Opstandingsfeest van de dood
’Hier en Heden’
Dapper samen roepen we dat God dood is. Ik weet wel dat velen geruststellend met een vaders glimlachje ons verduidelijken, dat het overlijdensbericht slaat op slechts godsvoorstellingen, die in de loop van jaren haar eigen leven gingen leiden. Aan de God van Abraham, Izaak en Jacob, aan de God van Blaise Pascal moeten we bij de onbesuisde kreet helemaal niet denken. Ik weet niet of die kalmeerders het wel volstrekt bij het goede end beet hebben. Ik krijg de indruk, dat menigeen met het badwater zogezegd ook het Kind weg wil plenzen. Dood aan de top brengt verschuivingen in de hiërarchie van de machten. We kunnen het paulinisch als betrof het een tekst uit de brief aan de Romeinen onder woorden brengen: Want als nu God gestorven is, zo is de dood weder levend geworden. Dat zat ik te bedenken met een stukje Volkskrant van 25 maart jl. in mijn handen. De socioloog drs. J. Matse zei: 'Samenleving minder met dood verzoend'. Ik laat een paar regels volgen. Dan begrijpt u waar het om gaat. 'De moderne samenleving is minder met de dood verzoend en daardoor zijn sterven en stervensbegeleiding levensgrote problemen geworden'. Dat zei zaterdag in Utrecht de socioloog drs. J. Matse, verbonden aan het instituut voor sociale geneeskunde van de Vrije Universiteit. Hij sprak op een conferentie van de projectgroep 'Ziekenhuis in discussie' over stervensbegeleiding. Volgens drs. Matse groei de men een eeuw geleden nog met de dood op als een deel van het leven. Het sterven was een publieke zaak, waarbij een hele samenleving betrokken was. Men had er minder moeite mee dan tegenwoordig, nu het sterven een afgeschermd privégebeuren is geworden. Vroeger rouwde de hele gemeenschap met de familie mee. Tegenwoordig schuwt de gemeenschap de stervende, laat hem in de steek. Stervende en nabestaande moeten zelf hun weg zoeken, zelf een manier vinden om het gebeuren te verwerken. We weten met de dood geen weg meer.
Hij wees er ook op, dat het verdwijnen of veranderen van religieuze belevingen, waarbinnen het sterven plaats had, vooral oudere mensen voor grote moeilijkheden plaatst.
Dank zij de grote vooruitgang van het medisch kunnen is de dood weliswaar niet meer oppermachtig, doch dat maakt het sterven juist moeilijker, omdat de mens de dood niet langer ervaart als een onontkoombaar sluitstuk van het leven'.
Een laatste verwijt was, dat de artsen de verpleegkundigen niet informeren over wat de patiënt en zijn omgeving al en niet weten en daarom hebben de verpleegkundigen nauwelijks een taak bij de begeleiding van het sterven.'
God is gestorven, heet het, maar de dood is weder levend geworden dat wil zeggen dat inderdaad, zoals spreker zei, de dood veel en veel meer een levend probleem is geworden. Voor wie is het — met name in het uur van de dood — een levende werkelijkheid, dat de dood is verslonden in de overwinning en dat een kind van God, hoe zwak van moed zelf overigens, zegevierend bij de dood, die zich vertoont kan informeren waar toch eigenlijk zijn prikkel is gebleven. We vragen ons af of we niet beter doen Pasen te vieren als de opstanding van de dood uit de doden, want dan is er geen enkele communicatiestoornis met het huidige levensgevoel. God is dood; de taal van de levenden is dood, de dood evenwel is weder levend geworden. Zo'n Paasloze Pasen vieren we. We weten met de dood geen weg meer.
Het kan ons vaak benauwen, dat we op die manier Pasen vieren in onze na-oorlogse welvaartsstaat, waarin we om het leven murmureren. In de na-oorlogse situatie na de hellevaart daarvoor. Ik lees nog een kranteberichtje, dat in de dagbladen verscheen in de periode van het proces Adolf Eichmann.
'Een familie van acht personen ging voorbij. Man en vrouw, van ongeveer vijftig jaar, met kinderen van ongeveer 18 en tien jaar en twee volwassen dochters van 20—24 jaar. Een oude vrouw met sneeuwwit haar hield een eenjarig kind op de arm. Zij zong zacht een liedje en kietelde het wurm. Het kraaide van genoegen. Het ouderpaar keek er met tranen ui de ogen naar. De vader hield de jongen van tien jaar bij de hand en praatte zachtjes met hem. De jongen had moeite om zijn tranen in te houden. De vader wees met zijn vinger naar de hemel en scheen hem wat uit te leggen. Toen riep de SS-man aan de groeve zijn kameraad iets toe. Deze telde een groep van ongeveer twintig personen af en wees hun toen achter de heuvel van aarde te gaan. De familie van acht personen was erbij. Een meisje met zwarte haren en slank van gestalte passeerde een Duitser, wees op zichzelf en zei '23 jaar'.
Dicht opeengeperst lagen daar achter de heuvel velen op en over elkaar. Slechts de hoofden waren zichtbaar. Allen lagen met bloed bespat. Een deel van hen, die getroffen waren bewogen zich nog. Enkelen hieven hun armen of wendden het hoofd ten teken dat zij nog leefden. De groeve was al voor drievierde vol.
Een SS-schutter zat aan de rand van de groeve op de grond en liet zijn benen erin hangen. Op zijn knieën had hij een machinepistool liggen en rookte een sigaret.
De volkomen naakte mensen gingen een trap af, die in de wand was gegraven, en gingen strompelend staan op de plaats, die de SS-man hun wees. Zij gingen voor de dode of aangeschoten mensen liggen. Sommigen streelden nog de levenden en praatten zachtjes met hen. Dan viel een rij schoten.
In Beeth Haam in Jeruzalem hoorde Adolf Eichmann dit en andere feitelijke verhalen, soms knipperde hij met de ogen, soms perste hij de lippen stijf op elkaar, eenmaal wiste hij zich de mond af. Toen de procureur-generaal vertelde dat sommige moeders vlak voor de dood kwamen en nog zacht hun kinderen voorbaden: Hoor Israël... (Deut. 6 : 4) kostte het de ontroerde tolk duidelijk moeite deze woorden te vertalen. Was Adolf Eichmann nu maar opgestaan en had hij zich éénmaal schuldig verklaard. Het zou geen doden levend gemaakt hebben, maar het zou hem tot een mens hebben gemaakt. Althans voor een ogenblik.'
Tot zover het verslag. Het zou geen doden hebben levend gemaakt, zegt de journalist. En toch als de man was opgestaan .. opgestaan ... had het een dode levend kunnen maken. Het is een sombere zaak, dat we al minder en minder ons kunnen verzoenen met de dood. Een troosteloze ondergangsstemming maakt zich van deze samenleving meester. Zonder God is zonder hoop. Plinius verhaalt dat ten tijde van de catastrofe van Pompeji de mensen riepen: 'Er zijn geen goden, nergens ter wereld, dit is de nacht waarin de wereld voorgoed vergaat'. Wat houvast is er als het er helemaal op aan komt? Wie houdt ons dan vast? De grote vraag is en blijft; Van wie ben je, bij wie hoor je? Het is niet best, nee eindeloos slecht, wanneer we maar van de wereld zijn. Zijn we van Christus dan zijn leven en dood in één ogenblik gerelativeerd. Leven en dood zijn tweederangs geworden. Hetzij we leven ... hetzij we sterven ... het is tot daaraan toe. Hoofdzaak is dat we van Hem zijn. Al gaan we dag in dag uit van hand in hand overgeleverd in de dood, ziet, wij leven. We weten weg met de dood.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 april 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 april 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's