Pinksteren, een doorgaand gebeuren
U voelt aan, dat bovenstaande titel niet geheel zonder gevaar is. Wanneer wij Pinksteren beschouwen als een doorgaand gebeuren, lopen wij kans om het unieke van het Pinkstergebeuren uit het oog te verliezen. En dat zou niet zonder ernstige gevolgen zijn. Het zou tot dezelfde gevolgen leiden als wanneer wij de geboorte van de Heere Jezus en zijn sterven als een doorgaand gebeuren gingen zien. Het zou de volkomenheid van het werk van Christus m de schaduw stellen. Wij zouden niet meer de zekerheid hebben, dat, wat Hij gedaan heeft in zijn sterven en opstanding, volkomen genoeg geweest is.
Daarom moeten wij wel voorzichtig zijn, als wij niettemin toch willen spreken over Pinksteren als een voortgaand gebeuren. Trouwens ook de Schrift zelf geeft ons de vrijmoedigheid ertoe om dit toch te doen. Als wij lezen in Hand. 2, dat zij allen vervuld werden met de Heilige Geest, dan is dit het bijzondere van wat op het Pinksterfeest geschiedt. En toch lezen wij het verderop in Handelingen weer, dat zij vervuld werden met de Heilige Geest. Dit vervuld-worden met de Geest is dus niet alleen beperkt gebleven tot die eerste Pinksterdag. Maar het werd daarna voortdurend herhaald. En als Paulus later in zijn brief aan de gemeente van Efeze schrijft over de verzegeling met de Heilige Geest, dan is dat in de grond van de zaak hetzelfde als dit vervuld worden met de Geest. Zo mogen wij dus op grond van de Schrift geloven, dat Pinksteren aan de ene kant een volkomen uniek gebeuren is en daarin gelijk staat met de andere heilsfeiten, maar dat het óók een doorgaand gebeuren is, omdat de heilswerkelijkheid, die op het Pinksterfeest zich, voltrok, ook daarna telkens weer zich heeft voltrokken, en dat dit ook nu nog doorgaat.
Natuurlijk komt nu de vraag naar voren, wat dit heilsgebeuren dan inhoudt? Het is duidelijk, dat wij ons hierbij sterk moeten beperken. De hele leer van de Heilige Geest in zijn persoon en werk zou hier eigenlijk ter sprake moeten komen. Wij willen slechts enkele aspecten ervan noemen. En wij willen dat doen op een wijze, die tot diepere bezinning wil prikkelen.
In de eerste plaats is er reden om te vragen, of Pinksteren eigenlijk wel nodig was? De Heere Jezus heeft immers een volkomen werk gedaan? Door zijn bloed heeft Hij verzoening tot stand gebracht, niet alleen voor onze zonden, zoals er staat in 1 Joh. 2 : 2, maar ook voor de zonde der gehele wereld. Is dat niet genoeg? Wat moest en wat kon daar nog aan worden toegevoegd? Lag hierin niet opgesloten, dat door de verzoening van Christus een verloren wereld behouden werd? En dat zonder meer? Op dit soort vragen, die toch alle eeuwen door gesteld zijn, dient geantwoord te worden, dat Pinksteren niet als een onnodige luxe, maar als wezenlijk en noodzakelijk moet worden beschouwd.
Wij zouden dan allereerst er op willen wijzen, dat het behoud van Gods kerk het werk is van de drieënige God, van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest. De Vader heeft zijn kerk verkoren. De Zoon heeft haar schuld verzoend. En de Heilige Geest werft haar en vernieuwt haar door zijn onweerstaanbare en wederbarende kracht.
Dit alleen al geeft ons inzicht in de noodzakelijkheid van het Pinkstergebeuren. Want hoezeer het werk van Christus in de verzoening van de schuld een volkomen werk is geweest, daarmee verbonden was het werk van de Geest om deze verzoening nu ook tot werkelijkheid te maken in het leven van Gods Kerk. De verzoening van onze zonden, die Christus voor ons heeft tot stand gebracht, moest door de Geest worden tot een gekende verzoening, tot een werkelijkheid, waarom wij verlegen zijn en waarvan wij weet hebben, waaruit wij leven en waardoor wij ontvangen de vrede des harten.
Daarbij komt, dat deze verzoening door Christus ook de vernieuwing van ons leven inhoudt. En die vernieuwing kan nooit buiten ons om gaan. Die vernieuwing moet in ons hart en in ons leven voltrokken worden. En dat is bij uitstek het werk van de Geest.
Zo zien wij, dat de Geest niet iets toevoegt aan het werk van Christus. Want dat zou het werk van Christus in de schaduw stellen. Maar de Geest realiseert Christus' werk in het mensenleven. Hij past het toe. Hij maakt het tot bewuste werkelijkheid, Hij maakt plaats voor Christus in ons hart.
Deze zelfde zaak kunnen wij ook nog van een andere kant benaderen. Zoeven noemden wij het woord uit 1 Joh. 2, dat Christus een verzoening is voor onze zonden, en niet alleen voor de onze, maar voor de zonde der gehele wereld. Er zijn er altijd geweest, die uit dit woord de algemene verzoening hebben gelezeji. Zelfs wel de alverzoening. Maar wie het zo leest, verstaat niet de verbanden, waarin de Schrift spreekt over het heil van Christus. Dat is namelijk wel een volkomen heil. God is een God van volkomen zaligheid. Christus' verzoening is een volkomen verzoening voor al onze zonden. Daar mogen wij niets vanaf doen.
Maar het is wel evenzeer overeenkomstig de Schrift, dat wij in deze verzoening gaan delen alleen door het oprechte geloof. En van dat geloof zegt onze Heidelberger, dat het door de Heilige Geest in ons hart wordt gewerkt. Hier ontdekken wij opnieuw de noodzaak van het Pinkstergebeuren. Omdat het noodzakelijk is, dat de Heilige Geest het geloof werkt in ons hart om Christus en al zijn weldaden aan te nemen. Op geen andere wijze krijgen wij aan Hem deel. Niet door een goed leven, niet door goede wérken, niet door een religieuze instelling, niet door een hartstochtelijk zoeken naar de waarheid. Maar alleen door in Hem te geloven. En dat geloof is geen zaak, die wij onszelf kunnen geven. Het is geen verdienste, het is ook niet het resultaat van een intense geestelijke inspanning. Maar het geloof is een geschenk van de Geest. De Geest werkt dit geloof in ons hart.
Zo gaan wij de Schrift verstaan, wanneer zij aan de ene kant zo uitbundig spreekt van de onbegrensdheid van Christus' werk, en aan de andere kant toch duidelijk de grens trekt, die er bestaat tussen hen, die wel en hen, die niet geloven. Het geloof is de lege hand, waarmee wij de weldaden van Christus deelachtig worden. En dat geloof is tenslotte beslissend. Dat beslist erover, of wij in Christus behouden worden, of niet. Dat geloof is daarom beslissend, omdat het het werk is van de Geest.
U verstaat wellicht, welke consequenties dit heeft, b.v. voor de prediking. Als het heil in Christus alleen via de weg van het geloven in Hem ons deel wordt, zal dat ook in de prediking tot uitdrukking moeten komen. Zij zal niet kunnen volstaan met Christus te verkondigen. Zij zal ook aandacht moeten besteden aan het werk van de Geest. Dat houdt in, dat in de prediking niet mag worden uitgegaan van de vanzelfsprekendheid, dat de horende gemeente al in het heil van Christus deelt. Pinksteren wijst ons juist er op dat dit heil nooit vanzelfsprekend ons deel wordt. Geloof en bekering zijn daarbij noodzakelijk. Het is nodig om op een persoonlijke wijze Christus te leren kennen. Hem nodig te krijgen voor onze zonden, tot Hem te vluchten in onze ellende en de vrijmoedigheid te ontvangen om Hem aan te nemen. Al deze aspecten zullen in een prediking, die ernst maakt met het werk van de Heilige Geest aan de orde komen. Zoals ook de oproep tot geloof en bekering daarin niet zal ontbreken, omdat de Geest werkt door middel van de roeping, die vanuit de verkondiging van het Woord tot ons komt.
Zo zouden er nog meerdere dingen genoemd kunnen worden. Eén aspect mag ik niet onbesproken laten. Het Pinksterfeest als doorgaand gebeuren, wijst ons niet alleen erop, dat er alle eeuwen door mensen door de Geest worden geroepen en getrokken om te gaan delen in het heil des Heeren. Het Pinksterfeest wijst ons ook op een geweldige stroomversnelling in dit werken zelf van de Geest.
Het duidelijkst kunnen wij dit opmerken bij de discipelen van de Heere Jezus. Voordat het Pinksteren was, waren zij reeds geroepen. Zij volgden Jezus. Zij kenden ook Jezus, zij het nog in beperkte mate. Zij wisten van zijn dood en opstanding. Maar de betekenis 'en de diepte daarvan was hun ook slechts in beperkte mate bekend. Dat bleek ook wel uit hun innerlijke gezindheid. Ook na Pasen lezen wij, dat zij bevreesd waren, en dat zij achter gesloten deuren zaten. En sommigen twijfelden ook toen nog er aan, of Jezus wel werkelijk de Messias was. En wat stelden zij nog een domme vragen. Wat kenden zij nog weinig de Schriften.
Maar dat wordt nu op Pinksteren totaal anders. Als zij vervuld worden met de Geest, gaan hun monden niet alleen open, maar ook hun ogen gaan open en hun verstand wordt verlicht, en de Schriften gaan voor hen open. Nu gaan zij verstaan de hoogten en diepten van het werk, dat hun Meester heeft tot stand gebracht. Nu gaan zij er iets van zien, hoe de drieenige God zelf aan het werk is geweest en nog is, en dat dit een volkomen werk is tot zaligheid. Dat heeft voor hen persoonlijk tot gevolg, dat zij nu in een volle verzekerdheid mogen delen in dit heil. Nu is er geen bevreesdheid meer, nu is alle twijfel geweken. Nu weten zij, dat zij Christus toebehoren, dat Hij werkelijk hun enige en volkomen zaligmaker is. En dat geeft hun zoveel vrijheid en vrijmoedigheid en blijde zekerheid, dat zij onverschrokken erop uit gaan om aan allen die ene Naam, die onder de hemel gegeven is tot behoudenis, te verkondigen.
Dat is de enorme stroomversnelling, die op Pinksteren plaatsvindt. En ook in dit opzicht is Pinksteren een doorgaand gebeuren. Want de Heilige Geest maakt een geschiedenis met het volk des Heren. Het begin van zijn werk kan zo klein zijn, zo weinig opvallend. Niet alleen voor de buitenstaander, maar ook voor de persoon in kwestie. Maar er is een steeds krachtiger wordende voortgang in zijn werk. Zijn ontdekkend werk wordt steeds krachtiger. Hij doet ons onze zonden steeds dieper verstaan. Hij ontdekt ons ook aan de noodzakelijkheid en aan de aantrekkelijkheid van Christus. Hij doet ons met onze zonden uitgaan tot Hem. En Hij geeft ons ook de vrijmoedigheid om al onze zonden voor Christus neer te leggen. Om ze aan Hem te belijden, maar om dan ook te mogen gaan weten, dat zijn bloed ons van al die zonden reinigt. En dat niet alleen. Maar de Geest doet ons in Christus de Vader zien, zodat wij leren roepen: Abba, Vader. De Geest geeft ons de kinderlijke vreze in ons hart, die ons in ootmoed en in vertrouwen doet wandelen met de Heere. De Geest geeft ons de vreugde van de dienst des Heren te ervaren. En deze Geest geeft ons ook de wijsheid en de liefde en de vrijmoedigheid om getuigen van Christus te zijn in deze wereld. De vrucht des Geestes, zoals Paulus ons beschrijft in Galaten 5, komt dan in ons leven openbaar, al is het nog zo gebrekkig. En ook gaven van de Geest worden ons deelachtig (1 Cor. 12). Dat is ook Pinksteren als een voortgaand gebeuren. En weer denk ik dan vooral aan de prediking, waarin ook al deze aspecten niet onbesproken mogen blijven. Want de Geest wil ook in dit opzicht de prediking van het Woord gebruiken tot geestelijke opbouw van de gemeente.
En nu tenslotte. Wat wij boven bespraken, klinkt nog al wat individualistisch. Toch is het zo niet bedoeld. Want de Geest werkt wel uiterst persoonlijk, maar nooit individualistisch. Nee, Pinksteren zegt ons, dat de discipelen eendrachtig bijeen waren. Zo en toen werd de Geest uitgestort en hij vervulde hen allen. De Geest is door Christus aan Zijn gemeente geschonken. Daarom werkt de Geest in de gemeente, tot nu toe. Door het Woord en door de sacramenten. Maar de vraag is wel, of wij van die gemeente een levend lidmaat zijn. Dat wil zeggen, of ook wij, levend in de gemeente, op een persoonlijke wijze ervaren, dat Pinksteren inderdaad ook een doorgaand gebeuren is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's