De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Christus en de Geest

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Christus en de Geest

10 minuten leestijd

Bij de uitgever Kol te Kampen verscheen de studie 'Christus en de Geest' (449 pagina's; prijs ƒ 29,50), waarop de Chr. Geref. prof. dr. J. P. Versteeg op 10 september van het vorig jaar 'met lof' promoveerde. Gezien de grote waarde van dit werkstuk, wijdt drs. A. Noordegraaf er een aantal artikelen aan om zo de inhoud ervan wat toegankelijk te maken voor de niet-theologisch geschoolden. Drs. Noordegraaf zegt in zijn eerste artikel dat de schrijver ons vergezichten opent, die aan de gemeenten in de prediking niet onthouden mogen worden. Deze artikelen willen van deze vergezichten iets tonen en zo het proefschrift van dr. Versteeg dichter bij de lezers brengen.De Redactie

Een belangrijk onderwerp

Enkele jaren geleden maakte prof. dr. W. C. van Unnik de opmerking, dat de leer van de Heilige Geest in het nieuwtestamentisch onderzoek niet die aandacht krijgt, die deze verdient. 'In verhouding tot bijvoorbeeld de Christologie komt de pneumatologie (de leer van de Heilige Geest, dus, A.N.) er bekaaid af ' 1. Juist zij die in hun theologisch denken zich willen bewegen in de lijn van Calvijn, kunnen daar geen vrede mee hebben. Wordt Calvijn immers niet genoemd de theoloog van de Heilige Geest? We moeten erkennen dat we op dit punt allerlei vragen al te dikwijls hebben overgelaten aan secten en randkerkelijke groepen. Ik denk bijvoorbeeld aan de betekenis van 1 Corinthe 12—14, aan het verschijnsel van de profetie in het Nieuwe Testament.

En toch is het zonneklaar dat bijbelse bezinning op de betekenis van het werk van de Geest voor het geheel van kerk en theologie van uitermate groot belang is. Om maar enkele dingen te noemen: Vallen in de controverse Rome-Reformatie niet allerlei beslissingen in het verstaan van het werk van de Geest (b.v. ten aanzien van kerk, ambt, sacramenten)? Gaan juist hier niet de wegen uiteen? Of neemt u het vraagstuk van het Schriftgezag. Er wordt heden ten dage enorm veel geschreven over de hermeneutische vragen, d.w.z. de vragen naar de vertolking van de Schriftinhoud. Hoe komt het Woord over bij de mens van nu? Het standpunt dat men hier inneemt, hangt mede af van de visie op de verbinding tussen Woord en Geest.

Voorts wijs ik u op de ambtsvragen. In de huidige discussie rondom het ambt worden soms met een beroep op de Geest de genadegaven, de charismata, uitgespeeld tegen het zgn. institutaire van ambt, regel en kerkorde, en vanuit de vrijheid des Geestes wordt gepleit voor vergaande specialisatie, inspraak van de gemeente, experimentele opzet enz. En hoe is in de discussie rondom de vrouw in het ambt niet vaak de opmerking gelanceerd, dat men de Geest niet mocht weerstaan, die ons de ogen geopend zou hebben voor de mogelijkheden van de dienst der vrouw in de kerk? Daartegenover is door anderen weer gewezen op de onlosmakelijke band van Woord en Geest.

Dat roept de vraag op: Waar liggen de criteria voor het onderscheiden van de geesten? De kerkhistorie kent vele voorbeelden van geestdrijverij. Al te zeer werd dikwijls de Heilige Geest verward met de 'eigen geest'. Reeds in de eerste Johannesbrief wordt in hoofdstuk 4 : 1 gesproken over het onderkennen van de Geest Gods en gewaarschuwd tegen hen die van een andere geest zijn en in feite aan de zijde van de antichrist staan.

De genoemde voorbeelden mogen duidelijk maken hoezeer we gebaat zijn bij voluit bijbelse studies over de persoon en het werk van de Heilige Geest. Vandaar dat we bijzonder dankbaar zijn voor de mooie studie 'Christus en de Geest' waarop de apeldoomse hoogleraar in de nieuwtestamentische vakken, prof. J. P. Versteeg, op 10 september van het vorig jaar promoveerde tot doktor in de Godgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. De promotie geschiedde 'met lof'-— een bewijs voor de grote wetenschappelijke waarde van dit werkstuk. Maar het boek is niet slechts 'voer voor specialisten en vakgeleerden'. Het is een boek dat in de werkbibliotheek van elke predikant thuis hoort, omdat het een schat aan bijbelse gegevens verwerkt, die op hun beurt weer in kleine munt aan de gemeente doorgegeven kunnen worden. Wie de moeite neemt de inhoud van dit lijvige boek (449 bladzijden) te bestuderen verschaft zichzelf een groot genoegen, maar dient ook de gemeente. Het boek levert nl. 'preekstof' op, in die zin, dat de schrijver ons vergezichten opent die we de gemeente in de prediking niet mogen onthouden.

Een dissertatie is doorgaans door zijn opzet moeilijk leesbaar voor de niet-theologisch geschoolde lezers. De citaten in andere talen, de verwijzingen naar de griekse tekst van het Nieuwe Testament, de uitvoerige discussie met buitenlandse auteurs, brengen dat met zich mee. De auteur zou de gemeenteleden een dienst bewijzen, als hij het voorbeeld zou volgen van verschillende van zijn collega's door de inhoud van dit 'vakwerk' in een wat populaire vorm te gieten. Ik meen dat destijds de oud-testamenticus, dr. C. van Leeuwen zijn dissertatie over het sociaal besef in Israël later heeft omgewerkt tot een populair-wetenschappelijk geschrift, dat elke bijbellezer met vrucht kan gebruiken.

We meenden evenwel, dat het toch niet juist zou zijn om, ook al betreft het hier een wetenschappelijk werk, er slechts een korte recensie aan te wijden. We willen graag proberen in een aantal artikelen bedoeling en inhoud van dit boek wat nader onder de aandacht van onze lezers te brengen. Om daarmee onze grote waardering voor het werk van prof. dr. Versteeg te uiten, en om u voorts wat op de hoogte te brengen.

De opzet

De ondertitel van het boek luidt: Een exegetisch onderzoek naar de verhouding van de opgestane Christus en de Geest van God volgens de brieven van Paulus. De auteur heeft zich dus duidelijk beperkingen opgelegd. Zijn uitlegkundige studie gaat over een aantal teksten uit de brieven van Paulus, en behandelt slechts een bepaald facet van de leer van de Heilige Geest.

Nu zou ik me voor kunnen stellen, dat iemand zegt: Zijn daar zo'n kleine 450 bladzijden voor nodig? Ter beantwoording van deze vraag wil ik twee dingen opmerken:

a. De auteur betrekt uiteraard veel meer teksten in zijn onderzoek. De goed-reformatorische methode van het 'Schrift met Schrift vergelijken' wordt wat dat betreft ook in dit boek toegepast. Maar dat betekent dat de schrijver meer geeft dan alleen een behandeling van een klein aantal teksten. Wij krijgen tevens een prachtige doorsnede door een groot deel nieuwtestamentische theologie, met name wat betreft de brieven van Paulus.

b. De schrijver discussieert uitvoerig met vakgenoten. De literatuurlijst verraadt een enorme belezenheid en laat zien hoezeer de auteur zijn onderwerp in een breed kader plaatst. De wijze waarop prof. Versteeg deze discussie een laats geeft in zijn boek, dwingt bewondering af. De vele voetnoten maken het ook toch niet onleesbaar. Integendeel, de grote lijn blijft duidelijk. Het waardevolle van dit alles is voorts, dat in dit proefschrift iemand die voluit in de reformatorische traditie wil staan, tegelijk de confrontatie met de vaak zeer critische bijbelwetenschap aandurft.

De lezer krijgt op die wijze een schat aan informatie, maar — wat belangrijker is — ontvangt ook een inzicht in de actualiteit van de bijbels-reformatorische visie inzake het werk van de Heilige Geest. U weet: de markt wordt overstroomd door producten van de nieuwe theologie. Vaak wordt de indruk gewekt alsof de inzichten van Luther, Calvijn of onze belijdenisgeschriften achterhaald zijn. Begrijpt u me goed: Zij hebben onze verdediging niet nodig. Evenmin als wij geroepen zijn als advocaten van de Schrift op te treden. Maar tot de roeping van elk gelovige, en dat geldt dus ook de wetenschappelijke bijbelonderzoeker, behoort wel het zich rekenschap afleggen aan de ander van de hoop die in hem is. Wij behoeven vanuit de Schrift het antwoord niet schuldig te blijven op de uitdaging van de nieuwe theologie. Wij hebben wel degelijk een boodschap door te geven. Dat laat de auteur, zonder dat met zoveel woorden te zeggen, duidelijk zien. En dat maakt, dat dit werk de waarde van een proefschrift te boven gaat. Anders gezegd: Het is maar geen studeerkamerproduct, maar wil op elke lezer een klemmend beroep doen toch ernst te maken met wat de Schrift getuigt inzake het heilswerk van God in Jezus Christus door de Geest.

Welke teksten komen nu expliciet aan de orde? Achtereenvolgens worden behandeld:1 Cor. 15 : 45, de laatste Adam, die een levendmakende Geest geworden is (hoofdstuk I); Rom. 1 : 3b, 4a en 1 Tim. 3 : 16b, z.g.n. voor-paulinische gegevens die de apostel als aanhalingen in zijn brieven heeft opgenomen (hoofdstuk II); 1 Cor. 6 : 17 en 1 Cor. 12 : 3: en Geest met de Kurios (hoofdstuk III); 2 Cor. 3 : 17a: De Here nu is de Geest (hoofdstuk IV) en Rom. 8 : 1—11: De Geest van het leven (Hoofdstuk V).

Niet buiten Christus om

U merkt wel: Het gaat in al deze teksten over de verhouding tussen Christus en de Geest. Dat laat zich verstaan. Christologie en Pneumatologie kan men immers niet van elkaar losmaken. Denkt u alleen maar aan de betekenis van de naam Christus, zoals de Catechismus deze weergeeft: Omdat Hij met de Geest gezalfd is ... (zie Luc. 1 : 35; 3 : 21 Mt. 3 : 17 enz.).

In het Johannesevangelie treffen we in ander opzicht verband aan tussen Christus en de Geest. De Geest wordt daar de andere Trooster genoemd. En van deze Trooster wordt gezegd: Die zal Mij verheerlijken' (Joh. 16:14).

In Handelingen 2 valt elke bijbellezer op, dat de preek van Petrus op het eerste Pinksterfeest een Christusprediking is. Wie bijbels wil spreken over de Heilige Geest kan dat niet doen buiten Christus om. Als we dat nl. toch proberen raken we verzeild in een onbijbelse mystiek, misschien zeer religieus, maar niet naar de Schrift.

Nu gaat het Versteeg om de relatie tussen de opgestane Christus en de Geest. Een aantal jaren geleden heeft prof. H. N. Ridderbos al op dit verband gewezen. De gave van de Geest is de gave van de verhoogde Here. Dat zien we uit de brieven van Paulus, maar Ridderbos wijst erop, hoe Paulus hier fundamenteel overeenstemt met het geloof en het belijden van de eerste gemeente. Al te dikwijls hebben de geleerden gemeend dat men het spreken van Paulus over de Geest kon afleiden uit allerlei godsdiensthistorische parallellen. De apostel zou daarin helemaal een kind van zijn tijd zijn.

En natuurlijk, Paulus leefde voluit in de wereld van zijn dagen. Maar de bron van zijn prediking ligt niet in allerlei heidense godsdienstigheid. De verkondiging inzake de Here en de Geest wortelt in de belijdenis van de eerste gemeente en vormt een fundamentele eenheid met hetgeen Jezus aangaande zichzelf verkondigt ².

Pas als men dat vooropstelt, is het vruchtbaar het getuigenis van de Paulinische brieven te plaatsen tegen de achtergrond van die tijd.

Er is dus geen spreken over de Heilige Geest mogelijk los van de dood en de opstanding van Christus. Christus heeft de Geest ontvangen om die uit te delen. Omgekeerd is het de Geest Die ons gelovig doet spreken over de gekruisigde en opgestane Here.

Dat heeft uiteraard gevolgen. De visie op het heilswerk van Christus bepaalt ook het spreken over de Geest. Wie b.v. dit heilswerk gaat vervluchtigen, of wie van Jezus een revolutionaire maatschappijcriticus maakt, moet ook Geest en geest wel gaan verwarren.

En om nog een ding te noemen. Het verband van de opgestane Christus en de gave van de Geest onderstreept ook het genadekarakter van de verlossing. Kruis en opstanding betekenen immers: Het heil is des Heren! En het is de Geest Die toeeigent hetgeen we in Christus hebben.

Deze notie komen we in dit boek telkens weer tegen. Voor het verstaan van de Geest als gave van de eindtijd is dus het rechte zicht op de opstanding uitermate belangrijk. Doch daarover in een tweede artikel.

 


1 W. C. v. UNNik, De Heilige Geest in het Nieuwe Testament, in De Spiritu Sancto, Bijdragen tot de leer van de H. Geest, Utrecht 1964, blz. 63. 2 H. N. Ridderbos, Paulus en Jezus, Kok, Kampen z.j. blz. 90.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Christus en de Geest

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's