Het aanbod van genade
Ingezonden
Naar aanleiding van de artikelenreeks over de Algemene Genade, van ds. Abbringh, schreef ds. Iz-Kok te Baarn een artikel dat hij ter plaatsing instuurde. Ds. Kok reageert vooral op de bezwaren, die ds. Abbringh in zijn zevende artikel ontwikkelde tegen de uitdrukking 'welmenend aanbod van genade'. Aangezien ds. Kok daarop een andere visie heeft geven we zijn artikel hieronder weer, teneinde de lezers in staat te stellen zich een evenwichtig oordeel hierover te vormen.
De Redactie
In verband met zijn onderwerp over de algemene genade spreekt ds. Abbringh in zijn laatste artikel over het algemeen welmenend aanbod van genade. Hij zegt dat hij met deze uitdrukking niet gelukkig is en wij deze term beter niet kunnen gebruiken.
Daar heeft hij gelijk in, mits het maar niet de bedoeling is de legitieme zaak die er door aangeduid wordt te elimineren. Vele termen kunnen door betere vervangen worden. Maar wie geeft ze? Daarom blijft het altijd geboden de vraag te stellen: welke inhoud heeft die aanduidingsvorm?
I. Ds. Abbringh meent zich in zijn bezwaar allereerst gesteund door Kohlbrügge die in zijn boekje De Taal Kanaans Vraag-vrij een gesprek laat voeren met Recht-uit. De vraag aan Recht-uit is of hij tot lering van Vraag-vrij iets vertellen wil van hen met wie hij kennis gemaakt heeft en die hem zeer gekweld hebben en van wie de Koning hem bevrijd heeft. Onder de vele namen, die Recht-uit noemt, is ook Meester Algemene-Aanbieding. Van deze persoon zegt hij dat deze de schapen wegjoeg en aan de wolven te eten gaf, totdat hij, zelf niets meer hebbende, van hen opgegeten werd.
Op het verband dat collega Abbringh hier legt, zou ik wel graag een aantekening willen maken. Naar mijn mening is hier een misverstand in het spel. Ds. Abbringh heeft niet ingezien dat in deze materie een ingrijpende naamsverschuiving heeft plaats gehad. In vorige eeuwen sprak men van algemene genade niet in onze huidige zin, maar in de betekenis van algemene verzoening. Ook Kohlbrügge sprak zo. In zijn boekje Vragen en antwoorden tot opheldering en bevestiging van de Heidelbergse Catechismus vraagt hij (blz. 44): 'Is er een algemene genade? ' Uit het antwoord blijkt duidelijk, dat hij hieronder algemene verzoening verstaat en afwijst. Zo is ook bij hem de term Algemene-Aanbieding te verstaan in de zin van een prediker van de algemene verzoening. Dat blijkt ook wel hieruit dat hij zegt dat een prediker van de algemene verzoening de schapen wegjaagt en aan de wolven te eten geeft. Dat is terecht gezegd. Dit kan hij niet zeggen van iemand die een algemeen aanbod van genade predikt. Tot op de dag van heden voeden de z.g. Oude Schrijvers uit Nederland en Schotland met hun algemeen aanbod van genade vele schapen en zijn vele wolven door hun prediking onder de zegen des Heeren veranderd in schapen.
Dat Kohlbrügge het oog heeft op de predikers van de algemene verzoening blijkt bovendien ook uit de lijst van namen waarin hij Meester Algemene-Aanbieding geplaatst heeft als: Meester Verdraagzaam, Meester Zedelijke-Verbeteraar, Meester Rede, enz. Hierbij past een prediker van de algemene verzoening zeer wel. Terecht was het ds. Abbringh opgevallen als zeer merkwaardig dat Kohlbrügge Meester Algemene-Aanbieding in één adem noemt met die andere Meesters. Wel, dit is de reden. Want het algemeen aanbod van genade is te zeer een legitiem bijbelse en reformatorische zaak dan dat Kohlbrügge deze in de rij van on-bijbelse en on-reformatorische 'Meesters' zou zetten.
II. Vervolgens acht ds. Abbringh zijn bezwaar tegen de uitdrukking: algemeen aanbod van genade gegrond in het bijvoeglijk naamwoord: algemeen. Het is niet waar, zegt hij, dat de genade algemeen is; er zijn nog vele plaatsen waar men nog nooit van het heil des Heeren gehoord heeft.
Dit argument houdt echter geen steek. De genade Gods is niet dan pas algemeen als ze overal gepredikt is. De algemeenheid van de genade is niet afhankelijk van de uitkomst. De Waarheid van Gods Woord is toch ook niet dan (pas) waarheid als ze door mij als waarheid beleden wordt. Ze is waarheid in zichzelf, ook al zou iedereen ze vertrappen, zegt Calvijn. Al is de genade Gods (nog) niet bij alle mensen, ze is daarom wel voor alle mensen. De genade Gods komt tot alle mensen, primair krachtens de algenoegzaamheid van Christus' offer (zie Dordtse Leerregels), vervolgens vanwege de Goddelijke nodiging aan al de einden der aarde en niet in het minst vanwege de Goddelijke opdracht: predikt het Evangelie aan alle creaturen. De belofte van het Evangelie is voor alle volken en alle mensen, met deze ene restrictie: waar het Evangelie gepredikt Moordt. Daarom moet de zending de waarachtige liefde van ons hart en hebben wij ons er in oprechtheid voor in te zetten, zoals collega Abbringh terecht opmerkt.
III. In de derde plaats is ds. Abbringh tegen het gebruik van de uitdrukking algemeen aanbod van genade' om de volgende redenen:
a. in de Bijbel komt deze uitdrukking niet voor
Een zekere A. van der Hart heeft een boekje geschreven onder de titel: Het Evangelie niet in strijd met de verkiezing, of iets over het welmenend aanbod der genade (Rotterdam, 1852). Daar blijkt dat dit argument vroeger ook wel gebruikt is. Maar deze eenvoudige man antwoordt daarop: indien er iemand in zijn gemoed bezwaar gevoelt om het woord aanbod te gebruiken, laat die het dan verwisselen met het noemen van een roeping, uitnodiging of bidden; als hij de zaak maar uitdrukt; en deze is de uitwendige roeping. Dit is juist gezegd.
Anderzijds zou ik er met klem op willen wijzen hoe Bijbels het woord aannemen is. Wie even een blik slaat in de concordantie van Trommius ziet hoe vaak dit woord in de Bijbel voorkomt. Aannemen berust op en heeft haar rechtsgrond in de aanbieding. Iets aannemen zonder voorafgaande aanbieding is: nemen, en dat is: stelen. En de aanbieding heeft haar vervulling in het aannemen. Niet dat de kracht om de aangeboden genade aan te nemen in ons ligt. Ook dat is inhoud van belofte en daarom werk van Gods genade.
b. bij Calvijn ontmoeten wij die uitdrukking een enkele keer
Dit komt mij voor wat al te vlug gezegd te zijn. Ik wil hier enige plaatsen voor de vuist weg noemen waar Calvijn spreekt van aanbieding en uitnodiging. In het gepredikte Woord, dl. 1, blz. 161, 162; dl. 3, blz. 166, 167. In zijn commentaren: op Luk. 4 : 22, Jes. 49 : 4, Joh. 17 : 20, 15; — 12 : 47; — 3 : 18; — 20 : 23; — 3 : 17; Luk. 2 : 34; Hand. 4 : 12; — 5:5; — 17 : 30; Rom. 4 : 20; — 1 : 16; Gen. 19 : 12. Deze lijst kan zonder moeite aangevuld worden.
c. in de belijdenis van onze kerk komt deze ook niet veel voor
Dit is numeriek wel waar. Evenwel, de wijze waarop deze zaak nota bene in de Dordtse Leerregels aan de orde gesteld is is van zodanige waarde en betekenis dat het genoeg is. Niet het vele is goed; het goede is veel.
d. de Erskines gebruiken het woord wel, maar doen dat zeer kritisch
Wat ds. Abbringh hier precies mee bedoelt, is mij niet duidelijk. Als hij er mee wil zeggen dat zij niet het krijgen of hebben van een belofte houden voor het deel hebben aan de beloofde zaak, dan zeg ik gaarne ja. Maar dan acht ik het woord kritisch niet gelukkig gekozen. Dan ware het beter geweest te zeggen: zij gebruiken het onderwijzend en onderscheidend. Maar in het geheel van het betoog van ds. Abbringh lijkt het mij dat hij bedoelt te zeggen dat de Erskines met veel voorbehoud en bedenkingen het algemeen aanbod van genade hanteren. En dat meen ik te moeten ontkenen. Het zal ds. Abbringh mogelijk bekend zijn dat zij, die een algemeen aanbod van genade predikten, menigmaal gedoodverfd zijn als remonstrantse predikers van de vrije wil. Daar zijn ook de Erskines niet aan ontkomen (zie C. Veenhof, Prediking en uitverkiezing, blz. 153, 309). Maar wie de Erskines recht doet zal noch het één noch het ander kunnen handhaven. Zij beleden van harte Gods vrijmachtig welbehagen en tegelijkertijd was voor hen het algemeen aanbod van genade het merg van het Evangelie.
e. het woord aanbod is te vrijblijvend
Dit wordt geadstrueerd met het beeld van een taartje dat aangeboden wordt en waartegen men evengoed ja als nee kan zeggen. Hier wordt een klankvergelijking gemaakt zonder er op te letten dat twee zelfde woorden door hun omgeving een geheel andere waarde en grondslag kunnen hebben.
In de aanbieding van genade is het een eerste vereiste te letten op Wie het is die ons nodigt. Het is niemand minder dan de hoge en majesteitelijke God zelf. Zijn nodiging is niet vrijblijvend noch afwijsbaar.
Vervolgens moeten we er op letten waarom we genodigd worden: omdat we in de greep van de dood zijn en Hij geen lust heeft in onze dood maar in ons behoud. Om onzes levens wil is deze nodiging niet vrijblijvend.
En tenslotte moeten we er op letten tot Wie we genodigd worden. Hij die ons roept tot het heil is ook Degene, die zijn heil realiseert in ons. Daarom bidt Hij ons in zijn grondeloze barmhartigheid dat we ons laten zaligen en laten verzoenen.
Hoewel ds. Abbringh begon met te zeggen dat hij de term algemeen aanbod van genade wilde afwijzen, blijkt uit deze vijf punten toch wel dat één en ander niet los staat van de inhoud, die met deze woorden wordt aangeduid. Hopelijk heb ik collega Abbringh een vrienden-handreiking mogen doen om met deze gezichtspunten hetgeen door hem geschreven is nog eens te bezien.
Volgens ds. Abbringh zou iemand eens gezegd hebben dat het woord aanbod te vriendelijk is; de hoge majesteit van de eeuwige God klinkt er niet in door. Ik meen te mogen begrijpen wat hiermee bedoeld wordt, nl. dat het niet de nodige afstand zou scheppen tot de souvereiniteit van Gods absolute vrijmacht. Dit is niet naar de waarheid. Het gaat in deze om het Gode gehoorzaam zijn, dat wij ons zullen buigen voor en over Gods geopenbaarde wil om die te doen en de verborgen dingen in Gods hand te laten en naar Calvijn's woord: te aanbidden. De hoogheid van zijn majesteit schittert ons niet zozeer tegen in de onkenbaarheid van zijn verkiezing als wel in zijn nederbuigende goedheid, dat Hij zo diep kan en wil buigen dat Hij ons ernstig en waarachtig roept. Tegen de majesteitelijke vriendelijkheid van deze diep-buigende liefde te zondigen is de grootste zonde die er is.
Ik wil eindigen met een woord van Boston (Verbond der genade, blz. 310): 'Maar hetzij dat gij het gelooft of niet, het is een waarheid dat Christus uw Zaligmaker is; en indien gij het nu niet wilt geloven tot uw zaligheid, zo zult gij ongetwijfeld hiernamaals uw misverstand zien, wanneer gij, verloren gaande, overtuigd zult worden dat gij verloren gaat, niet omdat gij geen Zaligmaker had, maar omdat gij verwaarloosd hebt van Hem gebruik te maken.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 maart 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 maart 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's