Nicolaus Barenzonius en zijn ’Ziele des Euangeliums’
Minder bekende oude schrijvers I
Een predikant te Goes
In 1660 verscheen te Dordrecht bij Gillis Neering een boek geschreven door een predikant te Goes, Nicolaus Barenzonius van wie men over het algemeen niet veel meer weet dan dat hij in die stad enige tijd de collega is geweest van de zoveel beter bekende Herman Witsius. Er is evenwel een boek door hem geschreven dat enig licht werpt op de man en zijn gedachten. De volledige titel van dit boek luidt: 'De Ziele des Euangeliums. Ofte de levendighmakende kracht Christi in den Euangelio'.
Keren wij eerst even terug naar Goes dan constateren wij dat Barenzonius daar vele jaren gestaan heeft, ongeveer 36 jaren, van 1643 tot 1679. Witsius was slechts gedurende twee jaren zijn collega, hij stond te Goes van 1666 tot 1668. Er stonden in die tijd nog twee andere predikanten in Goes, in totaal dus vier. De onderlinge verhouding schijnt niets te wensen hebben overgelaten (dr. J. van Genderen: Herman Witsius, 's-Gravenhage 1953, blz. 29). Er was sprake van een 'viervoudigh snoer' dat niet licht kan worden verbroken. Gezamenlijk trok men op naar Gods huis; waar men ook elkaars preken bijwoonde; tegenstrijdigheden waren er niet.
Vooral Witsius en Barenzonius waren vertegenwoordigers van de Nadere Refotmatie, Barenzonius in ieder geval ook naar zijn piëtistische kant. Zij werden dan ook soms in één adem genoemd. Wanneer ongeveer 25 jaren later in dezelfde stad Goes Smytegelt predikant is, zeggen de ouderen in de gemeente dat de dagen van Barenzonius en Witsius zijn teruggekeerd (dr. M. J. A. de Vrijer: Bernardus Srnytegelt, Amsterdam 1957 blz. 27).
Barenzonius’ boek is opgedragen aan Geeraart van der Nisse en Johan de Jager, in die tijd burgemeesters te Goes, aan Baudewijn Drywegen een oud-burgemeester te Goes en aan Hieronymus van der Straten een dijkgraaf van Zuid-Beveland. In deze Opdracht gewaagt hij van spanningen en moeilijkheden waaraan de stad onderworpen was geweest. Het schijnt er nogal roerig te zijn geweest want Barenzonius spreekt van 'droeve veranderingen ende elendige verwerringen' en wat verderop van een 'smertelicke wonde'. Gelukkig lagen in 1660 deze moeilijke toestanden achter de rug, de goede God had de 'genesinge' van deze wond 'doen rijsen'. De wens van Barenzonius was dat de Heelmeester in Israel stad en kerk nog meer zou genezen. Hijzelf schijnt ook op de een of andere wijze bij de troebelen betrokken te zijn geweest; hij vergelijkt zichzelf namelijk bij de duif van Noach, die weer in de ark was teruggekeerd. Nu 'Vrede ende Eendracht in dese Stadt ende Gemeente' zijn teruggekeerd 'nae sooveel onstuymige woelingen ende sware onheylen' voelde hij zich geroepen dit boekje in druk uit te geven en het op te dragen aan de bestuurders van de stad maar tegelijk ook aan zijn medebroeders in het ambt.
Wet en Evangelie
De belangrijkste thema's die in Barenzonius' boek aan de orde komen zijn die van de verhouding van Wet en Evangelie, de verhouding van Woord en Geest en de verhouding van rechtvaardiging en heiliging.
Reeds de tekst die hij in dit tractaat behandelt heeft Barenzonius gedwongen uitvoerig stil te staan bij het onderscheid dat er is tussen de Wet en het Evangelie. Die tekst is 2 Corinthiërs 3 : 17 'De Heere nu is de Geest; en waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid'. Onder het woord 'Geest' verstaat Barenzonius hier niet de Heilige Geest, hij vat het woord meer op in de zin van 'ziel'. Hij beweegt zich hierbij in de lijn van de exegese die men ook vindt bij de kanttekenaren van de Statenbijbel, hoewel die voor meer mogelijkheden ruimte laten en ook niet met zoveel nadruk zeggen dat hier niét de Heilige Geest is bedoeld.
Het is Barenzonius niet ontgaan dat door Paulus in de contekst een scherp onderscheid gemaakt wordt tussen de Wet en het Evangelie. Zij worden door hem tegenover elkaar gesteld als letter en Geest (vs. 6). Terwijl het Evangelie een 'bediening des Geestes' wordt genoemd (vs. 8) wordt de Wet een 'bediening des doods' genoemd (vs 7) of ook een 'bediening der verdoemenis' (vs 9).
Toch vervaagt dit onderscheid, deze tegenstelling wel enigszins bij Barenzonius wanneer hij er heel sterk de nadruk op legt dat ook het Evangelie op zichzelf genomen een dode letter is, evengoed als de Wet. Woord en Geest worden bij hem zeker niet gescheiden maar toch wel tamelijk losgemaakt van elkaar, meer — naar ons gevoelen — dan bij Paulus het geval is.
Christus, zegt Barenzonius, is de Ziel van het Evangelie (titel van het boek). Hij is het die aan de bediening van het Evangelie leven en wezen geeft. Gebeurt dat niet dan blijft het Evangelie krachteloos. Blijft er dan in feite echter nog wel verschil over tussen de Wet en het Evangelie? Immers, beide zijn zonder Christus dode letters! Toch wel, zegt Barenzonius, want de Wet is niet alleen een dode letter maar bovendien ook een dodende letter. Dat alles is de Wet in 'hare eygene natuerlicke werckinge'. Het Evangelie daarentegen is 'in syne eygene natuere een bedieninge des levens'. Maar, zoals reeds werd gezegd, Christus moet door zijn Geest beide levend maken en bekrachtigen want anders doen zij niets.
Uit alles blijkt dat Barenzonius diep over de zaak heeft nagedacht, wat — zoals wij nog horen zullen — niet zonder betekenis is gebleven voor zijn prediking en pastoraat.
Wordt een mens tot Christus gedreven, zegt hij, dan geschiedt dat eigenlijk niet door de Wet maar door het Evangelie. De Wet kan namelijk niet anders dan vervloeken en verdoemen. Alleen het Evangelie kan de mens brengen tot Christus.
Intussen kan echter niet ontkend worden dat in de Schrift de Wet een tuchtmeester tot Christus wordt genoemd. Barenzonius heeft dit beaamd, evenwel er een bepaalde verklaring aan gegeven. Hij maakt onderscheid tussen het eigenlijke en het oneigenlijke werk der Wet, een onderscheid dat ons vanuit Luther niet geheel vreemd in de oren klinkt, al willen wij daarmee niet beweren dat Barenzonius het aan Luther ontleend heeft.
Wet en Evangelie gaan, zoals Barenzonius zegt, steeds samen op. Zij steunen, helpen en bevorderen elkaar. Al is het het eigenlijke werk van de Wet de zondaar te verdoemen, het Evangelie brengt haar tot het oneigenlijke werk de zondaar te brengen tot Christus. Niet alleen wordt de Wet door het Evangelie van een dode letter veranderd in een levende, maar zelfs wordt zij 'Levendigh-makend'. Christus maakt haar via het Evangelie tot een 'oorsaecke des levens'. Naar haar aard heeft de Wet een 'moort-wapen' in de hand, maar Christus neemt het haar af, Hij verandert zelfs haar hele natuur, De Wet zonder het Evangelie leidt tot werkheiligheid, gelijk bij de Joden, die zoals Paulus schrijft in dit hoofdstuk een deksel hebben op hun hart. En wordt de Wet levend gemaakt en bekrachtigt zonder dat het Evangelie er bij komt dan leidt zij tot wanhoop. Het is nodig dat Wet èn Evangelie samen op gaan in het bekeren en leiden van zondaren.
Over de prediking
Fel keert zich Barenzonius tegen een prediking van de Wet zónder het Evangelie, gelijk die blijkbaar ook in die tijd voorkwam.
In de prediking moet zeker ook van de Wet gebruik gemaakt worden maar 'op een rechtmatige Euangelische wijse' en 'tot Euangelische eynden'. Zelfs goddelozen mag men niet alleen maar hun zonden en verdoemenis preken, men moet hen tegelijk voorhouden dat er een Heere is 'die hun van de doot ende vloeck der Wet kan verlossen'. Zonder meer verkeerd doen zij die 'de Wet sonder het Euangelium' bedienen.
Barenzonius kende collega's die het Evangelie niet wilden 'toedienen voor datse oordeelen dat het herte eerst recht verslagen en verbrijzelt is door de Wet'. Hij geeft toe dat hun bedoeling stellig heilig en goed is maar toch is het een 'groot misslach'. Want de Wet kan 'geen heylsaem werck maken sonder het Euangelium'. De Wet kan wel het hart van de zondaar verschrikken en tot wanhoop brengen maar niet het hart 'versachten' en de verslagenheid heiligen. Op de vraag of dan soms het Evangelie ook bediend mag worden aan ergerlijke zondaren is zijn antwoord dat het bediend moet worden aan alle mensen. Alleen, dat betekent niet dat men ze goedkoop met het Evangelie mag troosten, maar men mag ze nodigen om met berouw over hun zonden tot Christus te gaan. Een andere vraag die hij had te beantwoorden was of het niet beter en heilzamer was toch eerst de Wet enige tijd bij de mensen te laten doorwerken, eer men komt met het Evangelie. Niet alle gevallen zijn gelijk, zegt Barenzonius en dan geeft hij een paar regels die niet zozeer voor de prediking gelden als wel voor het persoonlijke pastoraat. Ligt iemand ziek en is hij in gevaar of zijn leven of zijn verstand te verliezen, dan zal men 'beneffens de bewerckinge der Wet oock terstont het Euangelium (moeten) toedienen, al heeft de Wet noch de minste werckinge op haer herte niet gedaen'. Immers wij kunnen niet weten of de Wet haar werk gaat doen, terwijl er dan geen tijd meer is om het Evangelie te bedienen. Bij gezonde mensen ligt het wat anders. Ook al is er maar énige verslagenheid dan zal men het Evangelie niet langer achterwege mogen houden; het is de liefde van Christus die het meest het hart van de zondaar zal breken. Betreft het echter mensen die geheel niets van hun zonden gevoelen, daar zal 'misschien wel niet ondienstigh wesen gantsch geen gewach te maken van eenige noodinge des Euangeliums', Barenzonius voegt er echter aan toe: 'voor eenigen tijt'. Want blijkt na enige tijd dat men langs deze weg niets vordert, dan is het geraden bij de vloek der Wet de nodiging van het Evangelie bekend te maken. Wel zal men erbij moeten zeggen dat men zich niet zomaar daarmee troosten mag, dat men werkelijk met gevoel van zonden tot Christus zal moeten gaan. Dit wat het pastoraat betreft, wat betreft de prediking, daarin moeten Wet en Evangelie gelijk op blijven gaan.
Verkeerde Wets-prediking
Behalve het zojuist genoemde gevaar ziet Barenzonius er nog een. De zuurdeeg van het pausdom constateert hij ook binnen de gereformeerde kerk. Zo vaak worden bekommerde christenen alleen maar gewezen op de bekering en op de betering van hun leven. Men maakt zich dan echter schuldig aan een eenzijdige en verkeerde wets-prediking. Men zal deze christenen ook moeten wijzen op het lijden van Christus en de voldoening voor onze zonden door dat lijden. Ja wanneer men ze vermaant tot bekering moet men ze tegelijk ook wijzen op Christus zélf, bij Wie voor hen de kracht en genade tot bekering te halen is. Een even verkeerde wets-prediking is het als men bij de gelovigen al meer aandringt op een heiliger en beter leven en daarbij alle argumenten ontleent aan de Wet, door bijv. te dreigen met de hel en te lokken met de hemel, want dan kweekt men een 'huerlings-gehoorzaemheyt'. Of wanneer men de mensen wel Christus voorhoudt maar ze tegelijk ook wijst op hun eigen werkingen en betrachtingen om aan Christus deel te krijgen. Wel legt men dan Christus tot 'een fondament', maar helaas 's mensen betrachtingen, dus zijn werken, 'als een onderste fondament onder Christo'. Eigenaardig is het, zegt Barenzonius, dat velen die de rechte leer van de vrije genade van het Evangelie zuiver prediken en tegen anderen verdedigen toch zelf in de praktijk de Wet zo verkeerd hanteren.
Scherp heeft Barenzonius gezien het gevaar der werkheiligheid, zelfs in een prediking en een pastoraat dat gereformeerd wil zijn. Steeds weer waarschuwt hij in zijn boek voor dit gevaar, waarbij hij vooral het heimelijke van de werkheiligheid meer dan eens blootlegt.
Al menen wij dat Barenzonius Woord en Geest wel wat teveel uit elkaar heeft gehaald, waarop wij in het volgende artikel hopen terug te komen, in ieder geval kan niet worden ontkend, of beter gezegd kam alleen maar dankbaar worden geconstateerd, dat hij een rechte bedienaar van het Evangelie heeft willen zijn. Met een helderheid die hier en daar aan Luther doet denken heeft hij de eigen kracht en betekenis van het Evangelie in prediking en pastoraat onderkend.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 1972
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 1972
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's