Belijdenis doen
Bij de Dordtse kerkenorde is bepaald in artikel 61 dat niemand ten Avondmaal des Heeren zal worden toegelaten, dan die naar de gewoonheid der kerk, tot dewelke hij zich voegt, belijdenis der Gereformeerde religie gedaan heeft, mitsgaders hebbende getuigenis van een vrome wandel. Het onderzoek van degenen, die zich tot de gemeente wilden begeven moest plaats hebben voor twee predikanten of voor één predikant met twee ouderlingen, voor wie de aanstaande lidmaten ter bestemdertijd moesten verschijnen. En de belijdenis des geloofs en de onderwerping aan de tucht der kerk moest openlijk geschieden in zulke plaatsen, waar een iegelijk bij komen kon, hetzij in de consistorie of in den tempel en daar zouden de namen van degenen, die als lidmaten der kerk ontvangen werden, stichtelijk bekend gemaakt worden.
Zo is het sinds Dordt tot een gewoonte geworden, dat de openbare belijdenis des geloofs plaatsvond in de samenkomst der gemeente, hetzij bij de voorbereiding tot het Avondmaal of bij de bediening van het Avondmaal.
Het belijdenis doen als kerkelijke handeling is dus uit de bijbel niet rechtstreeks af te leiden. Wij lezen van de goede belijdenis, die de Heere Jezus voor Pilatus gedaan heeft. Wij lezen van de Petrus' belijdenis, waarin hij de Christus beleden heeft als de Zoon Gods. Wij lezen van de Thomas' belijdenis, waarin deze de Heere Jezus na de Opstanding beleed als zijn Heere en zijn God. Wij lezen van de belijdenissen van de hoofdman en de soldaten bij het kruis. Zo zijn er nog ettelijke persoonlijke belijdenissen uit de Schriften, bijzonder uit de Evangeliën en de Handelingen der Apostelen te noemen. Maar van een kerkelijke handeling daaraan verbonden is geen sprake. Wel is er zo iets te zien in het toetreden van heidenen tot de gemeente van Israël, in het worden van proseliet van de poort en in het worden van proseliet der gerechtigheid.
Het belijdenis doen is dus in hoofdzaak een kerkelijke gewoonte, althans wat betreft het doen van belijdenis als kerkelijke handeling, als toegang vragen of verkrijgen tot des Heeren Heilig Avondmaal. In deze vreemde, verwarde tijd heeft men het Avondmaalgaan losgekoppeld van het belijdenis doen. Waarschijnlijk om onkerkelijk geworden leden, die de moeite van het catechisatie gaan en belijdenis doen te groot vinden, tegemoet te komen, om toch te kunnen Avondmaal vieren. Want hoe het ook gaat. Avondmaal gaan wil men toch wel, al heeft men met heel wat Christelijke levensnormen en levensgewoonten gebroken. Men zou soms denken, dat men in het Avondmaalvieren meer een gemeenschapsmaaltijd ziet dan een verkondigen van de dood des Heeren. Hoewel wij dus wel weten, dat het belijdenis doen een aangenomen gewoonte in de kerk is, is het ons toch nogal wat waard. Wij, die gaarne de Dordtse kerkregels aanhouden, zien hier ook nog een stuk Reformatorisch kerk-zijn in. Het is ons groot in de prille kinderjaren gedoopt te zijn, het is ons ook groot op de daartoe gezette leeftijd de doop, die onze ouders eens voor ons begeerden, over te nemen als ons bezit, de belofte ons daar betekend en bezegeld over te nemen als een ons zeer dierbaar bezit. Het moet ons toch tot een behoefte zijn, om ook de naam van Christus te belijden. Dat kan men overal en altijd doen, maar het wil toch eens officieel gedaan zijn. En wanneer doen wij dat beter dan wanneer wij tot de volwassenheid gekomen zijn. De catechisaties kan men niet eindeloos blijven volgen. Hebben wij die nu een bestemde tijd en met vrucht gevolgd, dan is het toch niet dan betamelijk, dat die met het doen van belijdenis worden afgesloten. Het beste doet men dit met de mede-catechisanten op de ongeveer volwassen leeftijd. Die leeftijd is niet precies vast te stellen. Sommigen doen vroeg belijdenis, het kan zijn door omstandigheden, een werkkring, verhuizing, of omdat hun hart hen jeugdig dringt om tot deze beslissing te komen, omdat hun hart jong tot de vreze van 's Heeren naam geneigd werd en ook jong naar Jezus trekt. Dat kan goed en is kostelijk. Het kan ook zijn, dat iemand tot een later belijden komt, omdat men geen vrijmoedigheid heeft. Deze dingen laten zich niet forceren. De keuze moet een keuze des harten zijn en deze moet rijpen. Wel is het uitstellen nogal eens afstellen. In sommige gemeenten is daardoor, in naam van het ernstig nemen en toch niet zomaar belijdenis doen, het getal der lidmaten klein en de gemeente soms heel groot. Men mag dan de ernst, waardoor men nooit tot het belijdenis van Zijn naam kwam, wel eens terdege onderzoeken. Is Hij het ons niet waard, dat wij Zijn naam openlijk bekennen? Is de gemeente het ons niet waard, dat wij ons bij haar voegen? Deert het ons niet, dat anderen wel lid worden, zodat de gemeente aan een geheel andere leer vervalt dan die, welke is naar Schrift en belijdenis?
Wij belijden Zijn naam, maar wij doen dat ook bepaaldelijk in de gemeente. Wij doen dat ook vóór de gemeente, aan de gemeente. We hebben voor de gemeente iets te zijn, hebben voor haar ook iets te doen. Belijdenis doen, dat is aantreden in de rijen van hen, die oudtijds en voorheen de Naam beleden. Zo voegen wij ons bij de ware kerk. Onze geboorte in haar voegt ons bij de kerk, onze doop doet dat, onze kerkgang doet dat, ons bidden, ons offeren doen dat, ook en juist ons belijden, ons meebelijden doet dat. En dan ook ons Avondmaal vieren doet dat. Het vormt alles die ene keten des geloofs, waaruit niet één schakel gemist kan worden.
En zo is daar dan die ure, waarin wij met het ja-woord, eventueel gepaard aan de Doop, als iemand volwassen toetreedt tot de kerk, ons verbinden aan onze God en Zaligmaker en aan Zijn gemeente. Onvergetelijk uur. 'Die Mij belijden zal voor de mensen, zegt Jezus, die zal Ik belijden voor Mijn Vader, Die in de hemelen is.' Neen wij kunnen deze goede gewoonte in de kerk niet missen. Wij willen haar ook niet missen. Wij belijden maar al te graag die Naam, erkennen maar al te graag de leer van de bijbel, de leer van de kerk. Wij schikken ons ook wel zeer graag naar de vermaning en tucht der kerk. En de God aller genade. Die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig tij ds zullen geleden hebben. Die volmake, bevestige, versterke en fundere ons.
Hij fundere ons in het allerheiligst geloof met alle heiligen. Daar zal de kerk alleen maar wèl bij varen!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 maart 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 maart 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's