan oppervlakkig was. Zo gezien, zijn de gebeden, die zijn vrome vader Hizkia voor Manasse zal hebben opgezonden tot God, toch verhoord, al heeft Hizkia zelf daar in zijn leven niets van meegemaakt.

In 2 Kronieken 33 nu lezen we ook van het gebed van Manasse, dat volgens de schrijver van het Kroniekenboek te vinden is in een boek der koningen van Israël. We vinden dit gebed niet in onze Bijbel. Wel is zo'n gebed van Manasse bewaard in het apocryphe geschrift: Het gebed van Manasse. We lezen daarin: 'Want mijn zonden zijn meer dan het zand aan de zee; mijn ongerechtigheden, Heere, zijn zeer vele; en ik ben niet waardig, dat ik de hoge hemel met mijn ogen aanzie vanwege de menigte mijner overtredingen. Ik ben gekromd in zware ijzeren banden en ik kan mijn hoofd niet opheffen en heb geen rust, omdat ik Uw toorn verwekt en kwaad voor Uw ogen gedaan heb, dewijl ik Uw wil niet gedaan heb en Uw geboden niet heb gehouden, maar heb gruwelen opgericht en vele ergenissen begaan. Nu buig ik dan de knieën mijns harten en bid U om genade. Ik heb gezondigd, Heere, ik heb gezondigd en beken mijn misdaden. Daarom bid en smeek ik U: Vergeef het mij Heere, vergeef het mij en verderf mij niet in mijn zonden en toom niet eeuwig over mij en behoud het kwade niet tegen mij en verdoem mij niet in de onderste delen der aarde; want Gij zijt God, een God der boetvaardigen.'

Wie stemt niet van harte in met deze gebedstaal? ! Is ze niet door en dóór Bijbels? En is het daarom ook niet te verstaan, dat de kerk der eeuwen erdoor gesticht is? Niettemin is dit gebed van Manasse, waarvan de tijd van ontstaan overigens moeilijk is vast te stellen, nooit in de kerk als een canoniek Bijbelboek gezien. Het is zeer wel mogelijk, dat een vaardige schrijver uit later tijd de leemte, die hij op dit punt meende te moeten constateren in de verhalen van de boeken der Koningen en Kronieken, heeft willen vullen. We mogen dan echter wel zeggen, dat hij dat op een diepe wijze heeft gedaan.

Tenslotte nog iets over Jezus Sirach oftewel Ecclesiasticus. Een verzameling spreuken, waarin op een typisch Joodse wijze de 'chokma', de wijsheid, de regeling van het dagelijks leven naar het gebed Gods wordt aangeprezen als de hoogste vorm van 'wijsbegeerte'. Aan het slot van dit boek is de naam van de schrijver vermeld: Jezus, zoon van Sirach, de Jeruzalemmer. Uit het voorwoord, dat geschreven is door een kleinzoon van de schrijver en dat hij vooraf liet gaan aan zijn vertaling van dit werk van zijn grootvader in het Grieks, kan worden afgeleid, dat Jezus Sirach tussen 190 en 170 voor Christus moet hebben geschreven. Later is het geschrift Ecclesiasticus genoemd, dat wil zeggen kerkelijk boek. Kennelijk vanuit gerijpte levenservaring geeft Jezus Sirach een geweldige hoeveelheid levensregels door aan zijn lezers. Hij zegt, hoe men zich moet gedragen in vreugde en droefheid, voorspoed en tegenspoed, rijkdom en armoede, zieke en gezonde dagen, aanvechting en beproeving, in de burgerlijke maatschappij, in de omgang met vriend en vijand, met goeden en slechten, in zaken en beroepsbezigheden, in het eigen huis en de familie, in de opvoeding van kinderen en in de behandeling van ondergeschikten, enz.

Dwalingen

Er is veel goeds en leerzaams in de apocryphen te vinden. Dat doet echter niets af van de grote bezwaren, die wij kunnen inbrengen tegen allerhande vreemde leringen, die we daarin ook telkens tegenkomen. Een opsomming van vele dwalingen vinden we in de voorrede van de Statenvertalers, voorafgaande aan de apocryphe boeken. Wat. betreft het boek Wijsheid bv. deze: in hoofdstuk 8 : 19, 20: Ik was een goedaardig kind en had gekregen een goede ziel: ja veel meer, alzo ik goed was, ben ik gekomen in een onbevlekt lichaam'; waarvan de Statenvertalers zeggen, dat de schrijver uitgaat van de gedachte, dat hij zonder erfzonde geboren is. Het boek Jezus Sirach (ongetwijfeld één van de oudste en beste apocryphen) zegt in hoofdstuk 3 : 3 'Wie zijn vader eert, die verzoent zijn zonden'. Hier een typisch wettische verdienstelijkheidsgedachte, die in strijd is met heel de Schrift. Verder lezen we in hoofdstuk 15 : 15: Indien gij wilt, gij zult de geboden houden en het geloof om te doen hetgeen mij behaagt'. Daaraan ligt de gedachte van de vrije wil ten grondslag. Ook ten aanzien van de echtscheidingsgronden houdt Jezus Sirach er een ruime practijk op na, als hij zegt: Gaat zij (Uw vrouw) niet naar Uw hand, zo snijdt haar af van Uw vlees, geeft haar een scheldbrief en laat ze gaan' (25 : 31). Om tenslotte nog één ding te noemen: in 2 Makkabeeën 12 : 44, 45 komen we de gedachte tegen, dat het mogelijk is om verzoening te doen voor de doden', opdat zij verlost worden van de zonden.' Het is duidelijk, dat de Rooms-Katholieken hier houvast vinden voor hun opvattingen over het vagevuur. En dat ook de Remonstranten een andere visie hadden op de apocryphen, blijkt wel uit de opmerking van een remonstrant ter vergadering van de Dordtse Synode, waarin hij beweerde, dat als men niet uit de apocryphe boeken preken mocht, dat ook zeker niet mocht uit de catechismus. Niemand zal echter met goed recht kunnen ontkennen, dat de catechismus de leer van de heilige Schrift klaarder vertolkt dan de apocryphe boeken dat doen. Juist het voorkomen van zovele dwalingen in deze geschriften moet ons in het gebruik daarvan de nodige voorzichtigheid leren.

Hopenlijk hebben bovenstaande regels daartoe bijgedragen. Wij blijven met de kerk der Reformatie belijden, dat het Woord van God, zoals we dat in de canonieke boeken vinden, niet is gezonden noch voortgebracht door de wil eens mensen, maar dat de heilige mensen Gods, door de heilige Geest gedreven, het hebben gesproken (art. 2 Ned. Geloofsbelijdenis). En daarin mogen we ook aanbidden: 'de bijzondere zorg, die de Heere voor ons en onze zaligheid draagt.'

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 maart 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Met onderscheid lezen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 maart 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's