Religie en politiek
Bijgaand artikel schreef dr. W. Aalders n.a.v. het geschrift van ds. A. A. Spijkerboer: Wat geloven wij werkelijk? Notities bij het Nederlandse Christendom, uitgave Ten Have, 1971. Dr. Aalders geeft in dit artikel zijn visie op de verhouding tussen religie en politiek, zoals die in de Reformatie naar voren kwam. Een onderwerp waarover in de loop van de tijd zeer verschillend is gedacht en dat in onze tijd weer zeer actueel is.De Redactie
Al vóór de doorbraak van de Reformatie was het corpus christianum in ontbinding. Frankrijk had zich tegenover paus Bonifatius VIII verzelfstandigd en losgemaakt uit het sacrale universum (het heilige Rijk). Veranderingen in de economische structuur hadden tot gevolg, dat de steden door handel en industrie rijk en machtig werden en hun rechten tegenover de bisschoppen steeds vergrootten. Jacob Burckhardt schrijft daarover in zijn boek: Die Kultur der Renaissance in Italien. Dit desintegratie-proces verbreidde zich vanuit Frankrijk en Italië over heel West-Europa. De stedelijke overheid [ en de landsvorsten functioneerden niet meer in het sacrale geheel, maar streefden hun eigen belangen na.
Da sah man zich entzweien
die Ffaffen und die Laien
Die Noth war über alle Noth;
da lagen Leib und Seele todt...
(Walther von der Vogelweide)
(Daar zag men tweedracht krijgen
de priesters en de leken
De nood was boven alle nood
Daar lagen lichaam en ziel dood)
Het is wel zeker, dat de diepste wortel van dit conflict tussen politiek en religie, tussen wereld en kerk, de vollere beleving van het aardse, tijdelijke bestaan als een waarde in zichzelf is geweest. De vorsten en de adel, de volken en de burgerij eisten met hun vrijheid en zelfstandigheid het eigen goed recht van het natuurlijke leven op. Men ontdekte wat de vreugde was, om een aards vaderland te bewonen, een nationale staat te zijn, een onafhankelijke burger te wezen, en een natuurlijk leven te hebben. Hier ligt de oorsprong van het saecularisatie-proces, dat sinds de 15e en 16e eeuw steeds verder om zich heen heeft gegrepen en thans wereldwijd karakter heeft.
De Florentijn Dante is in zijn geschrift De Monarchia de grote pleitvoerder van de scheiding van wereld en kerk, van politiek en religie geweest. Hij stelde nadrukkelijk vast, dat de kerk en de staat ieder een eigen roeping en eigen verantwoordelijkheid hebben. 'De paus moet de mensheid overeenkomstig de leer der openbaring naar de eeuwige zaligheid leiden; de wereldlijke overheid, de keizer, heeft er echter voor te zorgen, dat er op het gebied van het sterfelijke leven vrijheid en vrede zij'. Hij drukte daarmee uit, wat in de meeste harten leefde. De europese mens van de nieuwe tijd weigerde, om de politiek een functie van de religie, of ook de religie een functie van de politiek te laten zijn. De verstrengeling van beiden betekent kortsluiting tussen geloof en natuur. Er zijn grenzen, die in acht genomen moeten worden!
Aan dat moderne, europese bewustzijn is nu de Reformatie consequent trouw gebleven. Zij herkende er de grondwet van het Evangelie in, om de keizer te geven, wat des keizers is; en Gode wat Gods is (Marcus 12 : 17). Daarom kwam zij op voor de eigensoortige, religieuze, geestelijke bestaanswijze van de kerk als het , Rijk van Christus. Maar daarom erkende zij ook ten volle en van harte het goed recht van de vrijheid en zelfstandigheid van het wereldlijke en politieke leven, dat voor haar waarachtig geen Rijk van de duivel was, doch schepping Gods. Zij verzette zich dus tegen de integratie van geloof en politiek, van religie en cultuur.
Wanneer men nu een antwoord zoekt op de moeilijke vraag naar de onderlinge verhouding van kerk en wereld, van religie en politiek in de reformatorische theologie, dan is het opvallend en karakteristiek, dat dat antwoord nergens vast en eensluidend is. Nooit is die verhouding systematisch beklonken. Men is niet tot een definitieve oplossing der problemen gekomen. Wat men erover zegt, staat in het teken van aarzeling en voorlopigheid.
Ik zie dat niet als een tekort in de reformatorische theologie, maar veel meer als een voordeel! Het ontbreken van een vast en gesloten stelsel gaf immers in de verdere ontwikkelingen van de geschiedenis ruimte voor de eigen vrijheid en zelfstandigheid, zowel van de kerk en de religie, als van de wereld en de politiek. Terwille van de verdere ontplooiing van het geloof der gemeente, evenals van het leven der volken, zag de reformatorische theologie bewust af van het ontwerp van een vaste kerkinrichting en van een vaste staatsstructuur. Daarom voelde zij ook niets voor een revolutionaire afbraak van de oude structuren van kerk en staat; en nog veel minder voor een reactionaire restauratie van het verleden. Men kan dus de instelling van de reformatoren ten opzichte van de verhouding van religie en politiek, van kerk en staat, het beste omschrijven als een voorzichtig, improviserend handelen, in een telkens nieuw zoeken naar het wankele evenwicht tussen beiden.
Die wijze instelling kwam voort uit het sterke besef van de grote gevaren, die hier liggen. En dan waarlijk niet alleen de gevaren, die de kerk en het geloof bedreigen; maar evenzeer de gevaren voor de vrijheid en vrede van de volken en de individuen. Daarom moesten de reformatoren niets hebben van de radicale en fanatieke experimenten van de dopersen en spiritualisten. Tegenover zulke dweperijen kwamen zij op voor het eigen goed recht van het natuurlijke, aardse leven en dus voor de zelfstandigheid van de politiek. Maar daarom zijn de reformatoren ook voortdurend op hun hoede geweest voor elke vorrn van staatsabsolutisme en totalitaire politiek. Tyrannic en despotisme haatten zij als de pest. Zo is door Calvijn de grondslag gelegd van een staat met constitutionele vrijheden voor het volk! 'Het is inderdaad de bijzondere trek in het politieke belijden van deze politiek zo geweldig begaafde Reformator, dat hij de almacht van de staat voorzag en deze met alle hem ten dienste staande middelen als een zijns inziens dodelijk gevaar bestreed' (Carl J. Burckhardt). En moeten wij niet vaststellen, dat de door Calvijn gestempelde landen en volken er politiek en cultureel wel bij gevaren zijn?
Om het wankele evenwicht tussen religie en politiek, kerk en wereld, geloof en natuur ging het dus in de Reformatie. Tegen die achtergrond is het duidelijk, dat de huidige spanningen tussen religie en politiek de reformatorische theologie niet onberoerd laten. Maar ook is het duidelijk, dat het authentieke protestantisme zich vanuit zijn diepste wortels verzetten zal tegen elke stroming, of die nu komt van rechts of van links, die opnieuw de politiek tot een functie van het geloof, of het geloof tot een functie van de politiek wil maken. Terwille van kerk en wereld beide weigert het de integratie van religie en cultuur, omdat het er van overtuigd is, dat kerk en staat ieder een eigen roeping, een eigen taak, een eigen verantwoordelijkheid hebben.
Wat het reformatorische geloof in de huidige crisis-situatie echter opnieuw met al zijn krachten zoekt en nastreeft, is dat wankele evenwicht, waarbij religie en politiek elkaar in balans houden, omdat er zó alleen toekomst is voor kerk en wereld. En evenals in het verleden, zal daarbij geen theologisch stelsel ons kunnen helpen, maar slechts die intuïtieve wijsheid en dat improviserend vermogen, die ook voorheen het kompas der reformatorische christenen zijn geweest. Of die echter nog aanwezig zijn, is niet zeker; omdat zij nooit menselijk bezit, maar gaven des Geestes zijn.
Den Haag
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's