Enkele overwegingen in verband met de kindercommunie
Met het oog op de komende classicale vergaderingen wil ik gaarne enkele gedachten ter overweging geven. Op het geheel van argumenten 'pro' en 'contra' hoop ik binnenkort uitvoeriger terug te komen.
1. Het is op zichzelf een goede zaak, dat het vraagstuk van de kindercommunie in het geheel van de kerk, dus ook straks ter synode wordt besproken a. tegen experimentele kerkelijke wanorde; b. om ook op het grondvlak van de kerk meer aandacht te geven in prediking, catechese en gezin aan de verhouding van de kinderen (en de jongeren in het algemeen) tot de prediking van het Evangelie, het genadeverbond, het hele huisgezin der gemeente, de beide sacramenten en niet het minst tot Hem, in Wien ook voor hen alleen alle heil te zoeken en te vinden is; c. omdat dieper nagedacht moet worden over de wijze, waarop kinderen en jongeren in de leeftijd van 12—18 jaar in het geloof kunnen beleven en belijden. Wat betekent: 'op hun eigen wijze' uit het synodale rapport van 13-2-’62?
2. Het grote uitgangspunt van alle kerkelijk denken en handelen is het feit, dat God tot ons wil spreken, waarschuwend, onderrichtend, ontdekkend, nodigend, vertroostend. Dat spreken vraagt om een bewust horen, een rijp overleggen, een bezonnen antwoord, verootmoedigd en blij verwonderd. Het vraagt om het geloof des harten, dat is uit het gehoor (Rom. 10:17).
3. Zullen wij het levensgrote gevaar van sacramentalisme ontgaan, dan zullen we moeten vasthouden aan de primaire functie van het Woord. De oude kerk is met haar zuigelingencommunie te kwader ure slachtoffer geworden. Men begon meer en meer het uitwendige der sacramenten met het inwendige, het teken met de betekende zaak te verwisselen (Gravemeijer, Geref. geloofsleer III 549). De sacramenten zijn secundair. Ze zijn vergrootglazen, illustraties en zegels om het Evangelie des te beter te doen zien en te bevestigen. Maar alleen het geloof kijkt er doorheen.
4. Het is onjuist te stellen, zoals in recente discussies vaak gedaan wordt, dat het accentueren van de subjectieve factor van geloof en wedergeboorte, bekering en belijdenis een soort van aanvulling zouden betekenen op de beloften van het genadeverbond, op de Doop en op het behoren tot de gemeente van Christus. Het oog voegt geen aanvullende lichtbron toe aan het zonlicht, maar is wel onmisbaar om het te zien. Zo is ook de toelating tot het Avondmaal niet een soort beloning van geloof en geloofsbelijdenis, zoals gezegd wordt. Het is niet de vraag óf de kinderen tot het verbond behoren, maar hoe ze er toe behoren. Het onbewust ontvangen van een erfenis en het recht daarop, sluit niet in, dat deze straks ook bewust aanvaard wordt met al de consequenties daarvan, ook de belastende.
Het is onjuist uit het feit, dat de kinderen tot het verbond behoren, te concluderen, dat zij nu alle behoren tot de gelovigen, aan wie het eten van dit brood en het drinken van de beker bevolen is (Heid. Cat. antw. 75). De waardevolle cheque moet niet alleen ontvangen, maar ook gerealiseerd worden, zal de voorgestelde rijkdom de onze zijn. De dingen van het Koninkrijk der hemelen moeten een centrale plaats krijgen in ons weerbarstige hart. Dat vraagt een stuk levensgeschiedenis. Hetzelfde Doopsformulier, dat zegt, dat de kinderen in Christus geheiligd zijn, zegt, dat de H. Geest door het sacrament betuigt, dat Hij ons tot lidmaten van Christus heiligen wil. Dat is een belofte, niet een voorzegging. De brede algemeenheid van het verbond sluit de persoonlijke aanvaarding niet uit. Evenmin als het omgekeerde het geval is. Er zijn tweeërlei kinderen des Verbonds. Men zij hier op z'n hoede voor een soort van heilsobjectivisme. De kudde telt schapen en bokken, de akker tarwe en onkruid.
5. Wie zich beroept op Calvijn's pleidooi voor de leeftijd van 10 jaar (maar prof. Plomp meent, dat Calvijn dan de catechese laat ingaan, die op de leeftijd van 15 jaar leidt tot de toelating tot het Avondmaal), bedenke:
1e. dat sedert de 16e eeuw de leeftijdsgrens voor de volwassenheid aanmerkelijk naar boven verschoven is.
2e. dat Calvijn catechetische eisen stelt, waar de onze op de betreffende leeftijden niet aan tippen kunnen.
3e. dat de ernstige bezwaren, die Calvijn heeft tegen een te jeugdige toetreding (hij spreekt zelfs van vergif' ) grotendeels ook onze onrijpe, hoewel 'rijpere' jeugd gelden.
4e. Men onderschatte niet de moeilijkheden, waarmee de puberteitsjaren onze jongens en meisjes belasten. In die jaren kan men zeker niet meer van kinder-communie spreken. Een jongen van 15 zal vaak moeilijker voor zijn geloof uitkomen door ten Avondmaal te gaan dan een zusje van b.v. 10 of 11 jaar. De eerste is bezig te worstelen om persoonlijke identiteit. Het jongere kind heeft vaak een meer onpersoonlijk geloof. Niet alle bloesem gaat zetten en levert vrucht.
6. Doop en Avondmaal bevestigen hetzelfde Evangelie. Maar ze zijn niet gelijk. Ten onrechte houden de Oosters-Orthodoxen en de Baptisten ze bij elkaar op hun verschillende manier. Calvijn heeft in Institutie IV, 16, 30 het verschil onderstreept en de werkwoorden uit 1 Cor. 11 in volle ernst genomen, ook wat betreft de zelfbeproeving bij het Avondmaal.
7. Het rapport somt op blz. 11 verschillende 'belevingsaspecten' van het Avondmaal op. Maar deze mogen nooit buiten het hart van het Evangelie omgaan nl. de verzoening, de vergeving en de vernieuwing. Terecht heeft prof. Berkhof onderscheid gemaakt tussen segment en sector. Alleen de laatste raakt het middelpunt.
8. Het is onjuist het Avondmaal te benaderen vanuit de agapè (liefdemaaltijd). Hier is de bijbelse en reformatorische verhouding van geloof en liefde in geding.
9. Kindercommunie en gezinscommunie onderstellen uitzonderlijke voorbeelden van vroeg en gemeenschappelijk geloofsleven. Wie de regel daaraan gaat afmeten, gaat een soort methodistische pressie uitoefenen en wil vruchten plukken, voordat ze rijp zijn. Het zou heerlijk zijn als deze uitzonderingen regel waren. Moge het gesprek tussen ouders en kinderen over de grote dingen, waar het om gaat ook door deze discussies bevorderd worden. Dat is nodig!
10. Aanvaarding van de kindercommunie zou meer een oorzaak van scheiding dan van vereniging zijn. En dat rondom de Tafel des Heren!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 mei 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 mei 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's