De Schriftverklaring II
Aandacht voor de prediking
b. Bedoeling
Het eerste artikel handelde over de methode van de Schriftverklaring. Nu willen wij gaan overwegen welke bedoeling de werkwijze, tot nu toe gevolgd, heeft. Want de voorganger, die door nauwkeurig onderzoek en door letterlijke exegese de zin van de tekst heeft gevonden, is nog niet klaar. De specifieke boodschap van deze tekst dient te worden opgespoord in het geheel van de samenhang. Ieder Woord Gods immers heeft iets eigenaardigs, iets speciaals, een geheel eigen kleur. Dat speciale moet nu worden ontdekt door zich de vraag te stellen: wat is de bijzondere bedoeling van de Heilige Geest geweest met dit éne woord? Alleen door zich aan deze vraag biddend te onderwerpen, wordt men bewaard voor het verkondigen van nietszeggende algemeenheden in de prediking, waardoor elke preek een copie wordt van de voorafgaande. Dit is het geheim om jarenlang fris te kunnen blijven. In deze weg van naspeuring en onderzoek komt men tot een rijkdom van stof, waardoor de gedachten gaan stromen als nooit tevoren. De prediker beleeft iets aan zijn tekst en de gemeente gaat dit terdege bemerken.
De speciale, eigenaardige en bijzondere boodschap van de tekst wordt vooral gevonden door ingespannen studie van het tekstverband. De gang van het gehele hoofdstuk moet ontdekt worden. Men lette op de personen, tot wie het Woord wordt gesproken. De tijd, waarin, de omstandigheden waaronder, de gedachtengang waardoor de tekst gaat klinken. Het woord 'tekst' komt van textiel, en dat betekent 'weefsel'. Zo min men een lap stof ongestraft uit een rol kan scheuren, zo kan een tekst ook niet zonder schade uit de samenhang worden gelicht. Het verband geeft kleur aan het Godswoord.
Heeft nu de prediker de tekstboodschap van deze speciale tekst gevonden, dan kan hij de boodschap daarvan overbrengen. Hij heeft een volgende keer weer een geheel andere boodschap. ledere zondag vertoont hij weer een geheel ander facet van de rijke heilsopenbaring. Zelfs is het mogelijk verschillende malen over één tekst te preken, ook al verdient dat geen sterke aanbeveling. Dikwijls toch leidt deze gewoonte onmiskenbaar tot blikverenging en worden andere delen van Gods Woord daardoor minder tot klinken gebracht.
Is tot nu toe de arbeid ten einde gebracht zoals boven omschreven, dan is nog de taak niet gereed. We moeten voorts overwegen in welk verband deze tekst staat met de hoofdgedachte van geheel Gods openbaring, namelijk het heil des Heeren in Jezus Christus. Dat is reeds onder alle nevelen en schaduwen van het Oude Testament zichtbaar in de profetische aankondiging V8in de messias. Terecht zegt men: het Oude Testament gaat open in het Nieuwe, en het Nieuwe Testament in het Oude. Christus is het middelpunt van geheel de Heilige Schrift. Laten wij een voorbeeld geven: wanneer u in een gehucht onder in Limburg vraagt, waarheen de weg naar Amsterdam is, dan zullen u de bewoners van dat vlek kunnen antwoorden: daarheen en daarheen komt u op de weg naar de hoofdstad. Welnu, op precies dezelfde wijze is er een verbindingslijn van ieder tekstwoord naar het centrum van Gods Woord. Dat vraagt uiteraard langdurige overdenking van de prediker en veel gebed voordat het organisch geheel van de Schrift om haar middelpunt heen helder en klaar wordt, maar wie deze moeite en arbeid niet schuwt, zal rijke vrucht oogsten in «en verdiepte prediking. En welke zegen hierdoor de gemeente ten deel valt is nauwelijks op te sommen. Het Woord komt aan het woord en dan gaat het uitzicht op de eeuwigheid open. De bedoeling van de tekstverklaring is dus niet alleen de betekenis van dit speciale tekstwoord uiteen te zetten; neen, dit tekstwoord functioneert in de stralenkrans van hoofdstuk, bijbelboek, oud of nieuw testament. Vandaar uit wordt de diepte van het Woord zichtbaar. Laat men dit verband achterwege, men zou evenzeer over een spreekwoord of gezegde een preek kunnen maken. Maar het gevaar is dan dat het Kruis wordt verhuld doordat Christus wordt verzwegen. De Schriftverklaring heeft derhalve Christusprediking op het oog.
Maar ook daarmee is nog niet alles gezegd. Christusprediking sta op de voorgrond, maar Christus in de zin der theologie. Christus is de van God geschonken Zaligmaker. Christus voert ons hart terug tot de Vader. Daarom ontbreke dit accent niet. Enkel verkondiging van Christus zonder het verband waarin deze wordt gesteld in de Schrift voert tot een Christusmonisme, een Christus, die de gemeente voorgesteld wordt als een begrip, waarmee men geen weg weet, die nergens heen voert. Dat brengt al terstond tot een derde aspect: naast het theologisch motief ontbreke ook niet de overdenking hoe de Heilige Geest deze Schriftwaarheid waarmaakt in hart en leven. De prediking zij trinitarisch; het werk van Vader", Zoon en Geest klinke er in dóór. Het voert ons te ver, hierover uit te wijden, maar de lezer verstaat wel, dat de rijkdom van de Schrift eerst in deze prediking uitstraalt.
Bij de gemelde arbeidswijze komt nu tenslotte nog één trek. De prediker zal bij deze verklaring ook te rade gaan bij de belijdenis der Kerk. De dienaar van de kerk gaat door middel van de belijdenis der kerk het Woord Gods verstaan, zoals het is overgekomen in de kerk der eeuwen. De confessie is de witte streep op de tweebaansweg, wanneer er mist is. De belijdenis corrigeert, adviseert, verheldert het denken over de Schrift. De studie van het belijden der kerk werkt daarom altoos bevruchtend in bij het indenken van de Schriftgedachten en leert die in haar volheid beter verstaan. Daarom is gedurige catechismusprediking zulk een weldaad voor de gemeente niet alleen, maar ook voor de prediker. Hij komt door het sonore geluid van het leerboek in de weergalm van de kerk der eeuwen te staan. Van eigenaardigheden, stokpaardjes en liefhebberijen bevrijdt hem het dogma. Hij wordt geschoold in de overstelpende schat des Woords. En naarmate zijn jaren vorderen verdiept zijn inzicht in de bron des heils.
c. Practische uitwerking
De aandachtige lezer zal hebben begrepen, dat voor de verwerkelijking vam de genoemde grondlijnen veel voorbereiding is vereist. Veel studie en gebed wordt gevraagd, niet enkel van de voorganger, maar ook van de gemeente, die geroepen wordt de prediking te horen. Van oudsher is dan ook aanbevolen vroegtijdig in de week te beginnen met het preekwerk, door het voortdurend lezen van de Schrift op de studeerkamer, door het raadplegen van commentaren en woordenboeken, en niet weinig door het mediteren over de tekst. We moeten biddend worstelen om in de mijn van het Godswoord in te dringen. Want God is wel rijk in Zijn Woord, maar Hij geeft zijn schatten nooit om niet. Er moet hevig voor gewerkt worden. Dat heeft nu enkele practische consequenties.
De gemeente moet de prediker vrije tijd laten voor deze arbeid. De prediker zelf make er tijd voor. Het vraagt gedurig letten op het werkprogramma, want niet enkel de noeste studie behoeven wij, er is ook een zekere speelruimte nodig waardoor we niet beklemd geraken. Wie zelf geregeld geestesarbeid verricht, weet wat wij hier bedoelen. Een dominee moet voortdurend veel lezen om op de hoogte te blijven van de literatuur; om voeling te kunnen houden met de polsslag van de tijd. Hij moet nieuwe vondsten weten te benutten. Omgaan met de edelste geesten van het menselijk geslacht. Hij moet uit de rimram van iedere dag een moment in de Alpen kunnen verkeren, anders wordt hij het glimlachende, gladgestreken manneke van het nieuws van de dag. Helaas zijn wij nog veel te veel domineeskerk, zelfs na de apostolaatswoede of zelfs misschien door de apostolaatsmanie van de laatste kwart eeuw. Daarom komen we hier een aantal gevaren op het spoor, die wellicht weinig aangewezen werden, en die ook in het midden der gemeente te weinig worden voorvoeld.
Dreigingen
De vraag immers die we na het bovenstaande mogen stellen is deze: is de arbeid aan de prediking mogelijk in bovenvermelde zin? Het antwoord daarop luidt bevestigend, maar moet met een aantal krachtige voorwaarden worden begrensd. Immers het grote gevaar is de onevenredige verhouding tussen de grootte van de gemeente en het aantal predikantsplaatsen. Het schijnt ronduit dwaas om in een tijd, waarin zeer veel predikantsplaatsen worden opgeheven deze kwestie ter sprake te brengen. Het enige motief daartegen is, we moeten niet uitgaan van hetgeen is, maar van hetgeen ideaal is. Anders verschraalt ons denken tot kille, gevoelloze nuttigheidsberekening.
Welnu dan, de huidige bewerkingsmethode van een gemeente brengt met zich mee, dat in de gemeente de predikant bij veel gehaald wordt, dat strikt genomen zijn arbeid niet is. Wij denken hierbij niet aan het gewone werk van huisbezoek, rouw en trouw, ziekenbezoek en catechese, maar aan zoveel andere werkzaamheden, die met een weinig overleg heel goed door anderen zouden kunnen worden waargenomen. Een rompslomp van vergaderingen, besprekingen en wat niet al, hetgeen nodig, gewichtig en onmisbaar is, maar .. tijd vreet van het centrale van de preekvoorbereiding. Geestig heeft Spurgeon dit vergaderwerk eens genoemd: het algemeen opblazen van windzakken. Nu is zulks nog te doen in een gemeente van 1500 zielen, waar de voorganger iedere maal twee keer voorgaat per zondag. Maar het totale werk van de predikant komt reeds in het gedrang wanneer in een meelevende gemeente het aantal zielen de 1500 te boven gaat. De gescheiden kerken hebben als maatstaf één predikant op duizend zielen. Wij weten wel, dat zulks het verval niet tegengaat. Maar dat is momenteel ons bedoelen niet te betogen. Wie een weinig thuis is in de gereformeerde sector van onze kerk, weet, dat er vele gemeenten van twee-, drieduizend en meer zielen door één predikant worden bediend. Nu werpe men het volle recht tegen dat er in vele gemeenten veel onkerkelijkheid is; dat de onderhouding van een predikantsplaats zeer veel geld vraagt, soms reeds boven de draagkracht van één gemeente. Het is alles waar. Maar met evenveel klem van redenen stellen wij daartegenover, dat men te weinig er op bedacht is het aantal predikantsplaatsen uit te breiden in een groter wordende gemeente. Naast de genoemde factoren spelen niet weinig mee: valse behoudzucht, gemoedelijkheid, vrees voor conflicten en angst voor achteruitgang van de gemeente. In de practijk blijkt evenwel, dat men altoos beschaamd wordt doordat bij een betere arbeidsverdeling de gemeente meer kan worden bearbeid.
Wij zouden nog veel over dit punt kunnen schrijven, maar het is een feit, dat bij het merendeel der gemeenten de mankracht tekort schiet. In de bemanning van het onderwijs, het burgerlijke gemeenteapparatuur gaat men procentueel omhoog met de toename van de bevolking ... maar in de kerk handhaaft men de oude getalssterkte veel te hardnekkig. Op den duur glijdt de gemeente dan ook onder het genadeverbond uit, wordt niet meer bewerkt en spat uiteen.
Waar stichting van predikantsplaatsen niet mogelijk is zoeke men dan ook andere hulp, om de verdieping in het Woord Gods niet in gevaar te doen komen. En ten besluite: is er voor onze gemeenten niet de tijd daar eens te overwegen of uitbreiding van mankracht noodzakelijk is bij toename van kerkleden? Eeuwenlang was de stad het centrum, de stad ging voorop in het kersteningsproces. Die tijd schijnt voorbij te gaan. Heeft nu het platteland niet de taak hetgeen er nog is te bewaren en te verstevigen?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's