De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

14 minuten leestijd

Een open poort en een open deur

Op 1 april was het vier eeuwen geleden dat de watergeuzen de poorten van Den Briel rammelden en zich toegang verschaften tot de stad, — een actie die onbedoeld en ongedacht leidde tot een ommekeer in de strijd tegen Alva en Spanje.

Onze tijd wordt beslist niet gekenmerkt door grootscheepse herdenkingen van historische feiten. Men kan dat zien als een angst om zich te buiten te gaan aan oncritische verheerlijking van het verleden. Maar te vrezen valt ook, dat deze verwaarlozing van historische gebeurtenissen berust op gebrek aan kennis van onze geschiedenis, en wat nog erger is, gebrek aan interesse.

Dat is bijzonder te bereuren. Want de gebeurtenissen van de zestiende eeuw zijn voor ons volksleven bijzonder belangrijk geweest. De vaderlandse geschiedenis van die tijd valt immers niet los te denken van de grote gebeurtenissen op kerkelijk gebied, de doorbraak van de Reformatie in ons land.

Prof. dr. W. van 't Spijker, die in het nummer van 7 april van 'Be Wekker' aandacht schenkt aan de gebeurtenissen van 1 april 1572 en vooral de kerkhistorische aspecten naar voren brengt, wijst er op, dat in de artikelen van het convent van Wezel (1568) gezegd wordt dat men zich bezig houdt met de toestand van de kerk, om klaar te zijn 'wanneer God de Here in Nederland zal geopend hebben de deur tot de verkondiging van zijn Woord’.

De deur was gesloten. Maar in het geloof vertrouwde men erop dat de Here de deur voor zijn Woord zou openen. Prof. Van 't Spijker memoreert in dit verband de gebeurtenissen van 1 april 1572. De open poort die toegang gaf tot Den Briel betekende onbedoeld ook een deur tot de verkondiging van het Evangelie.

Weinigen slechts hebben in die dagen het belang van wat er geschiedde gezien. Negatief waren de eerste reacties. De prins van Oranje schreef, dat hij wel gewild had, dat men dergelijke dingen niet zonder voorkennis zou hebben gedaan. Voor hem was het een roekeloze onderneming, waar niemand op gerekend had, en waar zo op het eerste gezicht ook geen heil van te verwachten zou zijn. Zijn eigen plannen werden er door bemoeilijkt. Zijn broer Lodewijk van Nassau riep uit: de dwazen! Zij hebben niet naar mij willen luisteren en zich al te veel willen haasten. Ook voor hem was de inneming van Den Briel een hachelijke zaak. Alva doorzag evenmin de draagwijdte van wat er op dat moment geschiedde. No es nada — het heeft niets te betekenen, zo was zijn reactie op de bevrijding van Den Briel. En het volk? Was het murw geslagen? Waar was het vertrouwen? En waarom moest het enkele maanden duren, voordat op een radicale manier de vlam oversloeg naar Holland, en verder over de gewesten? Maandenlang heeft Lumey bijna werkeloos doorgebracht in Den Briel voordat enige stad zich voor hem verklaarde. Wie doorzag op het moment zelf de draagwijdte der gebeurtenissen? Een onberaden inval van een aantal zeeschuimers — zo zag menigeen de gebeurtenissen. Maar achteraf zeggen wij: toen heeft God de deur geopend naar de verkondiging van zijn Woord. En inderdaad. Het is opmerkelijk om te zien, hoe, wanneer eenmaal het vuur om zich heen heeft gegrepen, het zich snel en krachtig verbreidt. In hetzelfde jaar wordt, onbegrijpelijk voor de waarnemer, reeds in Noord-Holland de eerste kerkelijke vergadering gehouden. Daar spreekt de kerk over zuiver kerkelijke zaken als de reformatie der papen, de kinderdoop, huwelijkszaken en dergelijke meer. Terwijl het vuur van de strijd rondom de kerk nog hoog oplaait komen daar zaken aan de orde, waarover wij misschien niet zouden hebben kimnen spreken. Een teken hoezeer de kerk zichzelf heeft gevonden op de bevrijde bodem. Een teken ook hoezeer achter de kracht van het volk een overtuiging schuilde, die al te lang had moeten verborgen blijven.

Het waren vooral de Gereformeerden die in de jaren die voorafgingen elkander hadden gezocht en vastgehouden, elkander hadden gesterkt en bemoedigd. Zij hebben de gelegenheid het eerst aangegrepen om door de geopende deur binnen te gaan met het Woord van God en dit vrij te verkondigen. Zij hebben intuïtief en, eerder dan Oranje nog, aangevoeld welke mogelijkheden hier voor de kerk werden geboden. En zij hebben die mogelijkheden uitgebuit. Van een zijde vanwaar men ze allerminst verwachtte daagde de verlossing. Met recht heeft Fruin gezegd: 'De geschiedenis van Nêerlands verlossing in 1572 verdient een plaats onder de wonderverhalen' (Verspr. Geschr. II, 279).

Wie verbaast het nu, dat de herdenking van 1 april 1572 een graadmeter is van de instelling tegenover de geschiedenis. In Trouw van 8 januari jl. stond te lezen, dat een groepje van 20 studenten aan de Vrije Universiteit bijzonder weinig wist van wat er vier eeuwen geleden geschiedde: slechts één wist te melden, dat er iets met Den Briel aan de hand was. Hoe ver is dat verwijderd van wat honderd jaren geleden Kuyper bewoog juist op 1 april te komen met het eerste nummer van de Standaard. Temidden van de kleurloosheid van zijn dagen riep hij terug tot het dienen van God naar zijn Woord. Een nationale herdenking in die zin is vandaag onvoorstelbaar gezien de onverschilligheid ten opzichte van ons eigen verleden, die schier massaal is. Wij willen niet zonder meer aan de dag van 1 april 1972 voorbijgaan. Wij zouden tonen onze bril verloren te hebben, en een juiste kijk op de geschiedenis te missen. En wie terugziet mag zich te binnen brengen, dat God op het alleronverwachtst deuren opent, en dat een kleine minderheid groot genoeg is, wanneer zij in geloof staat, om aan ovennachtige problemen het hoofd te bieden. Hij zal, midden in de worsteling van onze tijd luisteren naar een woord door de prins van Oranje geschreven aan zijn watergeuzen: Omdat het gaat om de eer van God en om de rust van de arme gelovigen in Nederland, daarom zal een ieder terzijde zetten alle ambitie (eerzucht) en eigenbaat. Wie weet of er zo ook vandaag geen deuren opengaan voor de verkondiging van het Evangelie.

Gaarne geven we dit sympathiek geschreven artikel ter lezing en overweging aan u door.

Ds. Hegger over een synodebesluit

Zoals u hebt kunnen lezen in de pers heeft de synode van de Geref. kerken het bezwaarschrift dat ds. H. J. Hegger had ingediend tegen uitspraken van drs. Tj. Baarda en dr. H. Wiersinga afgewezen.

De synode gaat dus niet mee met de mening van ds. Hegger dat drs. Baarda zich met zijn uitspraken buiten het belijden van de kerk zou hebben begeven. De achtergronden van de kwestie dienen echter in het gesprek aan de orde te komen. Immers het gaat hier om de relatie van de Geref. kerken tot de VU. Daarom moet het gesprek voortgezet worden.

In ’In de rechte straat' van maart 1972 lazen we van de hand van ds. Hegger het volgende commentaar:

Betekent dat nu dat voortaan in de gereformeerde kerken mag geleerd worden: 'De Bijbelschrijvers hebben de woorden van Christus afgezwakt of aangedikt of omgebogen in de richting van een wonder, terwijl er in feite geen wonder heeft plaats gehad; de Bijbelschrijvers hebben aan het Woord Gods, met name aan de woorden van onze Here Jezus, toegevoegd of er iets van afgedaan; de Bijbelschrijvers hebben gewerkt met vroom bedrog om profetieën te doen kloppen, kortom om ons tot de aanvaarding van het gezag van de Bijbel te brengen door gebruik te maken van onwaarheden’?

Als je de tekst van mijn bezwaarschrift en de tekst van uitspraak a. van de synode leest, zou je moeten zeggen: ja. En toch kan ik mij moeilijk voorstellen dat de synode dat werkelijk heeft bedoeld. Daarom blijf ik mijn hoop vestigen op uitspraak b., het hernieuwde gesprek van de synode over deze zaken.

En wanneer de 'zaken' die ik in mijn bezwaarschrift aan de orde heb gesteld, straks opnieuw ter synode besproken worden, zonder dat mijn naam daarin genoemd wordt, dan zal dat een belangrijk psychologisch voordeel opleveren, zodat alles in een rustige sfeer kan behandeld worden, zonder uitvallen aan het adres van degene die het bezwaarschrift indiende, zonder het beeld van een gevecht van twee kemphanen, die elkaar persoonlijk zouden willen bestrijden.

Maar van de andere kant, omdat deze zaken zo belangrijk zijn, is het nodig dat wij ons erover bezinnen in ons blad. De vraag van het Schriftgezag gaat alle kerken aan en vooral ook alle oprechte christenen. Die vraag kan niet beslist worden door een synodevergadering van 72 mensen. Het juiste zicht daarover ontvangen we slechts in de gemeenschap der heiligen, in het luisteren van wat de Geest tot de gemeenten zegt.

Verlengstuk van de universiteit?

Wel moet ik mijn bevreemding uitspreken over uitspraak b. Hoort zulk een gesprek over eventuele achtergronden wel thuis op een synode? De synode is een samenkomst van de plaatselijke gemeenten, zij het dan, helaas! via een viertrapsverkiezing. De gemeenten hebben zich bezig te houden met het belijden, maar niet met wetenschappelijke achtergronden. Dat is een taak van de theologische fakulteiten en hogescholen.

Wanneer de synode zou uitspreken, dat drs. Baarda C.S. zich in de door mij aangehaalde punten wél buiten de grenzen van het belijden der kerk heeft begeven, dan zouden onze theologieprofessoren daaruit moeten besluiten dat de wetenschappelijke benaderingsmethode van de Bijbel die door Baarda C.S. werd gevolgd, niet gehandhaafd kan worden, wanneer die noodzakelijkerwijze zou voeren tot de door mij bestreden punten. Maar de synode zelf moet zich niet bezighouden met de 'Formgeschichtliche' en andere methoden. De synode mag geen verlengstuk van de universiteit worden.

Het zou dan ook zeer te betreuren zijn, wanneer de vraag over het belijden in de door mij aangehaalde punten ter synode zou verdwijnen achter een rookgordijn van zwaar-wetenschappelijke discussies over allerlei exegetische methoden. Als mondige gemeenteleden hebben wij het recht om precies te weten, waar we aan toe zijn. Alleen dan kunnen we eventueel onze beslissingen nemen.

Wij menen dat ds. Hegger er terecht op wijst dat de methodenkwestie en het gesprek daarover niet mag worden tot een rookgordijn, waarachter de kwestie van de betrouwbaarheid van de Evangeliën schuil gaat. Typerend is ook dat — terwijl een invloedrijk man als prof. dr. H. N. Ridderbos na het verschijnen van Baarda's boekje ernstige bedenkingen uitte, omdat hij meende dat er in Baarda's visie van de betrouwbaarheid van de Evangeliën weinig overbleef — enkele jaren later de synode deze kritiek niet overneemt, maar de bezwaren tegen Baarda niet steekhoudend acht.

Pasen: Belofte of vervulling

In de moderne theologie wordt sterke nadruk gelegd op de toekomst. Ook de visie op de opstanding van Christus wordt in dat licht geplaatst. De opstanding wordt dan enkel gezien als belofte, als vooruitgrijpen op de grote toekomst. Ongetwijfeld ligt er een relatie tussen de Paasoverwinning van Christus op de dood en de grote toekomst des Heren. Maar de vraag is: Hoe legt men dit verband?

In de huidige theologie dreigt het gevaar dat de feitelijkheid van Pasen opgeofferd wordt aan het belofte aspect. Pasen is dan niet meer de daad van God die Zijn Zoon heeft opgewekt uit de doden, maar een beloftevolle verwijzing voor het geloof van de gemeente die voor Gods overwinning aan het werk moet gaan.

Geen wonder dat dan ook in allerlei beschouwingen nauw verband gelegd wordt tussen opstanding en opstand. Pasen, zo verstaan, opent dan de poort naar een maatschappij-critisch en revolutionair activisme.

Ds. J. H. Velema die in het Paasnummer van 'De Wekker' (31 maart) over deze opvattingen schrijft, merkt terecht op:

Met grote nadruk moeten we op grond van Gods Woord vasthouden aan de Opstanding als het centrale feit in de geschiedenis, dat de vervulling is — in principe — van Gods beloften. De Overwinning is behaald, Jezus is Overwinnaar.

Dat is gebeurd. Dat vervult de prediking. Dat is de grond en de inhoud van het geloof. Dat is de boodschap, die Paulus' prediking in de brieven doortrekt op een niet mis te verstane wijze.

Wat in Arimathea's hof heeft plaats gevonden betekende de grote Overwinning op dood en hel, op zonde en duivel, op alle machten, die zich tegen God verheffen. Het is zeker waar dat de vragen daarom niet van de lucht zijn en we het met de vragen bijzonder moeilijk kunnen hebben. Maar die vragen doen van het feit en de boodschap van het feit niets af: de Here is waarlijk opgestaan. Hij leeft. Alleen vanuit deze overwinning kan, mag en moet worden geleefd het leven op deze aarde in deze tijd.

Wij behoeven voor de Overwinning niet te vechten. Wie zijn wij? Ach arme — wat komt er van terecht?

En als men meent dat dit de Overwinning is dat de gerechtigheid in onze samenleving zichtbare gestalte krijgt; dat alle kloven zijn gedempt; dat het Godsrijk in feite het grote wereldrijk is, dan heeft men de eigenlijke Overwinning toch niet gepeild. Omdat men de eigenlijke nood niet peilt.

Voor hen, die de Opstanding zien als belofte, zit de eigenlijke fout in de structiuren van deze wereld. Men zet zich dan ook scherp af tegen wat men de piëtistische toekomstgerichtheid noemt. Dat is een privégeloof. Dat is verinnerlijking. Zo spoedig mogelijk moeten we daar van af. Maar het gaat om een allesomvattende toekomst. 'En daardoor is de hoop, die op deze toekomst gericht is, een kracht die in staaat is geloof en aardse noden bij elkaar te brengen en het geloof te laten doordringen in het reële leven' (Moltmann, Geloof in de toekomst).

Omdat Pasen het centrale feit is, de vervulling van Gods beloften, daarom gaat nu de belofte — laat ik het een beetje vreemd mogen zeggen — pas goed op volle toeren draaien.

Nu Pasen een feit is geworden, ligt in Christus' opstanding de waarborg van de vervulling van al Gods beloften.

De dood is op paasmorgen overwonnen daarom zullen eenmaal alle graven opengaan en alle tranen van de ogen gewist worden.

Het oude is door Christus' opstanding voorbijgegaan; het is alles nieuw geworden. Dat is de vervulling en tegelijk de belofte: Zie, Ik maak alle dingen nieuw.

Het wordt steeds duidelijker dat het gaat om de kardinale vraag: is de belofte er om geloofd of om gedaan te worden?

Betekent de belofte dat wij daar op hebben te vertrouwen en de grote verlossing mogen verwachten? Of betekent de belofte dat het allemaal nog komen moet door ons handelen, zodat wij zelf een belangrijk aandeel hebben in de toekomst en de kerk veel minder behoeft te geloven dan te doen? Het is hier niet de plaats om dit alles uit te werken.

Maar feit is dat het er meer dan ooit om gaat de belofte op grond van Christus' opstanding te prediken. Petrus zegt dat de gelovigen zijn wedergeboren tot een levende hoop. Nu Christus is opgestaan is Gods beloven geen ijdele zaak, maar dit beloven vraagt om geloven — en dat geloven is het werk van de opgestane Christus Zelf in de Zijnen. Dat geloof blijft niet zonder werken. Maar die werken doen het Koninkrijk Gods niet komen; het zijn soms nog maar vage omtrekken van het komende Rijk.

De beslissende overwinning is behaald — dat is Pasen. We mogen daarom zeker zijn van de grote doorbraak van het rijk Gods.

Pasen is geen belofte als richtingwijzer slechts naar de toekomst, de vervulling. Maar Pasen is de vervulling in beginsel en daarom belofte van het grote, dat komt.

Op en na Pasen is er daarom veel te geloven en te hopen en daarom ook veel gelovig en hopend te doen.

Vervolg van pag 176.

Het is goed dat ds. Velema op deze aspecten gewezen heeft. Natuurlijk is er dankzij Pasen de waarborg voor de vervulling van Gods beloften. De vervulling in Christus' opstanding betekent uitzicht voor de toekomst. Denk aan 1 Corinthe 15 : 2 vv en ook aan de prachtige slotzin van zondag 17 van de Heidelberger: Christus opstanding als pand voor onze zalige opstanding.

Maar niet wij realiseren de belofte. Belofte correspondeert met geloof. En dat geloof blijft niet zonder werken. Anders gezegd: De verhoogde Christus werkt door Zijn Woord en Geest naar de voleinding toe.

Het grote manco in de moderne theologie over Pasen en de hoop is m.i. de verwaarlozing van het werk van de Heilige Geest, als gave van de verhoogde Christus. Wij moesten maar weer eens met nieuwe aandacht luisteren naar Romeinen 8, waar zowel de betekenis van Pasen als het leven in de hoop en het werk van de Geest klaar en helder ontvouwd worden. Maar 'de theologie van de hoop' zoals die in Rom. 8 naar voren komt, ademt een andere geest dan de producten van vele hedendaagse theologen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's