De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Luthers opvatting over de staat I

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Luthers opvatting over de staat I

Luthers leer van de twee regimenten

7 minuten leestijd

In 1523 schreef Luther zijn verhandeling: Von weltlicher Obrigkeit wieweit man ihr gehorsam schuldig sei. (Van de wereldlijke overheid, hoeverre men haar gehoorzaamheid verschuldigd is). Hij schreef deze verhandeling vóór de eigenlijke boerenopstand uitbrak, maar wel stond het geschrift al voor een groot deel in het teken van de oproerige bewegingen van zijn tijd. De eigenlijke aanleiding was echter de vervolging van diegenen, die zich aan het Roomse juk onttrokken hadden door de Roomse vorsten. Tegen de vorsten was derhalve dit geschrift gericht, en het was speciaal opgedragen aan Johan, Hertog van Saksen.

Bijbelse fundering van Luthers staatsopvatting

Romeinen 13 : 1 vormt voor Luther de hechte grondslag voor de begrippen wereldlijke macht en wereldlijk zwaard: en ieder zij de machten over hem gesteld onderdanig, want er is geen macht dan van God en de machten die er zijn, zijn van God verordineerd, alzo dat wie zich tegen deze macht stelt, de ordinantie Gods wederstaat, en wié ze wederstaan, zullen over zichzelf een oordeel halen. En ook 1 Petrus 2 : 13: eest dan alle menselijke ordening onderdanig om des Heeren wil, hetzij de koning als de opperste macht hebbende, hetzij de stadhouders als die door hem gezonden worden tot straf wel der kwaaddoeners, maar tot prijs dergenen die goed doen. Door het gehele Oude Testament heen blijkt dat aan de overheid de wraak is opgedragen, daarom draagt zij het zwaard.

Daartegenover stelt Luther echter het Woord van Christus uit Mattheüs 5 : 38: Gij hebt gehoord dat gezegd is: og om oog en tand om tand. Maar ik zeg u dat gij de boze niet wederstaat, maar zo wie u op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe, en zo iemand met u rechten wil en uw rok nemen, laat hem ook de mantel. En zo wie u zal dwingen één mijl te gaan, ga met hem twee mijlen. En Romeinen 12:9: Wreekt uzelf niet beminden, maar geeft de toom plaats, want er is geschreven, mij komt de wrake toe, ik zal het vergelden spreekt de Heere; en Mattheüs 5 : 47: ebt uw vijanden lief en doet wèl degenen die u haten; en 1 Petrus 3:9: Vergeld niet kwaad voor kwaad, of schelden voor schelden, maar zegent daarentegen wetende dat gij geroepen zijt opdat gij zegening zoudt beërven. Persoonlijke wraakoefening is de Christenen derhalve niet toegestaan.

Twee groepen van mensen

Luther verdeelt dan de mensheid in twee groepen, de befaamde 2 regimenten, na­melijk dat deel dat behoort tot het Rijk Gods — hiertoe behoren allen die waarachtig in Christus geloven — en dat deel dat behoort tot het rijk der wereld, respectievelijk het geestelijk en het wereldlijk regiment. Hij baseert dit op Schriftplaatsen waar het rijk Gods uitdrukkelijk tegenover het rijk der wereld wordt geplaatst zoals Joh. 18 : 36, Mattheüs 6:33.

Nu hebben, zo stelt Luther, de echte Christenen geen wereldlijk zwaard of wereldlijke overheid nodig. En als de gehele wereld uit goede Christenen bestond, dan zouden in het geheel geen overheden nodig zijn. De Christenen doen uit zichzelf namelijk veel meer dan alle rechten en leringen kunnen eisen. Maar de onrechtvaardigen hebben niets rechtvaardigs. Daarom hebben zij het recht nodig dat hun lere, dringe en dwinge om goed te doen. Tegen een goede boom behoeft men niet te zeggen dat hij goede vruchten moet dragen, dat doet hij uit zichzelf wel.

Nu is het intussen zo dat er in de wereld slechts enkele Christenen zijn, het merendeel der mensen is geen Christen en voor, diegenen heeft God de wereldlijke overheid ingesteld. Luther zegt dat letterlijk zo: Want als dat wereldlijke zwaard niet bestond, nademaal de gehele wereld slecht en onder duizenden nauwelijks één echte Christen is, zou de één de ander verslinden, zodat niemand vrouw en kinderen zou overhouden, zichzelf zou kunnen voeden of God zou kunnen dienen, waardoor de gehele wereld tot een woestijn zou worden. Daarom heeft God twee soorten van bestuur ingesteld, het geestelijke dat door de Heilige Geest Christenen en vrome lieden maakt, en het wereldlijke dat de niet Christenen en slechten in toom houdt, opdat zij naar het uiterlijke vrede bewaren en zichzelf stil moeten houden tegen wil en dank. Zo zegt Paulus in Rom. 13: niet voor de goede werken maar voor de kwade zijn de overheden te vrezen. Als er geen wereldlijke overheid zijn zou dan zouden de slechte mensen onder de Christennaam de Evangelische vrijheid misbruiken, hun schurkerij bedrijven en zeggen dat ze Christen waren en aan geen wet of zwaard onderworpen. Zijn conclusie is dan: zie eerst dat ge de wereld vol echte Christenen krijgt voordat gij haar volgens het Christendom er het Evangelie regeert. Dat zal u echter nooit gelukken, want de wereld en de grote menigte blijft onchristelijk, ook al is iedereen gedoopt en ook al draagt ieder de Christennaam. Daarom kan het nooit gebeuren dat een Christelijk bestuur algemeen wordt in de wereld, zelfs niet in een bepaald land. Het aan te durven een geheel land met het evangelie te regeren is hetzelfde als wanneer een herder in één stal wolven, leeuwen, arenden en schapen bijeen deed. De schapen zouden vrede houden maar niet lang leven. 'Het is dus nodig dat er in de wereld 2 regeringen blijven, de geestelijke regering van Christus die niet over alle mensen gaat, en de wereldlijke regering van de wereldlijke overheid die dient om de vrede onder de boze wereld te bewaren. Een Christen zal niets anders doen in opdracht van de Schrift (Rom. 13 : 1 en 1 Petr. 2 : 13) dan alles in het werk te stellen om de orde te bevorderen, door zich aan de overheid te onderwerpen en haar te steunen. En de gehele instelling die een Christen daarbij moet hebben is dat hij dit doet tot voordeel van anderen, niet van zichzelf.

Assa von Kram vroeg in 1526 aan Luther of een soldaat zalig kan worden. Mag een Christen dan zelf het overheidszwaard dragen? 'Ja', zegt Luther, ’want dat is een werk dat gij zelf niet nodig hebt, maar dart voor de gehele wereld en voor de naaste nuttig en nodig is. Daarom wanneer gij zoudt zien dat er gebrek was aan beulen, rakkers en rechters, en zoudt u er toe bekwaam achten, dan moet gij er u voor aanbieden, want de wereld kan het wereldlijk zwaard niet missen. Voor u zelf moet ge u dan echter aan Christus' woord houden, dat gij gaarne ook de slag op de andere wang verdraagt. Zo gaan dan deze beide heel goed samen dat gij tegelijkertijd aan het Godsrijk en aan het rijk der wereld voldoet, tegelijkertijd kwaad en onrecht verdraagt en kwaad en onrecht straft, tegelijkertijd de boze niet wederstaal en toch wederstaat. Dat ook het Evangelie de Christen toestaat het zwaard te dragen blijkt als Johannes tegen de soldaten zegt: vergenoegt u met uw soldij. En als het onchristelijk was geweest het zwaard te dragen, dan zou hij ze daarvoor gestraft hebben en bevolen hebben dat ze soldij en zwaard moeten laten varen. Ook Petrus beval Cornelius niet zijn ambt in de steek te laten. Zo is het ook gesteld met de kamerling, met Paulus Sergius, landvoogd van Cyprus (Hand. 13 : 7). Bovendien is volgens Rom. 13 : 4, de overheid door God ingesteld. Waarom zou de Christen er dan geen deel van mogen uitmaken? De overheid is Gods dienares, d.w.z. de overheid heeft van nature een zodanige geaardheid dat men er God mee dienen kan, en wie past het meer God te dienen dan een Christen? Hoewel het dus een Christen niet verboden is deel uit te maken van de overheid, is het hem anderzijds ook niet geboden.’

De vraag kan worden gesteld, aldus Luther, waarom de apostelen dan geen overheidsambt hebben bekleed (een irreële vraag gezien als we denken aan het machtige Imperium Romanum). Luther geeft dan ten antwoord dat Paulus ook niet gehuwd is geweest, of schoenmaker of kleermaker is geworden. Als we ons op dat standpunt stellen blijven er voor de Christen ook niet veel beroepen over, zo luidt zijn antwoord op die vraag.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 mei 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Luthers opvatting over de staat I

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 mei 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's