Ds. Iz. Kok sprak in Kampen
OVER GODS WELBEHAGEN IN MENSEN
Ieder voorjaar belegt de Hervormde Gereformeerde ambtsdragersvereniging te Kampen een aantal lezingen. Voor dit seizoen is het thema van deze cyclus: 'De zaligheid is in geen ander'.
Woensdagavond werd in de Kamper Broederkerk de eerste lezing van deze cyclus gehouden. Ds. Iz. Kok uit Baarn behandelde artikel 17 N.G.B. Hoewel het opschrift van dit artikel luidt: 'Van de wederoprichting van de gevallen mens', koos ds. Kok een andere titel, namelijk: 'Gods welbehagen in mensen.' Hiermee plaatste hij zijn referaat in een wat breder verband; de trits: schepping - val - genade. Hij betoogde het volgende.
Met de schepping van Adam legde God Zijn welbehagen in de hand van een mens. Door Adams hand moest het welbehagen voortgaan, want Gods vermakingen waren met de mensenkinderen. Adam was geslachtshoofd en verbondshoofd. Door gehoorzaam te zijn maakte hij zijn roeping en verkiezing vast. Adam zegde evenwel zijn gehoorzaamheid op, en doordat hij viel, ontviel hem het welbehagen Gods. Zijn hand werd een vuist.
Toch welbehagen
Toch gaat het welbehagen in mensen door, want de bron ervan lag in God. En God laat nooit varen het werk dat Zijn Hand begon. God legt Zijn welbehagen in de hand van Zijn Zoon. In Jesaja 53 staat, dat het welbehagen des Heren door Zijn hand gelukkiglijk zal voortgaan.
God riep en verkoor Hem. Daarom worden nu door Zijn handen roeping en verkiezing vastgemaakt.
’Ik heb Mijn Zoon uit Egypte geroepen'. Dat betekent, - dat Hij geroepen werd uit het land der duisternis. Zijn reis ging vervolgens door de woestijn, waar de vorst der duisternis Hem verzocht. Na Zijn 33-jarige toch ging Hij Kanaan binnen. Aan het einde van de woestijnreis vraagt Hij: 'Wie overtuigt Mij van zonde? ' Niemand geeft antwoord. De hemel zwijgt, de wet zwijgt, de duivel zwijgt en de mensen zwijgen. Volkomen heeft Jezus de wet gehouden. Na Zijn volmaakte gehoorzaamheid gaf Hij Zijn reine ziel in de hand des Vaders.
In Lucas 3 en in Mattheus 1 — aldus betoogde ds. Kok verder — staat een geslachtsregister van Jezus. Het register van Lucas begint bij 'Jezus de Zoon van Jozef' en gaat terug tot 'Jezus... de Zoon van Adam, de Zoon van God'. Christus is dus onze oudste broeder. Als zodanig is Hij aan de gehele wereld geschonken, zodat niemand kan zeggen: 'Ik heb geen zaligmaker. De kracht van Zijn offer is toereikend tot zaligheid van de ganse wereld. Dit moet dan ook aan alle creaturen gepredikt worden.
Het register van Mattheus begint met Abraham, de vader aller gelovigen. Hieruit blijkt dat de genade niet als , een zee de wereld overspoelt, maar dat zij stroomt door de bedding van prediking en verbond.
Deze beide registers hebben, zei ds. Kok, betrekking op ons allemaal. Krachtens geboorte zijn wij kinderen van Adam en krachtens de doop zijn wij kinderen van Abraham.
Wederoprichting
De Vader had duidelijk gesproken: 'Deze is Mijn geliefde Zoon in dewelke Ik Mijn welbehagen heb'. Hij is tot het zijne gekomen, maar de zijnen hebben Hem niet aangenornen. En toch staat er: 'Maar zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden.'
Hij richt dus de gevallen mens weer op. Hoe, dat zien we geïllustreerd in Adam, Adam vluchtte en verborg zidi. Schuldbesef had Hij niet. Om genade bidden kon en deed hij niet. Hij had niets anders te verwachten dan de dood. God roept hem. Hij komt, hoewel in vijandschap. Wat doet God nu? aldus ds. Kok, die deze rhetorische vraag aldus beantwoordde:
Hij neemt alle bedekking en verontschuldiging weg. Adam komt tot zichzelf. Daar staat hij, naakt voor God, in dezelfde schande als waarin later de verloren zoon voor zijn vader staat.
Eerst dan bekleedt God hem met een vel, waarvoor Hij een dier had moeten slachten. Waaruit blijkt nu de wederoprichting en bekering van Adam? Uit het feit dat hij zijn vrouw noemt: Eva, de moeder aller levenden.
Voorheen was haar naam: Manninne, uit de man genomen. Deze man had alleen maar de dood aangebracht en Manninne kon alleen maar vruchten des doods baren.
Bekleed
Voordat God de zondaar bekleedt, ontkleedt Hij hem. Daarna omhangt Hij hem met de mantel van Christus' borggerechtigheid. In de brief aan de Romeinen staat: 'Doet aan de Heere Jezus Christus'. Deze beeldspraak is ontleend aan een heidens gebruik. Als er een feest ter ere van een godheid werd gehouden, trok de keizer het kleed aan van die bepaalde god, waarvoor hij zich er als het ware mee personifieerde.
Zo moet de gelovige steeds meer aan Christus gelijkvormig worden. Daartoe ontvangt hij wisselklederen: het kleed van ootmoed, de mantel der liefde, het kleed van oprechtheid en lijdzaamheid. Het laatste kleed dat de gelovige ontvangt is het bruiloftskleed.
Aldus het betoog van ds. Kok.
(Nieuw Kamper Dagblad 14-4-’72).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's