De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

12 minuten leestijd

Kuitert en de Kerk

Het themanummer van dit jaar van 'Wending' is gewijd aan de vraag naar de toekomst van de kerk. Een van de schrijvers in dit nummer is de amsterdamse hoogleraar, prof. dr. H. M. Kuitert. De titel van Kuitert's opstel luidt: 'De kerk moet blijven, maar hoelang nog? ' Zonder kerk wil Kuitert niet, maar met de bestaande kerk kan hij niet. In Waarheid en Eenheid van 5 april vinden we een bespreking van dit artikel van Kuitert, van de hand van dr. E. Masselink. Deze wijst er o.a, op hoe Kuitert zeer ongenuanceerd kerk en politiek verbindt en een vertekend beeld in de geest van Ernst Bloch geeft van Luther. Kuitert spreekt op een negatieve radicale manier over de kerk, aldus Masselink. Na gewezen te hebben op Kuitert's uitlatingen over de christenen en Vietnam, schrijft Masselink:

Dat het in het bovenstaande over de kerk gaat, blijkt uit een uitlating even verder: 'Komt de politiek op de preekstoel (maar dit is dan ook de reden waarom dat niet mag) dan spat de gemeente uit elkaar en blijkt de eenheid een schijneenheid te zijn'. Een brok leugen en geweldpleging, want primo: wie het Koninkrijk Gods predikt moet die heilsboodschap niet in partijpolitieke windselen laten afzakken; en secundo: Kuitert e.a. willen de predikers en de hoorders dwingen vóór de revolutie te kiezen... zonder waargemaakt te hebben dat de liefde van Christus hen dringt en dat zij het offer van hun leven gebracht hebben of bereid zijn te brengen. Al deze droogzwemmers zijn geraden te zien naar Solzsjenitsin in Moskou; want deze man zegt tot zijn (Russische) kerk niet dat zij tot revolutie moet overgaan, doch het Evangelie moet brengen; en deze Solzsjenitsin heeft het grootste offer aanvaard en hij wil geen politiek maar Christus op de kansel.

Ik geef nu, kortheidshalve, nog enkele uitspraken van prof. Kuitert:

’Een laatste afscheid van de bestaande kerkelijke vorm van christendom schijnt de enige logische uitweg te zijn. Er pleit ook meer voor dan tegen, heb ik proberen duidelijk te maken'.

’Moeten we het een ramp vinden dat het chrisdendom buitenkerkelijk wordt? Het tegendeel lijkt mij het geval. Daar was het immers om begonnen, zou men kunnen zeggen, dat de krachten van het koninkrijk uit de kerk wegtrekken en van kerkelijk tot werelds worden’...

’Het gaat helemaal niet om het voortbestaan van de kerk.’

’Tot in den treure hebben wij herhaald (en anderen geleerd) dat het God in zijn heilsopenbaring niet om de kerk maar om de wereld gaat; het schijnt ons nog niet zo glad af te gaan dat ook in praktijk te brengen.’

Met het bovenstaande heeft prof. Kuitert niet alles gezegd. Een hele bladzijde (pag. 770) wijdt hij eraan om te zeggen dat de kerk er toch wel blijven moet 'omdat we niets anders hebben'. 'Godsdienst heeft als elke andere menselijke basisbehoefte een institutionele vorm nodig; dat geldt ook van de christelijke godsdienst’.

Maar zelfs op deze pagina spreekt Kuitert zo verzakelijkt, funktionalistisch, en onbijbels over het wezen van de kerk dat ik aan zijn beschermheren zowel als aan zijn volgelingen de vraag stel of zij zichzelf en hun standpunt herkennen op deze pag. 770.

Want terstond daarna betoogt Kuitert dat de kerk een soort noodfunctie (mijn woordkeuze, M.) heeft: de kerk zuigt de mensen aan, om ze religieus te helpen, maar normaal is het dat die mensen het bij de kerk niet kunnen uithouden, en zo stoot de kerk ze weer af, de wereld in. Daar kun je eerst voluit mens zijn. Een noodfunctie zoals een zieken­ huis vervult: niemand wil daar blijven, al is het voor een zieke wel nodig; maar de geestelijk-gezonden 'gaan de wereld in om daar zelfstandig te zoeken, te vinden en met God om te gaan, zonder geleide of bevoogding van al te bange, als synode of pausen verklede zusters of dokters.’

Terecht stelt Masselink de vraag: Waar blijft hier het reformatorisch gezichtspunt dat de Kerk staat onder de critiek van het Woord. Het wordt bij Kuitert verduisterd door caricaturale tekeningen van de bestaande kerken en een onbijbelse visie op een buitenkerkelijk christendom. Masselink verwijt Kuitert dat hij de gebreken van de kerk wil oplossen ten koste van de kerk zelf.

Het is meer dan bedroevend hoe prof. Kuitert in zijn beschouwing van de kerk de ontelbare en ontwijfelbare getuigenissen van het Nieuwe Testament buiten spel zet. Het is voor mij een beangstigend raadsel hoe een gereformeerd hoogleraar op zo'n onbijbelse wijze spreken kan over het werk Gods dat nooit onder de greep van onze sociologie, logica of van welke wetenschap ook, is te brengen. Prof. Berkouwer is bezig het tweede deel over De Kerk te schrijven en spant zich in om de rijkdom, de onmisbaarheid en de onaantastbaarheid van Christus kerk te betuigen evenzeer als de kwetsbaarheid en de gebrokenheid van de kerk. En als dan prof. Kuitert in dit vreemde artikel vreemde en onbijbelse 'oplossingen' geeft, is dat voor mij een dreigend raadsel.

Voor hoevelen zal prof. Kuitert op deze manier zijn geloofwaardigheid nog behouden? De grenzen worden zomaar alle kanten uitgebogen, en de horizonten zweven als stereometrische vlakken door elkaar heen.

Ook wil ik mijn beangstiging uitspreken aan het adres van hen die of 'beschermheer' of leerling van prof. Kuitert (willen) zijn. Hoe groot is hun verantwoordelijkheid om op ondubbelzinnige wijze tegenspel te geven! Minder mag toch niet van hen verwacht Worden? De waarde van hun broederschap met prof. Kuitert en de liefde voor Christus en Zijn kerk mogen ons toch een reële verwachting geven op tegenspel juist van die kant?

Tenslotte wil dit artikel ons aller vreugde over Zion vermeerderen; daar wil God wonen met al Zijn heil dat uitstraalt naar alle volken.

Wat een vreugde om levend lid van Christus' gemeente te mogen zijn, om door woord en daad, door lied en dienst, door trouw en zelfverloochening, te betuigen en waar te maken dat God in Christus de wereld met Zich verzoenende is. Laat dit aanbiddelijke heilsgeheim prof. Kuitert mogen bewaren voor valse dilemma's (de kerk moet blijven — maar hoe lang nog; het gaat God om de wereld en niet om de kerk; de kerk zuigt aan en stoot af enz., enz.) en hem mogen terugbrengen van de compleet onhoudbare uitschieters van de Pol (niet het relativisme maar het absolutisme is het grootste gevaar en dat de sociale eenwording in stelling wordt gebracht tegen het heil in de kerk). Wat een dwaasheden en wat een verwarring; terwijl het waarachtig heilsgeheim van God in Christus ons juist van alle dwaasheid en hopeloosheid wil verlossen.

De kerk — een heilsgeheim; van daaruit willen we graag met prof. Kuitert praten.

Men krijgt uit deze discussie de indruk dat de kloof die Kuitert scheidt van die Gereformeerden die zich bewegen in de lijn van de reformatorische belijdenis steeds breder wordt. Dat moet ook kerkelijk allerlei spanningen opleveren, die men niet kan ondervangen via het comproniis of een eindeloze gespreksmethode.

Mattehus 25: Het eindoordeel van de Zoon des mensen

In het blad 'De Wekker' schrijft ds. J. H. Velema enkele artikelen over de wijze waarop Mattheus 25 betrokken wordt in de discussie over geloof en handelen, goede werken en medemenselijkheid. Blijkt uit dit gedeelte niet overduidelijk, zegt men, dat het doen beslissend is voor de eeuwige zaligheid? Komt in deze gelijkenis niet de buitenkerkelijke christen ter sprake die door de beker koud water aan de minste van Christus' broeders te reiken onwetend christen is? Moeten we niet veel meer oog hebben voor dit anonyme christendom van mensen die door hun daden de wil des Vaders doen? Is volgens deze gelijkenis de ontheemde niet zonder meer de broeder van Christus?

Over het aspect van de kerk buiten de kerk schrijft ds. Velema:

Als u de verzen 31—46 van Matth. 25 eens rustig doorleest, moet het u treffen dat niet begonnen wordt met de vermelding van het werk, dat de 'schapen' in hun leven hebben gedaan.

Eerst wordt door Christus gezegd dat Hij in het eindoordeel de wereld zal richten. Alle mensen worden voor de troon gebracht. Daar wordt door de Zoon des mensen scheiding gemaakt zoals de herder de schapen van de bokken afscheidt. De schapen komen te staan aan Zijn rechter- en de bokken aan Zijn linkerhand. De Zoon des mensen wordt hier getekend als Koning, Die hen, die aan Zijn rechterhand staan, uitnodigt met de woorden: Komt gij, gezegenden mijns Vaders, beerft het Koninkrijk dat u bereid is van de grondlegging der wereld af.

De diepste oorzaak van deze rijke toekomst ligt, als we goed lezen, niet in de schapen, in de gelovigen. De gezegenden van de Vader, voor wie het Koninkrijk bereid is van de grondlegging der wereld, zullen dit Koninkrijk beërven. Gods vrij en eeuwig welbehagen is de diepste grond van de za-ligheid.

Velen zijn tegenwoordig bang om dit te zeggen. Dan krijg je de wind tegen. De reactie is: dus we kunnen er uiteindelijk zelf niets aan doen? Waar maken we ons druk om?

Wordt alle 'doen' van mensen op deze wijze niet lam gelegd?

We horen deze stemmen tegenwoordig veel. Uit vrees daarvoor wordt dan gemakkelijk gezwegen over de diepste oorzaak van de zaligheid. Geheel ten onrechte! En ook ten koste van de echte evangelie-boodschap en de rechte christelijke activiteit. Immers als de zaligheid in onze handen wordt gelegd en als ons doen, onze daden de doorslag zouden moeten geven voor de zaligheid, dan verkondigen we een met recht troosteloze leer. Als de genade niet meer gepredikt wordt en als genade practisch wordt uitgeschakeld, dan kunnen zondaren zich wel opbergen. Er is voor hen geen troost en geen uitzicht. Wat betekenen immers onze daden? Als we het daarvan moeten hebben, moeten we instemmen met het reële oordeel van de Catechismus: onze beste werken zijn in dit leven met zonde bevlekt; wij maken de schuld nog dagelijks meerder. Niet wij zijn met God, maar God is met ons begonnen. Dat is de betuiging van iedere gelovige. Dat zet de zaligheid niet op losse schroeven, maar dat maakt de zaligheid des te vaster.

Het feit dat de Heiland juist dit Schriftgedeelte begint met deze zo gestelde uitnodiging, herinnerend niet aan het werk, dat zij hebben gedaan, maar aan Gods heilsbeschikking, moet voorzichtig maken. Het gaat niet aan om, als dit gedeelte zo begint, aan te nemen dat overigens niet bewust gelovige mensen zalig worden op grond van hun goede daden, en hen dientengevolge te rekenen tot de kerk, tot het Christendom, hoewel ze hier anoniem waren.

Wel blijkt dat de verkorenen en -gezegenden des Vaders openbaar komen in het doen van de werken des geloofs. Beslissend in het eindoordeel is de houding die men tegenover de Koning heeft ingenomen. De verkiezing gaat immers nooit buiten Christus om.

Valt de wereld mee en de kerk tegen? Ook Velema houdt zich met dezelfde problematiek bezig als die in Kuitert's artikel aan de orde komt. Valt de wereld niet dikwijls mee in tegenstelling tot de teleurstellende houding van de kerk?

Als het gaat over gelovigen, die in hun leven geen goede werken tonen, die onbarmhartig, liefdeloos, zelfzuchtig door het leven gaan, dan moeten we op grond van Gods Woord zeggen: aan de vruchten kent men de boom. Het gaat niet om uiterst rechtzinnige woorden alleen, maar om zeer rechtzinnige daden tegelijk. Orthodoxie en orthopraxie zijn een eenheid. 'Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is'. (Matth. 7 : 21). Er is veel schijn-christendom. Het wordt hoe langer hoe duidelijker dat niet allen, die zeggen gelovigen te zijn, het ook werkelijk zijn. Zelfonderzoek is in dit opzicht zeer nodig en dagelijks geboden.

En wat de ongelovigen betreft die goede daden doen tot beschaming van kerkmensen: waar komen die goede daden uit voort?

Vandaag wordt gezegd: de universele heilsbetekenis van Christus is zo groot, dat we de grenzen van de kerk breder en ruimer moeten trekken dan in de regel gedaan wordt. Ook zij, die geen bewuste band aan Christus hebben, ja Hem niet of nauwelijks kennen, kunnen christenen zijn in feite. Christus' Geest werkt overal. En wij mogen ook de ongelovigen en de heidenen met verwachtingen op grond van de universele genade tegemoet treden. We moeten wat minder exclusief en wat meer inclusief leren denken en handelen.

Als deze redenering juist is, wordt aan de beslissingsernst van het christelijk geloof zeer tekort gedaan. Dan is de prediking van het Evangelie niet zo belangrijk meer. Dan is het dwaas en oneconomisch om zoveel geld te spenderen aan de zending. Maar ook wordt op deze wijze aan de unieke betekenis van de Naam van Christus getornd. We kunnen dus ook wel zalig worden buiten die Naam om? Uiteindelijk hebben we het kruis dan niet meer nodig en is het hele heilswerk van Christus een interessant, misschien nog tot goede daden inspirerend, maar niet meer noodzakelijk werk. De goede daden van de ongelovigen zijn alleen te verklaren uit de nog in deze wereld werkende algemene goedheid en gunst van de Here, die voor de zaligheid geen verdienende waarde heeft.

Als reeds Gods algemene genade nog zoveel goeds te zien geeft hoe moest dit dan de gelovigen prikkelen tot een leven naar Gods Wet krachtens Gods bijzondere genade.

Maar hoe zeer het geloof zich ook uit en móet uiten in daden, hoe nauw het ook luistert, niet op grond van onze daden zonder meer worden we zalig. Alleen Gods genade redt. En die reddende genade bewijst zich in een leven uit en voor de Here Jezus Christus.

Zelfs de moordenaar aan het kruis in het laatste uur van zijn leven tot bekering gekomen, deed nog goede werken: hij beleed de naam van de Heiland en wekte zijn collega op tot schuldbelijdenis terwijl de discipelen zwegen.

Hoe rijk is het leven uit genade door geloof in goede werken!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's