Een half jaar na het getuigenis
Het is al weer ruim zes maanden geleden dat het Getuigenis verscheen. Donderdag 7 oktober verscheen het voor het eerst in de bladen. Direct daarna brak de kritiek los, en de sceptici beweerden al dadelijk dat het wel weer een zeepbel zou zijn, die dadelijk uiteen zou spatten. De maandag na de verschijning waren er bij mevrouw Van Ruler 'nog maar' 240 adhesiebetuigingen binnengekomen, reden voor critici om al direct te veronderstellen dat het zo'n vaart niet zou lopen. Maar nu, maanden later, moet gezegd worden dat een zo grote hausse van adhesiebetuigingen en reacties is binnengekomen, dat niemand meer zal kunnen zeggen dat er niets aan de hand is. We mogen gerust zeggen dat het Getuigenis in de kerk is aangekomen. De duizenden, die gereageerd hebben, hebben getoond hoe ze de religie, die in het Getuigenis verwoord werd, hebben verstaan. En zo langzamerhand moeten we constateren dat een gesprek, als na het Getuigenis op gang is gekomen, in jaren niet gevoerd is binnen de Hervormde Kerk, maar ook niet daarbuiten. In Hervormd Nederland verschenen meer dan 70 ingezonden stukken. Men heeft er op een bepaald moment een streep onder gezet maar er lagen nog dozen vol reacties, die niet meer geplaatst zijn.
En dan, na de felle kritieken in de pers, die nu wat verstomd zijn, gaat het échte gesprek verder, op gemeenteavonden op conferenties en in kringen. Het aantal aanvragen, voor spreekbeurten is groot. En het is bepaald niet zo dat er alleen bijeenkomsten worden belegd in Hervormde gemeenten, en dan nog met name in Gereformeerde Bonds gemeenten of Confessionele gemeenten, ook in de kerken naast de Hervormde Kerk wordt het Getuigenis besproken, zoals in de Chr. Geref. Kerk, in de Geref. Kerken (vrijg.), of ook in interkerkelijke samenkomsten. En overal is er intensieve belangstelling. En dan leert de ervaring mij persoonlijk — en het vergaat de andere ondertekenaars van het Getuigenis óók zo — dat de felle kritiek van de theologen op de bijeenkomsten in de gemeenten niet is terug te vinden. In de gemeenten is er de respons, daar is het Getuigenis in zijn diepste bedoeling verstaan en dankbaar verwelkomd. Ik geloof dat hier een aanwijzing ligt hoe ver de moderne theologen vaak zweven boven het vlak van de ge meente.
Het Getuigenis was bepaald niet gemakkeiijk, het wilde immers een aantal theologisch gefundeerde signalen geven inzake punten, die momenteel zozeer omstreden worden, en dat moest gebeuren in compacte vorm, maar de gemeenten hebben er de religie in herkend, het geloof van de eeuwen. Uiteindelijk wordt in de gemeenten gevoeld dat we niet kunnen sterven en dus ook niet kunnen leven met een bepaalde visie op allerlei wereldvragen — hoe belangrijk die vragen ook kunnen zijn — maar dat het in de eerste plaats gaat om wat de inhoud van het geloof is, waardoor we rechtvaardig zijn voor God. En dan gaat het om het evangelie van Jezus Christus en Die gekruisigd.
Waarom hebben velen dan zo aangeschopt tegen die passages in het Getuigenis, waarin het persoonlijke van het geloof zo benadrukt werd en waarin erop gewezen werd dat de kerk weer zou moeten worden een ark van Noach, die redding en veiligheid biedt als de golven van het oordeel Gods over de wereld gaan? Is het soms omdat men het gevoel had betrapt te zijn, omdat men zelf aan de verkondiging van het evangelie, gericht op harten en levens, niet meer toekwam, en dat men derhalve gevoelde dat men in de prediking inderdaad de mensen in de kou liet staan? Vanwaar anders die felle reacties? Er schijnt een publicatie in de maak te zijn, getiteld: 'Naar de kark, naar de ark, zei de dominee'. En direct na verschijning van het Getuigenis werd inzake die passage over de ark honend opgemerkt: 'als wij in de kerk maar veilig zijn, dan kan de rest zeker wel naar de ver. .. lopen? ' Nogmaals, vanwaar die felheid? Mag de kerk in haar verkondiging dan geen redding en veiligheid bieden? Die veiligheid en redding is overigens niet gelegen in het instituut als zodanig. Neen, die is alleen gelegen in de ark des Behouds, Jezus Christus, in het enige fundament, de rots der eeuwen. Daarom mag de kerk in de verkondiging redding en veiligheid bieden door te wijzen op Hem, die de enige grond van het behoud van mensen kan zijn. Ik geloof te mogen zeggen dat de felheid van velen alleen te verklaren is uit het feit dat men aan eigen gereformeerd verleden herinnerd werd. En bovendien, de reacties uit de gemeenten hebben onthullend gewerkt. Daaruit is gebleken hoe erg het inderdaad wel is in de kerk met de prediking, alle vragen van de critici ten spijt om aan te wijzen waar er dan inderdaad zó gepreekt werd als in het Getuigenis is gesignaleerd. Alleen het feit dat er inderdaad in de prediking vaak stenen voor brood gegeven worden verklaart de geweldige respons die het Getuigenis kreeg. Want in feite gaf het Getuigenis niets nieuws. Het plaatste het oude belijden in de huidige geestelijke en kerkelijke crisis, en zo is het bepaald ook in de gemeenten verstaan.
De Gereformeerde Gezindte
Ik meen intussen dat één van de grote winstpunten van de laatste tijd is geweest dat de stem van de Gereformeerde Gezindte weer duidelijk geklonken heeft en dat met name in die Gereformeerde Gezindte alles wat door het Getuigenis is losgemaakt als een positieve zaak ervaren is. Het is geen stuk meer van zes mensen, of van nog eens dertien mensen erbij, die als eersten officieel adhesie betuigden. Het is ook geen Hervormd stuk, in de kerkelijke zin van het woord, neen het wil een gereformeerd stuk zijn en als zodanig wil het in de huidige kerkelijke en geestelijke crisis stem geven aan het gereformeerd belijden in de meest brede zin van het woord. Zo is het ook verstaan. Dat blijkt uit het feit dat het in kerken naast de Hervormde Kerk — ik stelde het al — ook brede aandacht heeft gekregen. Persoonlijk heb ik de vele reacties uit het geheel van de Gereformeerde Gezindte als een verkwikking ervaren, evenals de bijeenkomsten, die soms interkerkelijk van opzet waren, of door b.v. een Christelijk Gereformeerde gemeente of een gemeente uit een ander kerkgenootschap werden georganiseerd. Je ervaart uit dergelijke reacties op zulke bijeenkomsten iets van de noodzakelijke eenheid van de gereformeerde belijders. Er is de laatste tijd verschillende malen op gewezen dat het ideaal van de Gereformeerde Gezindheid, waarover Groen van Prinsterer sprak, weer tot leven is gekomen. Als dat het geval is dan zou ik dat een bijzondere zaak vinden. We hebben samen te staan in de bressen, die thans geslagen worden. Het gaat in onze tijd om niets minder dan om de continuïteit met het belijden der vaderen. Een breuk met het verleden dreigt en dat heeft consequenties voor het komende geslacht. Daar zijn we als het goed is als gereformeerde belijders allen bij betrokken. Laten we onze kerkelijke standpunten — waarvoor we allen willen staan, jawel! — maar eens wat relativeren en vanuit de eenheid van ons gereformeerd belijden, vanuit de Drie Formulieren van Enigheid, gezamenlijk staan voor één zaak: getuige zijn naar buiten en opkomen voor het goed recht, het alleen recht van een voluit bijbelse verkondiging, waarin de mensen geen stenen voor brood krijgen maar brood voor het hart.
Enkele weken geleden —u hebt het vorige week in ons blad kunnen lezen — bezochten de predikanten Den Boer, v. d. Hoef, Den Butter en Zijderveld, behorende tot drie verschillende kerken samen een predikantenconferentie in Leicester in Engeland. Uit hun impressies valt af te leiden dat het voor hen een verkwikking was om in de eenheid van hetzelfde belijden met broeders uit een ander land, die datzelfde belijden zijn toegedaan, ook behorend tot verschillende kerken bij elkaar te zijn. Ze hebben samen het Getuigenis, vertaald in het Engels, meegenomen, en nu reeds zijn er reacties, die erop wijzen hoe ook daar de boodschap, die het Getuigenis wilde geven, een klankbodem heeft. De gemeenten worden thans overal aangevreten door een modem levensbesef, waarin geen plaats meer is voor God en Zijn Woord, voor de dingen van de eeuwigheid. Daarom hebben we allen te waken voor het reformatorisch erfgoed. Dat doet voor ons als gereformeerde belijders een gemeenschappelijke opdracht zijn. Dan mogen er best onderling ook bepaalde verschillen zijn. Die zijn er óók tussen de ondertekenaars van het Getuigenis onderling. Maar we vonden elkaar — van harte! — in dat wat we in dit Getuigenis hebben gezegd rondom het hart van de belijdenis. Dat was ook geen kwestie van wikken en wegen. Het ging spontaan en daarom geloof ik dat er iets in was van het werk van de Heilige Geest, die mensen uit verschillende achtergronden samen bracht om ook samen in éénheid des Geestes te spreken.
Ik geloof dat we in onze tijd als gereformeerde belijders weer de breedheid zullen moeten vinden van het waarlijk gereformeerde. Er is ook een zekere pluriformiteit binnen hetzelfde belijden. Niet ieder behoeft te zijn zoals wij zijn, wil hij er toch echt bijbehoren. We hebben samen te buigen voor hetzelfde Woord en dan komen wijzelf en de anderen er altijd in een gemeenschappelijke schuld onderuit. En verder, wat de verschillen betreft, er kan ook sprake zijn van een verschil van inzicht inzake bepaalde punten van het belijden, zonder dat dit tot onderlinge vervreemding behoeft te leiden. Ten tijde van de Dordtse Synode, zo verzekerde mij onlangs iemand, waren er wef twaalf verschillende richtingen in de kerk. Ik mag echter toch wel zeggen dat die Dordtse Synode nogal heel wat nagelaten heeft waarvoor het nageslacht dankbaar kon zijn. Misschien zijn er in de huidige Gereformeerde Gezindte wel méér dan twaalf stromingen: verschillende visies op het Verbond en andere punten van het belijden, verschillen in gewoonten en levensstijl (soms door de jaren gegroeid), bepaalde verschillen in geloofsbeleving (jarenlang door de prediking gevoed en gevormd). En toch, als het goed is herkennen en erkennen we elkaar, dwars door de verschillen heen, in het buigen voor hetzelfde Woord, en in het leven vanuit éénzelfde geloof.
Ik maakte pas een bijeenkomst mee van een vriendenkring, waar een dominee uit Engeland een hele avond sprak over het wezenlijke van het Christen zijn. De man was op latere leeftijd tot geloof gekomen en toen nog theologie gaan studeren en predikant geworden. Dan is het wonderlijk hoe je op zo'n avond de eenheid beleeft met iemand, die je niet eerder ontmoette, die ook in een heel andere kerkelijke situatie verkeert, met wie je ook misschien wel bepaalde verschillen hebt als je verder zou doorspreken, maar die op zo'n moment eenvoudig niet tellen. Het zou een grote winst zijn wanneer we elkaar in onze tijd onbevangen tegemoet zouden kunnen treden, bezield met hetzelfde élan om samen dienstbaar te zijn in Gods Koninkrijk. Wat dit betreft zijn er veel symptomen die op een keer ten goede wijzen. We zullen moeten bedenken dat het Koninkrijk Gods niet samen valt met onze groep of met onze kerk, het breekt dwars door groepen en grenzen, die evenzovele tekenen van onze schuldige verdeeldheid zijn, heen. Daarom moeten we als Gereformeerde Gezindte maar beginnen om de schuld van onze verdeeldheid ernstig te nemen en samen naar buiten en naar binnen te tonen dat we ons aan elkaar in het éne Woord verbonden voelen en zó ook van elkaar kunnen en willen leren. De tijd dringt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's