Vragen rond het schoolgaan III
In gesprek met het gezin
Godsdienstonderwijs
Het godsdienstonderwijs heeft op de scholen niet meer de centrale plaats die het vroeger innam. Langzamerhand hebben de 'profane' vakken dit onderwijs naar de periferie gedrukt.
De Heidelbergse catechismus was oorspronkelijk bedoeld als leerboek om onder meer op de scholen te onderwijzen. Enkele decennia geleden waren er nog wel lagere scholen die er prat op gingen dat daar de catechismus werd geleerd, van begin tot eind.
Kom er nu eens mee aan! Vanuit het onderwijs zelf klinkt het onmiddellijk: geen haalbare kaart.
Ook de onderwijsmethoden zijn wel zodanig gericht, dat een louter uit-het-hoofd-leren niet als de ideale onderwijsvorm wordt gezien. Het zien van verbanden, het inzicht verwerven in de stof die geleerd wordt, is terecht een meer aanvaardbaar onderwijsdoel geworden.
Illustratief is het echter wèl voor de plaats van het godsdienstonderwijs op de scholen.
In één van de vorige artikelen heb ik reeds gewezen op de moeilijke positie van het godsdienstonderwijs op onze middelbare scholen. Door de recente maatregelen waarbij het aantal wekelijks te geven lessen van 32 naar 30 uur is teruggebracht, is deze positie nog verder verzwakt. Op de meeste scholen is in de hogere leerjaren 1 uur per week het maximum. Als deze trend zich voortzet ziet het er naar uit, dat het godsdienstonderwijs gaat verdwijnen.
’Zo erg is dit niet', zullen verschillende lezers opmerken, 'wat men in die lessen klaarmaakt, kan beter vervallen'. Dan zijn we meteen bij de inhoudelijke kant van dit onderwijs: 'wat gebeurt er in deze lessen, welke kennis wordt overgedragen? ’
Nu moet meteen gesteld worden dat de taak van leraar godsdienst allerminst eenvoudig is. Het gaat hier om een vak dat geen examenvak is, dat dus voor de schoolcarrière van de jongeren geen gewicht in de schaal legt. Werken met leerlingen die vaak gering gemotiveerd zijn, nogal eens uitwijkmogelijkheden zoeken, ordeproblemen veroorzaken etc.
Ook moet vermeld worden het schaarser worden van goede methoden. De leerboeken die bijbelgetrouw zijn, worden langzamerhand uit de markt genomen en ruimen het veld voor waarschijnlijk didaktisch meer verantwoord materiaal, maar inhoudelijk niet acceptabele werken. De moderne theologie maakt zich ook meester van de leerboeken voor het godsdienstonderwijs. Dan noem ik de zucht tot discussiëren, die het klimaat van veel godsdienstlessen bepaalt. Nu kan de dis cussie-methode, mits goed gehanteerd, in een les goed bruikbaar zijn.
Maar — het moet geen uitwijkmogelijkheid zijn, het moet geen oeverloze discussie zijn; de discussie zélf moet een doel hebben.
Men krijgt de indruk, dat veel godsdienstlessen verdampen in een eindeloze discussie over alle mogelijke onderwerpen, behalve over bijbelse begrippen. Wanneer dan de discussie niet méér is dan een inventarisatie van wat onder jongeren leeft, zonder leiding dan manifesteert zich hierin de onmacht van het niet-meer-weten. En toch snakt menig middelbare scholier naar een brok geestelijke leiding!
Hoe irritant kan het voor jongeren zijn, wanneer een godsdienstleraar alléén maar meningen van jongeren verzamelt, zonder zélf uit te spreken hoe hij over bepaalde zaken denkt. De onzekerheid in geloofszaken drukt hierbij zijn stempel op het godsdienstonderwijs en wordt op deze wijze overgedragen aan een volgende generatie, terwijl talloze geboden kansen onbenut blijven. Nu doel ik nog niet op een andere categorie leraren godsdienstonderwijs, die het als hun belangrijkste taak zien een ideologie over te dragen die haaks staat op de christelijke leer.
Ook dit komt voor. Nu is niet een onzekerheid kenmerkend voor het lesgebeuren, maar de zekerheid van een levensbeschouwing. Godsdienstonderwijs wordt dan instrument om maatschappijkritiek. Marxisme of een andere ideologie overtuigend door te geven.
Welke vorm het meest schaadt, laat ik in het midden. Het moet ons duidelijk zijn, dat op deze wijze voorbijgegaan wordt aan de eigenlijke betekenis van het godsdienstonderwijs. Dit is niet de bedoeling en waar dit gevondenwordt, dienen ouders bij schoolleiding en betrokken leraren met klem te protesteren. Helaas is het effekt van dit protest meestal nihil. Of men verzandt ook hier in een eindeloze discussie, of men gaat schouderophalend aan zoveel 'achterhaald wanbegrip' voorbij.
Wat is dan het eigenlijke doel van het godsdienstonderwijs; een vraag die ons tenslotte in dit artikel bezighoudt.
In het basisonderwijs staat de bijbelvertelling centraal. De kennisoverdracht vindt plaats via de vertelling, hoewel in de hogere leerjaren ook andere vormen van kennisoverdracht gehanteerd worden.
Bovendien dient het basisonderwijs de nodige parate bijbelkennis aan te brengen. Geen overbodige luxe, ook al is het 'maar' feitelijke kennis (psalmen, bijbelteksten, catechismus).
In het middelbaar onderwijs is de vertelling niet meer de onderwijsmethode bij de bijbelvakken. Het moet hier echter wel blijven gaan over kennisoverdracht vanuit de Bijbel. Het leren kennen van de Bijbel, met alle ten dienste staande middelen is ook hier de opdracht. Alle materiaal, o.m. uit de bijbelse archeologie kan gebruikt worden om tot een beter verstaan van de bijbelse boodschap te komen. Belangrijk doel is het de leerlingen zelf tot bijbellezen en bijbelonderzoek te leiden. Waar mogelijk dient dit onderwijs de belijdenisgeschriften ook toegankelijk te maken.
Zeker in de hogere leerjaren, waarin de kerkgeschiedenis en de confrontatie met andere godsdiensten en geestelijke stromingen een deel van het programma is, kunnen de belijdenisgeschriften hierbij betrokken worden. Het moet immers geen schande zijn om vanuit onze gereformeerde beginselen de confrontatie met andere stromingen te ondernemen. Van de leraar wordt een duidelijke stellingname verwacht.
Het bovenstaande klinkt intellektualistisch, als zou het alléén om kennis gaan. Een getuigend woord, een heenwijzen naar Christus mag ook op school niet ontbreken. Godsdienstonderwijs is echter in de eerste plaats onderwijs, d.w.z. kennisoverdracht. Daarin zal het een volwaardige positie moeten innemen naast de andere vakken; nog liever: het zal een centrale plaats moeten hebben, omdat de kennis van Gods heilsplan de belangrijkste kennis is die doorgegeven kan worden aan een volgende generatie.
Vanuit deze kennisoverdracht kan ook het gesprek plaats vinden, om vanuit de Schrift in te gaan op de belangrijke ethische vragen. Vragen die zeker in de hogere leerjaren aan de orde komen. Waarbij de godsdienstleraar een gids kan zijn, een schoolpastor kan worden.
Wat we nodig hebben op onze scholen zijn goede godsdienstleraren, die dit werk niet als hobby, als bijverdienste maar als leraar doen. Een predikant die godsdienstlessen geeft, zal dit maximaal 6 a 8 uur per week kunnen doen en hij vervult dan binnen de school een marginale positie. Belangrijker is het dat er bijbelgetrouwe leraren zijn, die theologisch geschoold, zich specialiseren in het onderwijs en daarin ook volledig werkzaam zijn.
Goed godsdienstonderwijs vervangt het catechetisch onderwijs niet. Een standpunt dat men nogal eens tegenkomt: 'op scholen horen ze genoeg, waarom dan nog naar de catechisatie’.
De catechisatie is kerkelijke arbeid, verricht met een ander doel dan het onderwijs op de scholen. Welke raakvlakken er ook mogen zijn, de catechisatie bereidt, door middel van het onderricht in de geloofsleer, voor op het doen van belijdenis des geloofs.
Het godsdienstonderwijs is kennisoverdracht, afgestemd op de intellektuele capaciteiten van de jongeren. Deze kennisvorming is ook meer gericht op de specifieke problemen van de middelbare scholieren.
Het is immers een goede zaak, om de talenten die jongeren ontvangen hebben uit te buiten, ook in het onderzoek van de Schrift.
Bovendien richt de catechisatie zich op alle jongeren van de gemeente.
Zeker nu het godsdienstonderwijs op de scholen het geschetste beeld meestal niet bereikt, maar vaak het tegengestelde beoogt, is de catechese van bijzonder grote betekenis. Vaak kan de catechisatie het noodzakelijke tegenwicht bieden, althans de catecheet wordt in deze tijd geroepen om tegenwicht te bieden. Evenals het gezin, de ouders zelf, meer dan ooit deze opdracht hebben te aanvaarden.
Weer komen we, aan het eind van dit artikel over schoolproblemen, bij het gezin terecht. Niet toevallig, want het gezin is immer het eerste en belangrijkste opvoedingsmilieu!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 april 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 april 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's