De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Niet tot rust kunnen komen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Niet tot rust kunnen komen

12 minuten leestijd

Het volgende is een ietwat meer uitgewerkte vorm van een inleiding, gehouden op een samenkomst van predikanten. In Jesaja 57 : 20, 21 lezen wij: aar de goddelozen zijn als een voortgedreven zee; want die kan niet rusten en haar wateren werpen slijk en modder op. De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede.

Verkenning

Wanneer wij de omgeving van deze woorden wat gaan verkennen, valt het ons op, dat aan het einde van Jes. 56 het wee over de goddelozen wordt uitgesproken. Eerst krijgen de wachters een beurt (Jes. 56 : 9 — 57 : 3). Deze wachters zijn inzonderheid de profeten, die de ogen en de oren van het volk behoren te zijn. Wat wordt van hen gezegd?

In de eerste plaats, dat zij blind zijn. Zij hebben er in de verste verte geen vermoeden van hoe de plaatsbepaling van het volk voor God is. Daarmee hangt samen, dat zij geen verstand hebben. De kennis ontbreekt hen. Zij zien de zonden van het volk niet en merken de gerichten Gods niet op, die aanstaande zijn.

In de tweede plaats wordt van hen gezegd, dat zij stomme honden zijn, die niet blaffen kunnen. Nadert er een gevaar, is er een wolf in aantocht, zij geven geen geluid. Geen wonder, dat de schapen worden verscheurd. Wat doen zij dan wel? Dromen en sluimeren. Inplaats van waken en bidden zijn zij vadsig en lui. Wellicht hebben zij heel mooie dromen, maar het zijn en blijven producten van hun eigen geest. Zij komen op geen enkele manier van God, die soms openbaringen gaf door de droom.

Dan verspringt het beeld van de herdershond naar de straathond. Zij zijn dus geen wachters, geen echte herdershonden van Israel's Herder, maar straathonden: gulzig en vraatzuchtig! Dat wil dus zeggen, dat ieder van hen zo met eigen bezigheden druk is en vooral op eigen voordeel uit is. Elk gaat op buit uit. Hebzucht en zelfzucht ontsieren hen.

Nu geeft de profeet één van hen het Woord. Hoor wat hij zegt: Komt, ik zal wijn halen en laten wij sterke drank zuipen, en zoals de dag van heden, zal die van morgen zijn, ja nog heerlijker!

Daaruit blijkt, dat de leegte opgevuld wordt met het drinken, ja het zuipen van sterke drank. Er moet op gedronken worden! En de motivering? Morgen is de dag nog veel heerlijker dan van die van nu. Zij kijken zonnig tegen de toekomst aan. Het gaat excelsior: steeds hoger, steeds beter!

Het bederf van het beste is inderdaad ook het slechtste. De wachters (profeten, koningen en rechters) over Israël gezet, zijn door en door bedorven. Inplaats van de kudde te bewaken en te bewaren, leiden zij haar naar de ondergang. Hun aanwezigheid in Israël is een geducht oordeel Gods. Dan is de algehele ondergang niet meer veraf, maar dichtbij!

Vanmorgen wordt ons hier een spiegel aangeboden. Laten wij er diep in zien! Dat wij ervoor bewaard worden om het gezicht Aan onze buurman te ontdekken, maar ons eigen gezicht zien. Waar staan wij voor God met de kudde aan onze zorgen toevertrouwd? Hebben wij ogen om te zien? Zijn wij in staat de plaats te bepalen, waar kerk en volk zich bevinden? Hebben wij de kennis ontvangen en het verstand om het volk te leren? Zijn wij stomme honden, die niet blaffen kunnen bij het naderend gevaar van de ondergang van kerk en volk? Het gaat er niet om, dat wij keffers zijn bij alles en nog wat, maar waakhonden van de enige Herder, zodat wij in Zijn omgeving zijn en vol ijver en liefde voor de kudde staan en haar beschermen tegen de wolven, die haar willen verscheuren.

Brengen wij de dagen en nachten door met sluimeren en dromen, terwijl wij onvatbaar zijn voor het toesprekend Woord van God? Of waken en bidden wij in de gebeden? Wanneer dat niet het geval is zijn wij — hoe dan ook — op ons eigen voordeel en gemak uit om maar te zwijgen van de uitspattingen aan het eind van Jes. 56 genoemd. De brooddronkenheid komt altijd voort uit gebrek aan gezicht op de rechterstoel van Christus, waarvoor wij allen eens rekenschap zullen geven.

Het volk Zo de priester, zo het volk. Zo de profeet, zo de door hem aangesprokenen. Zo de koning, zo de onderdanen. Er is een nauw verband tussen de leiders en het volk. Het is erg eenvoudig alle schuld voor het verval ook in deze tijd te werpen op de voorgangers. Hun schuld is groot. Wij zagen het in het voorafgaande. Maar dat pleit het volk niet vrij, hoe bitter sommigen er ook onder lijden.

Die sommigen worden hier rechtvaardigen genoemd. Zij komen om. Zij worden weggeraapt (Jes. 57 : 1, 2). Weliswaar rusten zij op hun slaapsteden (graven), weliswaar weet God raad met hen, maar dat neemt niet weg, dat het weggeraapt worden van de rechtvaardigen hier staat in de vorm van een felle aanklacht tegen het volk.

Vandaar dat nu de situatie van het volk doorlicht wordt. Het volk wordt genoemd kinderen van een tovenares, zaad van een overspeler en hoererende. Toverij en hoererij zitten hen in het bloed. Dit blijkt uit hun houding tegenover de vromen. Daarmee drijven zij de spot en steken de tong tegen hen uit. Hun religie bestaat uit de vereniging van de vergoddelijking van de natuurkrachten (Baal en Astarte) en de uitspattingen, die in de verzen 3 — 13a worden beschreven. Het is nog nooit anders geweest: ontaarding van de band met God gaat altijd gepaard met de ontwrichting van huwelijk en gezin, als er tenminste nog sprake is van een huwelijks-en gezinsleven en deze goddelijke instellingen niet ingeruild zijn voor de 'vrije liefde', homosexualiteit en andere goddeloosheden.

Moeten wij hier nog toepassen? Is het niet met de handen te tasten, dat in de 'geloofscrisis' van vandaag alle normen wegspoelen. Wij verliederlijken, verloederen op een ontstellende wijze.

Troost

Opeens wendt de profeet zijn toespraak tot de neergebogenen. Zij worden omschreven als mensen die op God vertrouwen. Treffende karakterisering voor toen en nu. God spreekt hen toe door dit profetenwoord, dat Hij is de Hoge en de Verhevene, die in de eeuwigheid woont. Hij is hoog, duizelingwekkend hoog. Zo hoog, dat Hij in de naam: Verbondspartner niet te vangen is. Hoezeer Hij Zijn Woord en Verbond houdt. Hij stijgt zo hoog boven ons uit, dat wij sidderen en beven voor Zijn Majesteit. De 'vermenselijking' van God gaat altijd gepaard met de verhoging van de mens. En de verhoging van de mens gaat altijd gepaard met de verhovaardiging van deze mens.

Tegelijk is God degene die Zich neerbuigt. Hij woont in de hoogte en in het heilige en bij de verbrijzelde en neergebogene van geest. Wat doet Hij? Hij maakt het hart van de verbrijzelde levend en Hij doet het hart van de neergebogene opleven. Dat is een heel groot wonder. Midden in de oordelen denkt Hij aan Zijn ontferming. Hij twist niet eeuwig en blijft niet altijd de toorn behouden. Reden? Er zou niemand overblijven. God geneest, maar niet allen.

Geen vrede

Dit blijkt uit de verzen 20 en 21 van Jes. 57. In tegenstelling met de treurigen wordt van de goddelozen gezegd, dat zij als een voortgedreven zee zijn. Want deze kan niet rusten en haar wateren werpen slijk en modder op. Treffend woord, dat ons eerst persoonlijk geldt. Want wie onder ons heeft vrede dan hij die als een goddeloze gerechtvaardigd wordt? Dat is een persoonlijke zaak. Dat gaat dwars door ons heen, wanneer we niet alleen straks, maar ook nu reeds voor de rechterstoel van Christus staan en in de scherpe veroordeling van heel ons bestaan een Ander zien intreden. Alleen in Hem hebben wij vrede. Zijn bloed en wonden vertroosten ons. Onze zorg voor kerk en volk is alleen dan goed, wanneer wij in de solidariteit — niet met de zonden, maar met de schuld van de zonden — onder dit gericht zijn doorgegaan en doorgaan. Onze diepe verontrusting is alleen dan goed, wanneer zij voortspruit uit de hartstocht voor de eer van God en opkomt uit een verbrijzeld hart, dat God levend maakt. Zij is alleen dan goed, wanneer zij voortvloeit uit de rust, die Christus geeft.

Wij hebben de weduwe uit de gelijkenis voor ons te hebben, die in haar ontrechting steeds roept: Doe mij recht tegenover mijn wederpartij. Zij stond op Gods gelijk, niet op het hare. Dat wij geen betuttelaars zijn en worden. Geen mensen, die altijd gelijk willen hebben en op ons eigen gelijk staan. Deze Farizeeër zit levensgroot voor ons. Het moet ons een lief ding waard zijn, wanneer de waarschuwingen, de vermaningen, de oproepen minder uitgekomen waren dan ze nu uitgekomen zijn. Je wordt er soms bang van.

Maar nogmaals: wij behoeven geen gelijk te krijgen, maar God dient gerechtvaardigd te worden. Voorzover wij in dit Woord staan en verteerd worden voor de eer van God zal God ons nog dieper doen buigen onder de schuld van onze kerk en van ons volk, terwijl we toch met het Woord Gods tegen de huidige ontwikkeling ingaan.

Genade onderscheidt! Zij geeft een scherp oog op de niet verootmoedigden, de goddelozen. Zij zijn een voortgedreven zee. Altijd in beweging en altijd op weg of onderweg. Van de morgen tot de avond 'in gesprek', waarbij — en dat hoort bij de dialoog — vrijblijvende antwoorden worden gegeven en de zaak waarover gesproken en gedialogiseerd wordt nog verder de mist ingaat. Behalve het gesprek zijn er de 'doe-drukten', bijna schreef ik de 'kouwe drukten'. Zij staan in de kerk momenteel hoog genoteerd. Het is een infectiebacil, die snel om zich heen grijpt. De dynamiek, de motoriek — denk aan de uitdrukking: de weg van het belijden — heeft de kerk aangegrepen. Zij zwoegt in haar ambtelijke vergaderingen en commissoriale arbied aan rapporten, aan nota's, enz. Het ene rapport is niet geschreven of het moet nodig worden herschreven. Mocht er al een rapport over het huwelijk en het gezin zijn (waarop tot vandaag stevige critiek geboden en nodig is) de nieuwe moraal heeft alles weer achterhaald en de dankbetuigingen ontbreken niet, dat we nu weer bij de tijd proberen te komen!

Zegt dat wel: bij de tijd! Ook bij God en Zijn Woord? Neen. Van Hem raken wij steeds verder weg. Hoe zou het ook anders kunnen?

Kan dan de kerk niet meer tot de bovengeschetste rust komen? Ik bedoel de kerk zoals zij reilt en zeilt. Ik geloof het niet. Want in dit alles is het striemend oordeel Gods aan de gang over de verlating van Hem en van Zijn Woord. Een praat- en een doekerk bewerkt haar eigen ondergang.

Dat de wereld in beweging is, zal waar zijn. In haar werkt de geest van de vorst der duisternis. Dat zij niet tot rust kan komen tenzij en totdat Christus het raadsel van de geschiedenis ontknoopt, zal ook waar zijn. Maar dat de kerk hijgerig achter deze dynamiek aanloopt en niet meer tot rust kan komen, is ontroerend.

Wat mij de laatste tijd het meest heeft aangegrepen is haar onmacht om te spreken, wanneer het over de kern van haar belijdenis gaat. Het getuigenis lag en ligt op tafel. Dat werd niet zonder meer aanvaard. Er moest genuanceerder worden gesproken. Voorshands is er niets uitgekomen. Hoe zou het ook kunnen? IJzer en leem laten zich niet  met elkander vermengen. Het is onmogelijk alle meningen van de diverse groepen in de kerk onder één noemer te brengen. Wanneer dat voor de zoveelste maal gebeurt, krijgen wij het zoveelste kleurloze rapport, waarvoor de gemeente niet in beweging te krijgen is.

Zij kan niet rusten! Dat geldt ook van het onderwijs. Wie in het pastoraat in aanraking komt met mensen uit het onderwijs weet, dat niet alleen de vijftig- en zestig jarigen moeite hebben om de turbulente ontwikkelingen te volgen, maar ook sommige jongeren. De zaak komt niet meer tot rust. Het ene program na het andere gaat door de papiermolen en maakt de verwarring nog groter.

Intussen ontbreken slijk en modder niet. Want deze dynamiek weet het onderste uit het mensenhart omhoog te brengen: slijk en modder. Wij worden ermee overstort. Homosexualiteit is voor velen — ook in de kerk — geen zonde meer. Wanneer gewezen wordt op de ondergang van de beschaving van de Romeinen tengevolge van deze en andere zonden is een journalist van Hervormd Nederland er als de kippen bij om deze schrijver om de oren te geven en te wijzen op Hitler, die alle homosexuelen liet oppakken en wiens rijk nog geen vijftien jaar bestond. Alsof dat een afdoend antwoord is op de zaak en daarmee de homosexualiteit 'genormaliseerd' zou zijn! Slijk en modder. Maar God zal het zoeken en bezoeken ook in de kerk!

Is dit niet kunnen het laatste? Is het dan een soort noodlot, dat over ons komt? Neen, er is een tenzij! Dat is het tenzij van een waarachtige bekering tot God, die nu meer dan ooit in de meest persoonlijke zin van het woord gepredikt dient te worden. Wie vandaag een goddeloze is in deze zin, kan, wanneer het God behaagt, morgen een verootmoedigde zijn. Maar dan zullen wij ook weten wat wij gedaan en misdaan hebben!

Wie door God uit de leef- en denkpatronen van deze tijd wordt uitgeslagen, kan er niet meer in gaan en staan. Van hem geldt het woord dat David sprak tot Saul: In dit harnas kan ik niet gaan. Hij zal zich totaal moeten losmaken van de besmettingen, die er van deze patronen uitgaan. Maar dat is dan ook — hoe pijnlijk de operatie is — een geweldige bevrijding. Hoor wat Kohlbrugge in een crisissituatie van zijn leven schreef: Mijn ziel kan in dit tuig niet gaan!

Is dit hoogmoed? Wij zijn nergens te goed voor. Maar wij mogen het hoge Woord niet encanailleren met gedachten van mensen; gedachten die straks alle zullen worden weggevaagd. Wat dan? Wel, de hoge Naam Gods uitroepen en niets anders. Dit betekent, dat niet wij, wij en nog eens wij het doen, maar Hij, Hij en nog eens Hij. God staat in voor Zijn Kerk en Zijn werk.

Zijn Naam zij geprezen!

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 april 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Niet tot rust kunnen komen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 april 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's