De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

6 minuten leestijd

W. Barclay, Brief an die Romer, Auslegung des Neuen Testaments, 232 S. Aussaat-Verlag, Wuppertal o.j.

Deze uit het engels vertaalde commentaar op de Romeinenbrief biedt een populaire uitleg van de geweldigste van Paulus' brieven, een brief die in de kerkgeschiedenis zo vaak aan de orde is geweest. De hoogtepunten van de kerkgeschiedenis zou men kunnen omschrijven als een geschiedenis van de uitleg van de Romeinenbrief.

In de dogmatische bezinning keert de bezinning op de inhoud van de Romeinenbrief steeds weer terug. Men denke slechts aan de rechtvaardigingsleer, de verkiezing, Israël, de overheid, de kosmische betekenis van de verlossing enz.

Barclay geeft op verschillende teksten een vrij uitvoerige exegese. Ik denk b.v, aan Rom. 1 : 16, 17, aan de exegese van Rom. 13 : 1, aan de begrippen 'vlees' en 'Geest' in Rom. 8. In allerlei andere gevallen komt de schrijver echter niet boven een samenvatting en parafrase uit.

Als populaire weergave verdient het boekje onze waardering en belangstelling. Al heb ik verschillende malen ook vraagtekens gezet. Ik denk aan Rom. 6: Ivv, waar de auteur het ongelukkige woord 'identificatie' gebruikt voor de relatie van de gelovigen tot Christus. Bij de uitleg van Rom. 7 hadden we graag een verwijzing gezien naar Luther en Kohlbrugge. De auteur spreekt wel over de joodse achtergrond van de twee 'jescrot' die de mens drijven, en noemt deze pericoop een bewijs voor de ontoereikendheid van de mens. Ik meen dat men dit woord de spits van wat Paulus bedoelt te zeggen afbreekt. Ook bij de exegese van Rom. 9—11 heb ik vele vraagtekens gezet. De auteur meent dat Paulus in Rom. 9 schreef vanuiit een persoonlijke 'Seelenqual' en daarom minder gelukkig is geweest in het gebruik van vergelijkingen. De psychologiserende wijze waarop de schrijver Paulus in bescherming wil nemen tegen zijn critici doet aan het apostolisch getuigenis geen recht, en bewijst de exegese geen dienst.

Overigens heb ik ook vele malen een uitroepteken gezet bij de verklaring van deze brief. Men leze dit boekje critisch!

A. N.

G. M. A. Hendriksen, Van dominicaan tot dominee, 132 blz., ƒ8, 50, uitg.  T. Wever, Franeker, 1971.

De titel van dit boek spreekt voor zichzelf: De vroegere kapelaan van Rotterdam en van Amsterdam geeft rekenschap van zijn uittreden uit de rooms katholieke kerk. Thans is hij predikant bij de gereformeerde kerk van Denderleeuw. In een ondertitel typeert de schrijver zijn werk als vrijmoedige notities bij een overgang naar de reformatie. Ik ben dankbaar voor de opmerking in de inleiding, dat de schrijver niet de bedoeling heeft de kerk, die hij verliet een trap na te geven. In dat licht las ik het geschrift.

Allerlei herinneringen uit de tijd van het klooster en van de arbeid later worden opgehaald. Met een glimlach zal de lezer van sommige dingen kennis nemen. Daarnaast zijn er vele bladzijden, waarin persoonlijk geloof spreekt. 'Het gaat niet om kerk of werk, maar alleen om het echte bijbelse geloof.' Ergens schrijft hij over de weldaad van de stilte. Geen kerk of klooster maar alleen onze enige en volkomen Heiland kan de benauwende zielsproblemen van een arme, geestelijk hopeloos in het donker rondtastende mens oplossen. Dit is de ervaring van de schrijver.

Op populaire wijze wordt ingegaan op bepaalde leerstukken, de Mariologie, de leer van de sacramenten, van de pauselijke macht. Soms is deze uiteenzetting te eenvoudig en te algemeen gesteld; het is niet zo gemakkelijk op het ogenblik vast te stellen, wat de leer van de kerk is; daarvoor is het gezag van Trente teveel bestreden of zijn de stukken teveel aan een nieuwe interpretatie onderworpen. Als voorbeeld noem ik Luc. 1 : 28. Vele r.k. geleerden vertalen tegenwoordig met de Statenvertaling begenadigde (uit de laatste tijd b.v. de commentaar van Schürmann, die verwijst naar de onafzienbare literatuur over deze tekst).

Damkbaar ben ik voor het sterke accent dat de schrijver legt op de genade, want het grote verschil tussen Rome en de Reformatie ligt m.i. in een verschillend verstaan van wat genade is.

Th. Delleman, In hemel en op aarde, 136 blz., ƒ 9, 75, Uitg. J. H. Kok, Kampen, 1972.

Dit werk is in zekere zin een vervolg op het boek van de schrijver Alles nieuw (1968). In een inleidend woord stelt de auteur de vraag: Heeft het hemelgeloof zijn tijd gehad? Vanwaar komt de mentaliteit van velen in onze tijd voor wie de aarde het een en het al is?

Over de hemel kan bijbels alleen zinvol worden gedacht en gesproken vanuit het geloof in onze Here Jezus Christus. Vele oud- en nieuw-testamentische getuigenissen worden besproken: De verschijning van Mozes en Elia op de berg der verheerlijking, woorden van Christus aan het kruis, woorden uit de Psalmen. Het artikel van de nederdaling ter helle is alleen te handhaven vanuit een herinterpretatie als die van de Heidelbergse Catechismus. Hier gaat de schrijver ook in op o.a. het Evangelie van Thomas. Bij de eeuwige dood moeten wij denken aan het voor goed, definitief dood zijn; door het oordeel Gods heen vervalt de mens, die zich tot het laatst aan de God des levens onttrekt tot het voor altijd en eeuwig geëlimineerd zijn. Hier denkt de schrijver anders dan wat de Catechismus zegt. — Wij moeten in navolging van de heilsopenbaring over onze doden spreken als over mensen, die leven in de heerlijkheid van Christus. Ook spreekt de schrijver als zijn mening uit, dat de opstanding van ons vlees begint op het ogenblik van ons sterven. Hoe voorzichtig de auteur deze dingen stelt, ik kan hem daarin niet volgen.

Het is van bijzondere betekenis, dat de gemeente bepaald wordt bij de laatste dingen, waarover in het Woord des Heren zoveel wordt gesproken en dat de gemeente zich bezint op de inhoud van het eeuwige leven en zijn betekenis voor het heden. Het atheïstisch geloof, dat het met de dood voor ieder mens uit is, is zoals de schrijver terecht opmerkt een van de grootste verzoekingen, die het christelijk geloofsleven in onze tijd te weerstaan heeft.

Afgedacht van een uiteenzetting hier en daar, die m.i. niet te handhaven is las ik het werk met dankbaarheid door. Het boekje was voor mij aanleiding (nog eens) Calvijn op te slaan en te lezen over de overdenking van het toekomende leven (Inst. III-I, 9) en ook Augustinus, waar hij in zijn Meditaties getuigenis aflegt van het heimwee in zijn hart naar de hemelse Godsstad, waar hij met engelen en gezaUgden de eeuwige lof des Heren zal mogen zingen.

D. B.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's