Nicolaas S. van Leeuwaarden en zijn ’God-vrezende zeeman’ I
Minder bekende oude schrijvers
N.S.V.L.
Op de markt van de 'oude schrijvers' komt men nog al eens boeken tegen die inplaats van de naam van de schrijver alleen maar de letters N.S.V.L. vermelden. Men behoeft echter nog niet eens tot de ingewijden te behoren om te weten dat een zekere Nicolaas Simons van Leeuwaarden de schrijver van deze boeken is.
Er moeten bepaalde redenen zijn geweest waarom deze veel schrijvende en veel gelezen auteur bij voorkeur zijn naam verborgen heeft gehouden. Enkele zijn door ons te noemen, naar andere zullen wij slechts kunnen gissen. Laten wij beginnen met te veronderstellen dat Van Leeuwaarden een bescheiden man is geweest. Hij had er geen behoefte aan zich een grote naam te maken bij het lezend publiek van die dagen. Wat hem in al zijn schrijven voor ogen stond was stichten. Als man die God vreesde kende hij de verzoekingen van de eerzucht, om haar tegen te gaan vond hij het voldoende slechts aanduidender wijze zijn naam bekendheid te geven.
Een tweede reden is stellig geweest het feit dat Van Leeuwaarden geen theoloog van professie was. Een hogeschool had hij nooit bezocht, theologie had hij nooit gestudeerd. Wij ontmoeten in hem een leke-theoloog. Hij woonde in Amsterdam, kerkte daar met grote trouw; hij had ook zijn boeken, waarin hij ijverig las; en en bovenal, hij had de Schrift en die kende hij door en door — daar heeft hij het mee gedaan! Temidden van alle boeken van geleerde, zeergeleerde en hooggeleerde heren verschenen de boeken van deze eenvoudige man, geen wonder dat hij zich wat verlegen bevond, en om die reden dan ook maar zijn naam verborg onder een paar letters die er niet meer dan een aanduiding van waren. Of er verder nog méér redenen tot deze handelwijze zijn geweest durf ik niet uit te maken, men zou er hoogstens naar kunnen gissen.
Eén reden is er echter bepaald niet geweest! Hieronymus Simons van Alphen, indertijd predikant te Amsterdam, begint zijn Voorrede in het boek dat wij gaan bespreken met de 'deugd-lievend leeser' plechtig te verzekeren, dat 'de Schryver van deesen Godvreezenden Zeeman sijnen naam aan 't hoofd deeses werks niet gesteld heeft. . . noch wegens onregtsinnigheid in de Leere, nog wegens aanstootelykheid in den Wandel'. Ik durf hem, schrijft Van Alphen verder, 'onbeschroomd het getuygenis geeven, dat Hy, niet alleen een onbesproken Lidmaat van de hervormde kerke deeser stad is, maar ook een ervaaren Christen; hebbende de sinnen geoefend in het woord der gerechtigheid, tot onderscheyding beyde des goeds ende des kwaads; En die sig benaarstigt om eene goede en onergerlyke conscientie te bewaaren voor God en voor de menschen, en Syne heyligmaaking te voleyndigen in de vreese Gods’.
Dat van Leeuwaarden desniettegenstaande toch heeft volstaan met slechts een onvolledige aanduiding van zijn naam wordt ook door Van Alphen toegeschreven aan zijn bescheidenheid. Hij schrijft in de gemelde Voorrede het volgende: 'Ik hebbe gepoogd Hem te overreeden, om sijnen naam rondelyk openbaar te maaken, maar te vergeefs: Waar van Ik geene andere oorsaake hebbe konnen ontdekken, als de nedrigheid en geringheid des Schrijvers in sijne eygene oogen. Hy is een onbeampt Man, die de taaien der Geleerden nooit geleerd, en geene hooge schoolen ooit betreeden heeft; maar in stilheid, onder Gods seegen, met sijne handen werkende, sijn eygen brood eet'. Mij dunkt, wij kunnen het hier bij laten. Zeker Van Alphen heeft Van Leeuwaarden goed gekend, zijn getuigenis is onverdacht. De schrijver van de 'God-vreezende Zeeman' is er ons des te sympathieker om.
Ongeschoold en toch theoloog
Uit het bovenstaande hebben wij reeds het een en ander vernomen omtrent de man aan wiens boek wij enige aandacht willen schenken. Aangaande Van Leeuwaardens uiterlijke levensomstandigheden is er niet veel aan toe te voegen. Wat betreft zijn leeftijd, zijn geboortejaar is bekend, 1648, zijn sterfjaar niet. Wel weten wij dat hij oud is geworden, wellicht een eindje in de tachtig jaren, in ieder geval 79 a 80 jaar.
Reeds hoorden wij uit de mond van Van Alphen dat hij een ambteloos burger in Amsterdam was, dus noch in de kerk noch in de staat een of ander ambt bekleedde. Ook hoorden wij al dat hij leefde van handenarbeid, dus een handarbeider was. Op de een of andere wijze moet Van Leeuwaardens beroep iets te maken hebben gehad met de zeevaart. Wat verderop in zijn Voorrede vermeldt Van Alphen namelijk dat de schrijver in zijn beroep 'door de hand der Seelieden' veel zegen is ’toegekoomen’.
Dat Van Leeuwaarden geen geleerde was vernamen wij ook reeds; hogescholen bezocht hij nooit. Intussen wil dat niet zeggen dat hij niet veel gelezen had. Behalve Gods Woord, zegt Van Alphen las hij 'goede en stichtelyke boeken ... soo in de Engelsche als Nederduytsche taaie opgesteld'. Daarbenevens, voegt hij er aan toe, heeft Van Leeuwaarden veel opgestoken 'door 't naerstig en aandachtig aanhooren van de openbaare predikinge des Woords, die Hy geensins gewoon is (gelyk dikwijls van veele Waanwysen geschiedt) te verachten, noch ook te versuymen'. Wij begrijpen dan ook wel de wens van Van Alphen: 't Ware te wenschen, dat seer veele Ledemaaten der Gemeynte, die onder ons is, die kinderen sijn en blijven in 't verstand, door 't voorbeeld van soodanigen, als onse Schryver, mogten opgewekt worden, om sig te benaerstigen, dat ook in Hun het Woord van Christus rykelyk mogte woonen, in alle Wysheid’.
Van Leeuwaardens lectuur
De bijbel heeft bij Van Leeuwaarden bovenaan gestaan, wie ook maar ooit iets van hem las zal dat volmondig beamen. Ongelooflijk is zijn belezenheid in de Schrift geweest. De verbanden van allerlei Schriftwoorden, dat moet er eerlijk aan worden toegevoegd, heeft hij niet altijd gezien, maar dat doet niets af van onze bewondering voor de grote kennis die hij zich, in zijn vrije uren, van Gods Woord heeft weten te vergaderen.
Behalve de Schrift kende hij echter ook onze belijdenisgeschriften. In zijn werken kwam ik ontelbare malen citaten tegen uit de Heidelbergse Catechismus en ook uit de formulieren van de kerk, vooral het doopformulier en het avondmaalformulier.
Wie verder uit de werken van Van Leeuwaarden opzamelt al de boeken die hij gelezen of in ieder geval geraadpleegd heeft komt tot een niet onaanzienlijk aantal. Ik vond vermeld de commentaren op diverse bijbelboeken van Calvijn, Junius, Lydius, Tremellius, Durham, G. van Leeuwen, Alleine, Joh. Smith, Johannes d' Outrein en vooral van Salomon van Til en van de Engelse congregationalist H. Ainsworth. Op de Catechismus raadpleegde hij de werken van Ridderus. Ook tal van historische werken heeft hij gekend en gelezen, als het grote werk van Brandt over de Reformatie, het boek van Van Meeteren over de Nederlandse historie; de werken van Baudartius, Schotanus, Abraham van der Velde en niet te vergeten het Martelarenboek. Eenmaal worden de Belijdenissen van Augustinus aangehaald en eenmaal ook een werk van Flavius Jozefus. Vooral in zijn boek over de Godvrezende Zeeman komt men allerlei verhaaltjes tegen, soms uit zeereisjournalen, die hij dus ook las. Dogmatisch schijnt hij zich weleens door Witsius te hebben laten voorlichten, naar wiens boeken hij af en toe verwijst. De stichtelijke werken die in zijn boeken vermeld worden zijn die van Campegius Vitringa (Geestelijk leven), Johannes d' Outrein (Tweede Eben Haezer), Hero Sibersma (Heerlijkheid Gods), Dionysius Sprankhuyzen (Geestelycke Triumphe), Godefridus Udemans (Geestelijk Roer), Charles Drélincourt (Vriendelijk bezoek) en Jodocus van Lodensteyn (Uitspanningen). Gezien zijn grote belangstelling voor zang- en dichtkunst raadpleegde hij hierover een boek van Salomon van Til. Er blijven over nog enkele andere boeken die ik niet ken of niet kan thuisbrengen.
Niemand zal na deze opsomming kunnen zeggen dat dit gemeentelid zijn gaven, hem door God geschonken, niet gebruikt heeft. Tot op hoge leeftijd is hij bezig gebleven zowel met studeren als met schrijven. Hij was al in de vijftig toen hij begon met wat uit te geven, toen was het dan ook wel gerijpt. Eens is hij door ernstige ziekte de dood nabij geweest maar hij herstelde, nam opnieuw de pen ter hand om op zijn wijze de gemeente te bouwen, niet alleen de gemeente in de stad waar hij woonde maar ook de gemeente allerwege in den lande en niet voor het minst de mannen met wier wel en wee hij zich zo nauw verbonden gevoelde, de mannen die uitgevaren waren en zich bevonden op de woelige wereldzeeën. Voor hen in het bijzonder schreef hij zijn Godvreezende Zeeman, het boek dat naar mijn gevoelen het beste is wat van zijn hand ooit verscheen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's