Zijn Naam belijden
Het is al weer wat jaren geleden dat in Duitsland een rapport verscheen onder de veelzeggende titel: Religion ohne Entscheidung. Godsdienst zonder beslissing, wil dat zeggen.
Niet alleen in een naburig land als Duitsland maar ook in eigen land is de situatie déze dat velen nog wel godsdienstig willen wezen maar het moet geen verplichtingen met zich meebrengen. Een geregelde kerkgang maar ook zoiets als het afleggen van een openbare belijdenis des geloofs mag er niet aan verbonden worden. Nog minder de eis te leven naar bepaalde geboden en het aanvaarden van bepaalde waarheden. Vrij wil men zijn! Onder studenten komt het al sinds een aantal jaren voor dat men op palmzondag — vanouds de zondag voor het afleggen van een openbare geloofsbelijdenis — zich niet meer op de oude, traditionele wijze wil laten bevestigen, door het jawoord te geven op enkele vragen die gesteld worden, maar alleen maar zich bereid toont in een kerkdienst een bepaalde geloofsbelijdenis te zingen. Men voelt dat aan als minder verplichtend.
Het is geheel in de geest van onze tijd dat zich deze verschijnselen voordoen. De afkeer van al wat objectieve waarheid heet is groot, het subjectivisme viert zijn triumfen als nooit tevoren. Van bindingen wil men niet meer weten, men wil vrij zijn. De kerk wordt slechts geaccepteerd voorzover zij de persoonlijke meningen respecteert en de menselijke vrijheid honoreert. Er mag niet meer met gezag worden gesproken, er mogen niet meer eisen worden gesteld, er mogen niet meer waarheden worden verkondigd, die met een persoonlijk jawoord moeten worden beaamd.
Er zullen weinig of geen gemeenten zijn waarin niet of minder deze geest des tijds, onder de jongeren, is binnengedrongen. Onze gemeenten zijn geen eilanden temidden van de stroom van onze tijd maar zijn er mede in opgenomen. De ogen daarvoor te sluiten zou hoogst gevaarlijk zijn.
Daarom heeft het zijn nut nog weer eens aan te tonen waar het eigenlijk om gaat bij het openbare belijden van het geloof, hetwelk, gelukkig, in onze gemeenten toch nog ieder jaar voorkomt, ook dit jaar.
Het belijden van Christus
De openbare geloofsbelijdenis is om te beginnen een belijden van Christus. Toen op en na de Pinksterdag de christelijke prediking een aanvang nam, was het belijden van Christus hèt kenmerk van het christen-en gemeente-zijn. De oudste christenen hebben zich genoemd het 'derde geslacht', levend tussen joden en heidenen, als een apart volk. Reeds de apostel Petrus sprak van een 'uitverkoren geslacht', 'Gods volk' (1 Petrus 2 : 9). Toen later vele volkeren waren gekerstend kwam dat eigene en aparte van de gemeente niet zo sterk meer naar voren, behalve op de zendingsvelden, maar nu in onze tijd er een geweldige ontkerstening plaatsvindt is het nodig het opnieuw te onderstrepen. De wereld dient te ontdekken dat er een volk is dat het eigendom is van Hem die nu bijna 2000 jaren geleden als de Messias van het joodse volk optrad, in Wie wij geloven als de Heiland der wereld. De kerk is de 'gemeenschap van Christus', rondom Hem vergaderd. Het openbaar belijden van zijn Naam is de banier van dit volk, waaraan het te kennen is.
Christus zelf heeft dit openbaar belijden van zijn naam hoog aangeslagen, er zelfs het heil aan verbonden. 'Een ieder dan die Mij belijden zal voor de mensen, die zal Ik belijden voor mijn Vader die in de hemelen is' (Mattheus 10 : 32). Het niet-belijden van zijn naam heeft Hij gelijk gesteld met een verloochening, waarover Hij een ontzettende vloek heeft uitgesproken: Maar zo wie Mij verloochend zal hebben voor de mensen, die zal Ik ook verloochenen voor mijn Vader die in de hemelen is' (Mattheus 10:33). In dezelfde lijn ligt hetgeen de apostel Paulus heeft geschreven aan de gemeente te Rome. Hij spreekt in zijn brief aan deze gemeente in één adem over het 'belijden met de mond' en het 'geloven met het hart', en zegt dan: met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid en met de mond belijdt men ter zaligheid' (Romeinen 10 : 10). In al deze gevallen gaat het duidelijk over een belijden in het openbaar. Er staat immers: voor de mensen; of: met de mond!
Er is geen waar geloof in Christus of het gaat gepaard met een openlijk belijden van zijn Naam. Dit openbare belijden is een kenmerk, zoal niet hèt kenmerk van het ware geloof. Uit de aard der zaak is dit openbaar belijden niet te beperken tot één bepaalde kerkdienst, het is een belijden dat zich steeds Weer dient te herhalen. Het is evenzeer een belijden in de wereld als in de kerk. Maar hoe zou iemand die niet in de kerk die Naam wil belijden het wèl kunnen doen in de wereld? Binnen de Christus-gemeenschap (en dat is de kerk) ligt onze eerste verantwoordelijkheid. Wie werkelijk Christus wil belijden zal met vreugde dat willen doen binnen de eigen kring van degenen voor wie Christus Heere, Koning en Zaligmaker is.
Het belijden van de waarheid
Wie belijdenis doet belijdt daarmee de waarheid. Hij zegt ja en amen op wat de kerk van alle eeuwen aangaande God, Christus, de schepping, de verlossing, het werk van de Heilige Geest en het heil beleden heeft, kortom: de waarheid van de Schrift. Hij erkent dat die waarheid groter is dan hijzelf bevatten kan, immers ons kennen is maar ten dele, maar het is zijn begeerte dat God hem steeds dieper in zijn Woord en waarheid wil inleiden. Voor hetgeen hij aangaande die waarheid kent wenst hij te staan. Hij begeert die waarheid ook te beleven en er naar te leven. Hij neemt niet zichzelf als maatstaf, zodat hij alleen maar als waarheid aanvaardt wat hijzelf op dat moment ervan ziet en beleeft. Niet hij heerst over de waarheid maar hij laat de waarheid heersen over hem. Een diepgaand stuk als bijvoorbeeld dat van de Drieëenheid Gods kan nooit door ons tenvolle begrepen worden. Het is geen schande dan de beperktheid van ons verstand te erkennen en het onbegrepene te aanbidden.
Er is al vanouds in de kerk een 'traditie' geweest; reeds Paulus spreekt er over in de eerste verzen van 1 Korinthiërs 15. Deze traditie betekende allerminst een dood artikel dat zomaar van de een op de ander kon worden overgedragen, het was een stuk levend geloofsgoed. In latere apostolische brieven als die van Petrus en Judas wordt gesproken over de 'gezonde leer' of de gezonde woorden Gods. In deze gezonde leer werden de gemeenten onderwezen, ook de jongeren, wat uitliep op een bewuste keuze voor Christus en zijn waarheid. Het zendingsbevel in Mattheus 28 : 19 betekende voor de apostelen dat zij ook heidenen moesten 'onderwijzen' en 'leren' de waarheid en geboden Gods.
Zo is de praktijk die onder ons gangbaar is, dat catechisanten in de leer der Schrift, in de belijdenis der vaderen worden onderwezen, wat uitloopt op het openbaar belijden van het geloof, het beamen van wat de kerk van alle eeuwen in de Apostolische Geloofsbelijdenis heeft vertolkt als haar geloof, tenvolle bijbels verantwoord. Nieuwe praktijken die, zoals al vermeld werden hier en daar ontstaan wijken daarvan af. Tot schade van de kerk.
Alleen, één gevaar mag niet worden verzwegen, dat de leer der kerk een systeem wordt, dat de traditie levenloos, dus dood wordt. Steeds weer zal ook in de catechese, niet voor het minst in de catechese die bedoelt op te leiden tot een openbaar belijden van Christus en zijn waarheid, geworsteld moeten worden om de levendmakende kracht van de Heilige Geest.
Het belijden van de kerk
Wie belijdenis doet voegt zich daarmee bewust bij de kerk. Hij hoort er al bij krachtens zijn doop, maar nu ook door persoonlijke keuze. De kerk met al haar gebreken en zonden (die hij trouwens zelf ook heeft) neemt hij voor zijn rekening. Hij volgt daarin Christus die ook de kerk voor zijn rekening heeft genomen en dat nog steeds doet. Het is niet mogelijk Christus' naam te belijden en tegelijk aan de kerk voorbij te gaan. Reeds Christus zelf sprak tijdens zijn optreden op aarde over een gemeente en gaf een gemeente (Mattheus 16 en 18). De Geest op Pinksteren schiep onmiddellijk een gemeente. Overal waar de apostelen kwamen stichtten zij gemeenten. Ondanks alle dwalingen en gebreken in die gemeenten maanden zij in hun brieven toch nimmer om die gemeenten te verlaten. Indrukwekkend is de zorg die iemand als Paulus zijn leven lang gehad heeft voor de gemeenten. Het onkerkelijk christendom dat velen in onze tijd bepleiten heeft geen grond in de Schrift, is met haar in strijd.
Het belijden van de kerk betekent ook een belofte zich voor die kerk te willen inzetten. Tegen haar aanschoppen is zo gemakkelijk en zo goedkoop. In haar kern en wezen is de gemeente niet een gemeenschap van mensen maar een gemeenschap van heiligen. Het mag worden gezien als een voorrecht tot haar te mogen behoren. Een eerste zorg van ieder (nieuw) lidmaat zou moeten wezen een levend lid van haar te wezen.
De aanvechtingen bij het afleggen van een openbare belijdenis des geloofs zijn in onze tijd vele. Slechts enkele hebben wij er genoemd. Deze aanvechtingen kunnen voor sommigen een ergernis betekenen waaraan zij te gronde gaan maar voor anderen een loutering waar zij door Gods genade doorheen komen. Juist christenen van de laatste soort heeft de kerk van onze dagen hard nodig!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 maart 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 maart 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's