Uit de pers
Onbehagen in het maatschappelijk leven
Een aantal maanden geleden heeft een werkgroep van industriepredikanten en bedrijfsaalmoezeniers zich met een open brief gericht tot allen die zich verantwoordelijk weten voor de menswaardigheid in het maatschappelijk leven. In het februarinummer van de 'Gids-personeelsbeleid' gaat de heer H. F. W. Bantje critisch in op deze open brief in een artikel, getiteld: 'De Geestelijkheid mengt zich in het koor'. Hij meent het feit te kunnen aanwijzen dat ondanks de verbetering van de positie van de werknemer (sociale wetten, rechtspositie, inspraak etc.) de werkgevers toch altijd weer aangeklaagd worden als degenen die voor allerlei misstanden verantwoordelijk zijn. Ook de teneur van de open brief gaat z.i. in deze richting. Waarop berust dan de bezorgdheid van de open-briefschrijvers. De heer Bantje noemt de volgende punten:
Waarop berust nu de bezorgdheid van de openbriefschrijvers?
a. Gebrek aan mogelijkheden om eigen initiatief en verantwoordelijkheid te ontplooien; symptomen daarvan zijn toenemend ziekteverzuim, ongeïnteresseerdheid en het zich alleen door geldelijke beloning laten motiveren;
b. wantrouwen jegens leidinggevenden, ondergeschikten en collega's, terwijl allerlei maatregelen door gebrek aan communicatie bij voorbaat als verdacht worden beschouwd;
c. apathie en gevoelens van machteloosheid;
d. economische en technische overwegingen geven altijd de doorslag en mensen zijn, als het erop aankomt, alleen kostenfactor en sluitpost;
e. men wordt als medewerker niet serieus genomen; naarmate men lager op de ladder staat heeft men minder aanzien en betekenis; alleen officiële deskundigheid (met universitaire graden en titels) telt mee;
f. men ervaart dat overleg in de ondernemingsraden niet veel uithaalt;
g. jongeren hebben het gevoel voornamelijk te worden beoordeeld op hun produktiviteit op korte termijn; het promotie-en beloningsbeleid wordt ervaren als onoverzichtelijk, willekeurig en alleen gericht op prestatie, terwijl de beoordeling buiten de mensen zelf omgaat;
h. bij fusies en reorganisaties hebben de mensen — tot de managers toe — doorgaans het gevoel dat zij als koopwaar worden behandeld;
i. ook hoge functionarissen zijn veelal bang om wezenlijke menselijke zaken aan de orde te stellen;
j. op leidinggevend niveau leeft nogal eens de overtuiging dat de meeste werknemers geen verdergaande verantwoordelijkheid willen dragen of aankunnen en dat zij verantwoordelijkheid dikwijls naar boven afschuiven.
'uit alles blijkt dat heel veel mensen zich buitengesloten voelen, zonder invloed, niet erkend, onmachtig. Hun mens-zijn wordt onrecht aangedaan.' De remedie, die de brief aangeeft, is dat vastgeroeste structuren opengebroken zullen moeten worden en vooral de mentaliteit van alle betrokkenen grondig zal moeten veranderen. Men zal bereid moeten zijn eigen belangen, ook financiële en economische, ondergeschikt te maken aan een menswaardige toekomst. Dit over de inhoud van de brief.
De heer Bantje meent op grond van jarenlange ervaring in het personeelsbeleid, dat dit een onjuist beeld geeft van de situatie in het bedrijfsleven. De brief is veel te negatief ingesteld en doet onrecht aan al die bedrijven waar een goed personeelsbeleid gevoerd wordt. Belangrijker is evenwel dat de schrijver van het artikel in de Gids ook probeert de achtergronden van het onbehagen in het maatschappelijk leven aan te geven. Gevoelens van onbehagen komen immers niet alleen in het bedrijfsleven voor, maar in alle geledingen in onze samenleving. Het is eenzijdig en onjuist hier de bedrijfssituatie in het algemeen tot zondebok te maken. De heer Bantje schrijft in dit verband:
In ons vorige artikel: 'Ik zie het niet meer' hebben we ons met dit verschijnsel bezig gehouden in het gezin, in de kerk, in de politiek en in het bedrijf. Wie is in de eerste plaats verantwoordelijk voor de menswaardigheid? Dat is de mens zelf voor zijn eigen menswaardigheid. Het komt ons voor als water naar de zee dragen als we theologen voorhouden dat de mens niet bij brood alleen zal leven. Hij zal ook niet bij zijn auto alleen leven en ook niet bij sex alleen.
De oude kreet van de Romeinen: 'Geef ons brood en spelen' is in onze dagen krachtig herleefd. De grote oorzaak van alle trieste verschijnselen in onze samenleving is de normloosheid. Men heeft niets meer om zich aan vast te houden. Geen beginsel, geen ideaal. In de stroomversnelling van de verandering in onze maatschappij is men ze kwijtgeraakt, het kruis en de rode vaan. Alles wat de mens uittilde boven zichzelf wordt verguisd. Hij wordt overspoeld door een golf van materialisme, genotzucht, sex, wreedheid en geweld. Hij lijdt aan een ondervoede geest. Daardoor heeft hij geen weerstand meer en is negatief geworden. Het is onbegrijpelijk dat de schrijvers van de open brief menen dat oorzaak en oplossing van een zo algemeen verschijnsel in het bedrijfsleven te vinden zijn.
Taak onderneming
Wat precies verstaan moet worden onder het ondergeschikt maken van eigen belangen, ook financiële en economische, aan een menswaardige toetoekomst, is niet helemaal duidelijk. Eén van de belangrijkste sociale taken van de onderneming — zo niet de belangrijkste — is economisch gezond te blijven en daardoor werk en inkomen te verschaffen. Juist in deze dagen kunnen we zien wat er gaat gebeuren als ondernemingen niet langer economisch gezond zijn.
Verwarring
In deze tijd moeten we vaak denken aan de torenbouw van Babel, waar men ook te veel wilde nl. een toren bouwen, die tot in de hemel reikte. Die ijdele poging werd verstoord door een spraakverwarring. Nu, die kennen we hier ook. Ieder spreekt een eigen taal, die door de ander niet verstaan wordt, voorzover hij er althans naar luistert! Het zijn de theologen (die elkaar bovendien onderling niet verstaan), de economen, de technici, de medici, de pedagogen, de psychologen, de psychiaters, de agogen, de sociologen en de antropologen en ga maar door.
Welke boodschap hebben nu de theologen voor de arme mens in dit verwarde Babel?
Vastgeroeste structuren openbreken. Mentaliteit veranderen. Economie ondergeschikt maken aan een menswaardige toekomst.
Zijn ze in het algemene tumult vergeten dat ooit iemand gezegd heeft: 'Komt tot mij en ik zal u rust geven’?
Het vraagstuk van de verhouding van persoon en structuur blijft ons op allerlei wijze bezighouden. En daarmee verbonden de ingewikkelde vragen inzake persoonlijke bekering en structurele veranderingen. Ook in het onderhavige artikel komen deze vragen om de hoek kijken. Ons blad leent er zich niet voor de economische aspecten van het in de open brief aangeroerde vraagstuk te behandelen. In hoeverre de door de heer Bantje gesignaleerde eenzijdigheid inderdaad onjuist is, is voor een buitenstaander moeilijk te beoordelen. Daarvoor zijn de vragen in het bedrijfsleven te ingewikkeld. Maar de remedie die de brief aangeeft is inderdaad bijzonder mager en komt niet verder dan de vandaag veelgehoorde kreet van openbreken van structuren en mentaliteitsverandering. Op dit punt is het goed nogmaals te herinneren aan het Getuigenis, dat de structuren niet in bescherming neemt, maar wel de prioriteit van de persoonlijke bekering aanwijst. Ik meen dat de summiere schets van de crisis in onze samenleving zoals de heer Bantje die aanwijst, ook in deze richting tendeert: De bekering tot Jezus Christus, Die de Redder en Verlosser is van het totale leven uit de diepste ellende waaraan mens en samenleving lijden. De schrijver wijst hier in het slot van zijn artikel met zoveel woorden op. Vandaar dat we met dankbaarheid een gedeelte van dit artikel aan u doorgaven, omdat hetgeen erin aan de orde wordt gesteld niet slechts het bedrijfsleven raakt, maar ons allen erbij betrekt.
Prof. dr. J. N. Bakhuizen van den Brink over het Getuigenis
Op de predikantenvergadering der Hervormde kerk is in een forumdiscussie het Getuigenis aan de orde geweest. Er waren nogal wat critische stemmen; ook het forum zelf was zodanig samengesteld dat geen van de opstellers er zitting in had. Ter vergadering heeft prof. Bakhuizen van den Brink, een van de eerste ondertekenaars, op klare wijze uiteengezet waarom hij het Getuigenis mede-ondertekend had. Het door hem gesprokene is in enkele bladen opgenomen. Graag willen we dit overnemen, opdat onze lezers kennis kunnen nemen van dit goede, en bezonken woord, dat naar de verslagen meedeelden, toch wel grote indruk maakte op de predikantenvergadering. Wij citeren uit Woord en Dienst van 6 mei:
Het Getuigenis heeft misverstand en ergernis gewekt, er is pretentie aan verweten. We weten echter ook, dat het door anderen met erkentelijkheid is ontvangen en hen in hun geloofs- en denkstrijd heeft bemoedigd.
Het heeft de harmonie in de Hervormde Kerk niet versterkt en niet bijgedragen tot het bevorderen van de eenheid in de zin van Hand. 4 : 32 in ons deel van de Kerk van Christus. De eensgezindheid van gevoelen (Rom. 15:5) ontbreekt ons, nu misschien zelfs meer dan te voren. Dit is te meer te betreuren omdat het de stromingen, die hier tegen elkaar ingaan, alle te doen is om de Heer der Kerk beter te kunnen dienen. Tot nu toe is de openlijke toelichting en verdediging van het Getuigenis grotendeels slechts door enkelen van de opstellers gevoerd, ofschoon de overige opstellers allen dezelfde verantwoordelijkheid dragen. Deze wordt ook gedeeld door de eerste groep van degenen, die hun adhaesie hebben betuigd, maar met een zekere marge, omdat zij geen opstellers zijn geweest. Ik stel er prijs op om hier coram zovele Verbi divini ministris te mogen verklaren, dat mijn adhaesie volledig is ten aanzien van de positieve confessionele punten van het Getuigenis. Zekere kritiek en bepaalde zegswijzen in het Getuigenis, waarvan men reeds te voren kon zien aankomen dat, en hoe er op gereageerd zou worden, hebben mij niet weerhouden mijn instemming te betuigen. Wat het zwaarst is moet het zwaarst wegen. De door de forumleden uitgebrachte, veelal uitstekende kritiek geeft er blijk van, dat een belangrijk deel van de bezwaren uit de vorm van het Getuigenis voortkomt. Er wordt door het Getuigenis zijnerzijds kritiek geleverd op hen, die hetzij in, hetzij buiten de Kerk, felle kritiek leveren op haar geloofs- en levensvormen. Ik meen dat wij niet in een tijd leven die bepaald eist, dat wij elkaar slechts met handschoentjes mogen aanpakken. Ook de Christelijke liefde, zegt Erasmus en u weet, dat hij zeer humaan was, heeft haar harde woorden. Het is niet mijn bedoeling thans in de polemiek te treden, daar is trouwens geen tijd voor. Ik wil alleen iets over de misverstanden zeggen en daar nog een persoonlijk getuigenis aan toevoegen. Het Getuigenis heeft wel een krachtig waarschuwende stem laten horen, maar is niet de weg van de inquisitie opgegaan. Het zoekt het wel in de leer, maar niet in de leerstelligheid; en in de leer in existentiële zin. Het protesteert objectief tegen de minachting voor de gewone eredienst, het bestrijdt een Christelijke praktijk, die van onverdiende genade niet meer wil weten en deze voor goedkoop uitmaakt, het tekent verzet aan tegen een verzoeningsbegrip, dat zich beperkt tot de verhouding van mens tot mens of van volk tot volk, en tegen een Christologie, die het kruis, zoals het in 1 Cor. 2 : 2 beleden wordt, verkleint tot een symbool van menselijk leed en werelds onrecht. Het Getuigenis keert zich tegen een prediking volgens welke wij Christus tot opstanding moeten brengen door onze activiteit en het verwerpt de ideologisering van het Christelijk geloof voor zover deze het geloof laat samenvallen met de ideologie van de revolutie, en in verband hiermee verzet het Getuigenis zich tegen een zondeleer, die de bron der zonde allereerst zoekt in de politieke en maatschappelijke structuren — een inzicht dat zoeven ook vanuit het forum verworpen is. Ik zei, dat het Getuigenis niet aan inquisitie doet; het waarschuwt, maar beschuldigt niemand persoonlijk. Daarmee stelt het ons dan voor de vraag of wij er voldoende zeker van zijn, dat wij — theologisch denkende — niet in de verworpen, genoemde beginselen dreigen verzeild te raken. Wie hier subjectief zeker van is, zal zich door het Getuigenis dan ook niet aangevallen voelen en zal willen deelnemen aan de theologische discussie, die het heeft willen uitlokken en tot nu toe, naar mijn mening, geen hoog peil heeft bereikt. Misverstand, vooroordeel en ongerechtvaardigde verdachtmaking zijn daar veelal schuld aan geweest. Maar het kan zeer goed anders. Het Getuigenis is een positieve en niet een negatieve zaak. Positief nodigt het ons om een ingrijpende correctie aan te brengen in de praktijk van de weg, waarop Kerk en Christenen, ten onzent zowel als over de grenzen, zich bevinden. Wij hebben veel meer aandacht voor innerlijk leven, voor de verborgen omgang van Psalm 25, nodig dan waartoe de rationeel-kritische activiteiten van deze tijd ons de gelegenheid laten. In ons aller leven en op ieder gebied pleegt het een het ander te verdringen. Het is pure zelfoverschatting om te vertrouwen dat het evenwicht niet verstoord is en dat wij zelf innerlijk niet lijden onder een tekort aan geestelijke bezinning. In elk geval lijden veel gemeenteleden er zwaar onder, dat de kerk en haar prediking hen hierin te weinig helpen. Theoloog of 'leek', wij hebben geloofsbezinning nodig als brood, en wij weten nu langzamerhand ook wel, hoe de gemeente hiernaar verlangt en tegelijk, hoe moeilijk zij het vindt. Dat het Woord is vlees geworden, dat het Lam Gods de zonde der wereld wegneemt, dat in Hem onze verzoening bij God rust en dat Hij onze vrede is, zijn aspecten van het Evangelie, waarvan de overdenking even veeleisend als onmisbaar voor de Kerk en iedere gelovige is. Door nog verder te seculariseren maken wij het ons steeds moeilijker en neemt de vervreemding van het Evangelie toe zonder dat wij merken, dat er ook maar iets wordt opgebouwd. De weg naar het Koninkrijk Gods is aanzienlijk minder direct en ligt veel minder bloot dan velen, die in de grond der zaak wel medearbeiders Gods zouden willen zijn, zich realiseren. Augustinus zegt van het menselijk geslacht, dat het onderling uitermate verdeeld is door de zonde terwijl het van nature volkomen sociaal, op elkaar aangewezen, is (nihil enim est quam hoc genus tam discordium vitio, tam sociale natura. De civitate Dei XII, 28). Brengen wij dit over op de Kerk van Christus, op onze Hervormde Kerk, dan voelen wij ons wel beschaamd indien het Getuigenis ons tot toenemende discordia zou brengen. Op grond van hetgeen wij hedenmiddag van de zijde van het forum hebben gehoord, heb ik echter vol vertrouwen dat een opbouwend gesprek reeds begonnen is en ons veel verder zal kunnen brengen.
Stemmen over het visitatierapport
Het mei-nummer van het (in nieuw gewaad gestoken en voortreffelijk geredigeerde) blad 'Wapenveld' besteedt uitvoerig aandacht aan het rapport van de visitatoren-generaal over het geestelijk leven in de Hervormde Kerk. Nadat drs. B. J. Wiegeraad enkele achtergronden heeft aangewezen, o.m. de vraag heeft gesteld of de hervormde kerk in belijden en apostolaat niet te zeer zich heeft laten verleiden door allerlei nieuwe denkbeelden en daardoor geestelijk in de kou is komen te staan, komen vijftien vooraanstaande figuren uit het kerkelijk en maatschappelijk leven aan het woord om antwoord te geven op de vraag: Hoe nu verder? Dr. W. Aalders meent, dat de kerk duidelijk zal hebben te kiezen tussen de weg die de secularisatietheologen haar wijzen (een werelds christendom) en de weg van de terugkeer tot de religie, het heilgeheim van de openbaring Gods. Prof. dr. H. Berkhof is van oordeel, dat de kerkeraad in een proces van zelfcritiek en heroriëntatie zich opnieuw van zijn verantwoordelijkheid bewust moet worden. Ds. W. Glashouwer wijst op de betekenis van het gemeente-reveil, de ontmoeting rondom de Bijbel in de plaatselijke gemeente. Drs. G. van Leyenhorst acht bekering van hoofd en hart nodig, en noemt vooral de betekenis van het gebed.
Ds. J. Overduin stelt critische vragen ten aanzien van de prediking der kerk. Weten we werkelijk wat de boodschap en haar inhoud is? Kom ik aan het woord over God of komt God aan het woord door mij? Ook de kerk die luistert wordt geroepen tot verantwoordelijkheid: Zie toe, hoe gij hoort! Kerkherstel is een voluit geestelijke zaak. Maar er zijn ook de geëigende kanalen nodig, om het water des levens te leiden.
Ds. A. A. Spijkerboer formuleert zijn antwoord als volgt: De zondagmorgendienst moet de gemeente helpen om in de navolging van Jezus Christus te leven. In zijn verbinding van zondag en werkweek (eredienst en geloven op maandag), van leer en leven, een zin om lang over na te denken. Duidelijk blijkt uit al deze vijftien stemmen, waarvan we hier enkele memoreerden, dat de geestelijke crisis alleen overwonnen kan worden wanneer de kerk weer waarlijk luistert naar en leeft uit de Schriften die van Christus getuigen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 1972
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 1972
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's