Nicolaus Barenzonius en zijn ’Ziele des Euangeliums’ II
Minder bekende oude schrijvers
Wet en Evangelie in de rechtvaardiging van de zondaar
Zijn visie op de verhouding van Wet en Evangelie waar het in het vorige artikel over ging heeft Barenzonius toegespitst op twee punten, te weten de leer der rechtvaardiging en die der heiliging. In beide werken, volgens hem. Wet en Evangelie samen op.
De inzet is de vereniging met Christus. Daaraan gaat wel het een en ander vooraf, maar zij is het eigenlijke waar het op aankomt, Barenzonius omschrijft haar als een 'aangrijpinge Christi door het ware geloove', op grond van Christus' eigen nodiging. Het geloof grijpt Christus aan 'op Godts noodinge, ja op Godts gebodt'. Hierdoor wordt men met Christus verenigd ofwel Hem ingelijfd. De gevolgen zijn groot. De zondaar krijgt daardoor deel aan alles wat de Heere Jezus voor de zijnen verworven heeft. Hij is nu met God verzoend, en gerechtvaardigd. Hij heeft nu ook recht op het eeuwige leven. Tot zo ver is Barenzonius' visie een getrouwe weergave van wat onder andere ook in onze Heidelbergse Catechismus is te vinden. Hij heeft er echter toch wel een eigen accent aan gegeven, door ook hier weer met nadruk de Wet aan de orde te stellen. Om dit eigen accent duidelijk te laten uitkomen moeten wij evenwel eerst even herhalen wat wij al in het vorige artikel vaststelden, namelijk dat, volgens Barenzonius, het Evangelie onder andere ook tot taak heeft de Wet te veranderen van aard en karakter. Heeft de Wet van nature, wegens onze zonden, alleen maar een veroordelende en verdoemende kracht, Christus verandert door het Evangelie de Wet. De vloek, haar 'moort-wapen', wordt haar door Christus uit de handen genomen en Hij maakt van haar weer wat zij oorspronkelijk was namelijk een Wet ten leven. Haar verdervende kracht wordt door het Evangelie genezen. De houding van de Wet ten aanzien van de zondaar die gelooft verandert dan ook geheel en al, keert zich om. Inplaats van hem nog langer te veroordelen en te verdoemen gaat zij hem vrijspreken en zalig spreken. Het is juist op dit punt dat bij Barenzonius een eigen accent valt. De rechtvaardiging van de zondaar geschiedt niet alleen vanuit het Evangelie maar moet ook gezien worden als een daad van de Wet. In Christus is de Wet volkomen volbracht, zij houdt niets meer te eisen over. Zij heeft de zondaar die gelooft vrij te spreken, ja hem zelfs récht te geven op de zaligheid. Een christen mag op grond van het verbond der werkcen, dat God eenmaal in het paradijs met de mens sloot zijn zaligheid eisen. Moedig komt hij de Wet onder ogen, alle vrees voor de Wet is bij hem geweken, in gelovige vrijmoedigheid eist hij van haar wat zij eenmaal in het paradijs de mens beloofde: het eeuwige leven! Hebben wij in het vorige artikel een keer aan Luther herinnerd, hier moeten wij het eveneens doen en willen daar dan nog aan toevoegen de naam van Kohlbrugge. Aan beide wordt men soms bij Barenzonius herinnerd.
Wet en Evangelie in de heiliging
Ook hierin werken volgens Barenzonius Wet en Evangelie samen. Neem zoiets als het treuren over de zonden, een deel van de heiligmaking. De meeste gelovigen klagen er over dat zij er zo weinig van hebben. Soms menen zij zelfs dat zij nog geheel buiten de genade staan omdat zij zo weinig voelen van hun zonden. Geen wonder, zegt Barenzonius, zij zoeken het over het algemeen teveel bij de Wet. Nooit kan men gevoelig over zijn zonden treuren als men het alleen houdt bij de Wet. Om onze zonden te leren kennen is wel de Wet nodig, maar dan niet de Wet zonder het Evangelie. Tracht eerst door het geloof uw verzoening met God vast te stellen en overweegt daarbij de liefde Gods en wat het de Heere Jezus Christus gekost heeft, zijn lijden, zijn dood, zijn bloed, en gewis uw hart zal verwarmd worden. Het Evangelie, zegt hij, moet in dit alles zelfs voorop gaan. De Wet is niet meer dan een 'dienst-maaght' van het Evangelie. Zeker, de hamer van de Wet kan een hard hart verbrijzelen, maar hij kan dat het allerbest 'op het sachte kussen van de vertroostüige des Euangeliums’.
Ook om heilig te leven hebben wij naast de Wet het Evangelie nodig. De Wet leert ons hóe wij hebben te leven, zij houdt ons de wil van God voor, maar verder kan zij niet gaan. De kracht om naar de eis van de Wet te leven moet komen van het Evangelie. Steeds, zegt Barenzonius moet in het leven van de christen het Evangelie voorop gaan; hij bedoelt dat echter niet, zoals hij zegt als een volgorde in de tijd, want Wet en Evangelie werken van het begin af samen, de een niet zonder de ander, maar als een kwestie van orde; daarom echter niet minder belangrijk!
De christelijke vrijheid
Waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid, zegt de tekst die Barenzonius in dit boek behandelt. Hij heeft dus ook wel het een en ander moeten zeggen over die vrijheid. Met nadruk stelt hij vast dat zij een geestelijke en christelijke vrijheid is. Christus woont door zijn Geest in de harten der gelovigen, daardoor zijn zij bevrijd van de zonde, de wereld en de duivel — dat is de christelijke vrijheid! Deze vrijheid is naar haar aard dan ook het tegenovergestelde van alle losbandigheid. Het is juist in dit tweede gedeelte van zijn boek dat Barenzonius een hele kenmerkenleer ontwerpt, met behulp waarvan men zich beproeven kan of men wel werkelijk deel heeft aan deze christelijke vrijheid.
De vrijheid ten aanzien van allerlei aardse dingen die men in zichzelf noch goed noch kwaad kan noemen, komt er bij hem slechts bekaaid af. Zelfs, blijft er bij hem op dit punt van een christelijke vrijheid niet zo heel veel over. Al zou ik hier niet van wetticisme willen spreken een zekere wettische trek is onmiskenbaar. Ook lijkt het ons toe dat een bepaalde levensstijl, namelijk die van die tijd, teveel verabsoluteerd wordt, al willen wij er direkt aan toevoegen dat wat Barenzonius ten diepste bewogen heeft, namelijk het hele leven van de christen een leven te doen zijn in de vreze des Heeren niet alleen legitiem is geweest maar ook een eis is waaraan iedereen in elke eeuw zich heeft te houden. Het meeste bezwaar voelden wij echter daar waar allerlei dingen die, zoals de schrijver zelf toegeeft, niet door God zelf verboden zijn, toch door hem verboden worden onder het motto dat men er anderen mee zou kunnen ergeren. Al ziet Barenzonius niet geheel over het hoofd dat er ook een ergernis nemen is, net zogoed als een ergernis geven, het eerste komt bij hem weinig uit de verf, het laatste daarentegen te scherp. Zo kan hij vanuit dit gezichtspunt b.v. iets als roken (het taback-suygen) aanmerken als een grote zonde. Intussen, niet alle oog voor proporties heeft hij gemist, getuige het feit dat hij het ook heeft over mensen die in 'beusel-saken' zeer streng zijn en heerschappij begeren te voeren over de gewetens van anderen, onder de schijn vromer te zijn dan anderen.
De redekavelingen
Aan het slot van deze beide artikelen over Barenzonius willen wij nog even aan de orde stellen zijn kenmerken-leer of eigenlijk: de manier waarop hij er gebruik van heeft gemaakt. In het centrum daarvan staat het woord dat wij hierboven plaatsten: de redekaveling.
De geloofszekerheid is, evenals bij zovele 'oude schrijvers', ook bij Barenzonius een knellend punt geweest. Het was om haar te dienen dat hij zovele kenmerken heeft opgesteld. Tegen deze kenmerken als zodanig is weinig in te brengen en wij willen ook niet ontkennen dat zij in het leven van de christen een zekere functie kunnen hebben. Anders wordt het echter wanneer er zulk een grote betekenis aan toegekend wordt als bij Barenzonius (en anderen uit die tijd) het geval is. Men komt dan in een sfeer van reflexiviteit, die de ware bevinding meer kwaad dan goed doet. De direkte relatie van de gelovige tot de Schrift, als het levende en sprekende Woord van God gaat voor een deel verloren, door van die Schrift te maken een bron van kenmerken, wier aanwezigheid men bij zichzelf via redekaveling, wat een denkwerkzaamheid is, dus een redelijke bezigheid, kan vaststellen. Het woord zelf is al naar en doet rationalistisch aan. Maar laten wij Barenzonius zelf even aan het woord laten. Een gelovige, zegt hij, houdt zich vast aan de 'ken-tekenen van de ware genade' als vruchten van de gemeenschap raet Christus waaruit hij 'by dagelicksche Redekavelinge' zich 'verseeckert van de gemeenschap Christi'. Zeker, Barenzonius kent ook nog een andere manier om tot zekerheid des geloofs te komen, maar dat is een louter mystieke, waarbij de H. Schrift geheel kan worden gemist. Dan werkt, zo zegt hij, de H. Geest 'extraordinaerlick' namelijk met een 'immediate (= onmiddellijke) aenspraecke aen haer (= hun) gemoedt', maar dit valt, zo voegt hij er aan toe slechts weinigen te beurt. Want 'ordinaerlick geschiet dit by wijse van Redekavelinge door het verlicht verstant'. Komt het echter — bij weinigen — tot een 'regel-rechte insprekinge' in de ziel dat men Gods kind is, dan is het 'gevoeliger ende troostelicker' dan wanneer men tot zekerheid komt via de redekaveling. Wij merken hier bij op, dat deze onmiddellijke verzekering door de H. Geest als een gebeuren dat slechts enkelingen ten deel valt ook de reformatoren Luther en Calvijn bekend is geweest, namelijk vanuit de roomse(!) theologie en dat beide hervormers haar hartgrondig hebben verworpen. Zij hebben de gelovigen voor het verkrijgen van de zekerheid altijd verwezen naar het Woord en de beloften Gods.
Maar hier wreekt zich bij Barenzonius wat wij al eerder hebben vastgesteld, namelijk dat hij Woord en Geest wel niet uit elkaar heeft gehaald, maar de afstand tussen beide toch wel groter heeft gezien dan bij Paulus en ook bij de reformatoren het geval is. Meer dan eens zegt hij, dat de H. Schrift in zichzelf een dode letter is. En hij bedoelt dat dan wel niet in dezelfde zin als de geestdrijvers daarover spraken, tegen wie hij zich ook duidelijk verzet, maar daarmee is nog niet het gevaar uitgesloten tóch de Geest enigszins tegen de Schrift uit te spelen. De Schrift is maar een middel, zegt Barenzonius en daarin heeft hij gelijk, maar hij had beter moeten laten uitkomen, met name op het punt van het komen tot de zekerheid des geloofs, dat de Schrift ook niets minder is dan een middel! Bovendien is de Schrift een middel van geheel eigen aard. Zij is het boek van de Geest, het Woord van de levende God. Ook Barenzonius zal dit beleden hebben en menigmaal heeft hij het ook voluit laten functioneren, maar niet overal, soms zakt hij af op het niveau van de mens en degradeert hij de Schrift tot slechts een arsenaal waaruit hij kenmerken kan halen, om dan de Geest los vem de Schrift zijn gang te laten gaan. Hij scheidt dan wat God verenigd heeft. Intussen, het blijft staan, dat hij een uitnemend dienaar van het Evangelie is geweest, wellicht een man van één boek, maar dat er dan ook wezen mag. Zoals hij heeft geschreven zal hij hebben gepreekt en hebben geloofd. Stellig velen tot grote zegen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's